“Krispijn, gelukkig oord”

Cornelius van Braam (1770-1803), een vroeg gestorven werkend lid van Pictura, schreef in een in 1800 uitgegeven brochure een ‘Jubelrede’ ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van het Dordtsche Teekengenootschap.[1] Van hem komen we te weten dat vier tekenaars in de zomer van 1774 in het ‘uitspanningsoord’[2] Krispijn overlegden over het oprichten van een tekenvereniging om het hele jaar door onderwijs in die kunst te gaan geven.

Hij schetst een sfeerbeeld van die locatie tijdens die gebeurtenis:

“Het was op eenen dier schoone avondstonden: wanneer, de zon met onbewolkten glans in ’t westen daalende, het hooggetakt geboomte de lange schaduwe over het groen der bekoorende velden verspreidde, en de koornhalm zig zagtkens nederboog voor de frische koelte, die het naastgelegen vlas al golvend kemde; het moedig ros, van het zwoegen voor den ploeg vermoeid, uit het gareel ontslaagen, zig nu in de malsche kruiden omrolde, en dan door het schudden van de maanen zijn genoegen te kennen gaf; het wollig vee al blaatende ter kooi wierd terug gedreeven…”

De bewuste tekenaars hadden die dag op diverse plekken ‘naar het leeven’ getekend en keerden huiswaarts. Op dat ‘schilderagtige hoekje’ op het eiland ontmoetten ze elkaar en lieten elkaar zien wat ze gepresteerd hadden. Daarbij vormde zich het denkbeeld dat ze wel graag intensiever zouden willen oefenen, ook ’s winters.

Hierna beschreef hij, in dezelfde stijl, het ‘gelukkig oord’ waar ze zaten:

“Te dikwerf het tooneel van mingeregelde vermaaken, onstuimige vreugde, en wellicht van buitenspoorigheden, wanneer het onmaatig gebruik van geestige dranken aan de rede het bestuur der zinnen ontweldigd heeft, hoe rijst hier uwe waarde, hoe verdient gij niet, dat uw naam, ter gedagtenis, met gouden letteren bij ons worde opgetekend?”

Hij antwoordt zichzelf:

“Aan de Krispijn…![3] Ja…! Daar… werd de eerste knoop gelegd…!”

Om daarna verder te gaan met een ellenlang verslag over wat er sindsdien was gebeurd, te beginnen met de officiële oprichting van Pictura op 1 oktober 1774.

Het embleem van Pictura in de stijl van de vroege 19e eeuw

Dit zal best een betrouwbaar, hoewel wat ronkend, verslag zijn geweest, want twee van de oprichters, Abraham van Strij en Willem van der Koogh, waren aanwezig bij het jubileum en Van Strij was zelfs nog werkend lid. Van hen zal de nodige informatie afkomstig zijn geweest, maar hoe betrouwbaar die was is natuurlijk niet meer na te gaan.

Bij het vijftigjarig jubileum in 1824 werd een soortgelijke redevoering gehouden, maar de spreker verwees hierin alleen maar naar “Eene ontmoeting op een zomer-avond buiten de stad”, zonder nadere plaatsaanduiding.[4]

In 1874, toen Pictura 100 jaar bestond, werd door de secretaris, J.W.M. Roodenburg, slechts het relaas van Van Braam uit 1799 letterlijk herhaald.[5] Alleen droeg het werkend lid S.J.H. van der Noordaa een lang gedicht voor waarvan de eerste strofen luidden:

Van Dordt zoowat een groot kwartier,
Ligt een betoovrend oord,
Waar ’t landschap, bij een glaasje bier,
Den wandelaar bekoort.
Daar zaten eens, voor honderd jaar,
Bij gerstenat en tabak,
Vier Dordtsche schilders bij elkaar
En spraken over ’t vak.

Het waren Abraham van Strij
En Willem van der Koogh;
Wier naamgenoot en naneef, wij
Aan ’t feest zien zitten, hoog.
En Pieter Hofman met Reinier
Goudsbergen, – deze zijn
De ware namen van de vier
Die zaten te Krispijn.

Etc, etc.[6]

Deze clubgeschiedenis op rijm werd natuurlijk in zijn geheel in het jubileum boekwerkje afgedrukt.

De onderwijzer Jan van de Maas (schuilnaam van de de latere archivaris Jan van Dalen) schreef als één van zijn Dordtsche schetsen die hij vanaf 1888 in de Dordrechtsche Courant publiceerd natuurlijk ook over Pictura, het oudste nog bestaande tekengenootschap van Nederland.[7] Hij maakte echter weinig woorden vuil aan die eerste oprichting en schreef alleen:

“Een samentreffen aan het uitspanningsoord Krispijn van een viertal kunstbeoefenaars, die den schoonen nazomer van 1774 gebruikten, om in de schilderachtige landouwen van het Dordtsche eiland, naar de natuur te teekenen, legde de grond tot het teekengenootschap Pictura….”

In het eerste deel van zijn Geschiedenis van Dordrecht (1931) was hij, nu sinds 1901 archivaris en onder zijn echte naam, wat vollediger. Hij meldde:

“Krispijn heet naar Chrispijn van Oudgaerden, die aldaar in de 17de eeuw een woning of boerderij bezat.” [8]

Waar had hij dat vandaan? Wat had hij nog meer gevonden over Krispijn sinds hij 40 jaar daarvoor zijn Dordtsche schets had gepubliceerd over het ontstaan van Pictura? Één van de mankementen van die eerste moderne geschiedenis van de stad was dat Van Dalen, naast het ontbreken van indices en een literatuuropgave, ook geen noten gaf die naar bronnen verwezen. Geen enkele historicus zou daar tegenwoordig mee wegkomen. Het ziet er naar uit dat die naamsherkomst dus pas in 1931 voor het eerst werd genoemd.

Lips, in zijn Wandelingen door Oud-Dordrecht,[9] nam de connectie met de familie Van Outgaerden echter niet over en zelfs de recentste Geschiedenis van Dordrecht van 1572 tot 1813)[10]  noemt de familie niet, alleen de ‘herberg’ Krispijn. Was dan heel die connectie, die in de populaire lectuur tot nu wordt herhaald, dan alleen afkomstig van de oud-archivaris?

Ik kan er in ieder geval niet omheen: in 1774 was er op een kwartietje van de stad een lokaal waar gedronken een gerookt kon worden tijdens een wandeling of rit in de omgeving van Dordrecht. En het bleek daar, volgens een jonge kunstschilder, wel eens uit de hand te lopen: een soort ‘zuipschuur’ avant la lettre. Maar ik kan er ook niet omheen dat de prenten uit 1747 en 1780 (zie boven dit blog) geen bewijs laten zien dat er een café-met-terras stond op de hoek van de Brouwersdijk en de Spuiweg. Geen bankje buiten, geen tafel, geen uithangbord, geen zich ontspannende Dordtenaren…

Detail uit de stads- en eilandkaart van 1830

Dat in 1830 pas voor het eerst de naam Krispijn op landkaarten en plattegronden voorkomt is een gegeven. Dat kan liggen aan het feit dat er toevallig in de 18e eeuw geen meer gedetailleerde kaarten waar de locatie op stond werden uitgegeven. Bovendien beletten de kaders rondom de stadsplattegronden uit die eeuw dat ver genoeg over de vesten kon worden gekeken. Wel gek is dat halverwege de 19e eeuw pas wordt gesproken over een ‘herberg’ van die naam, maar dat het pand daar eigenlijk veel te klein voor is: waar moesten mensen slapen? Bovendien dateert de eerste plaat waarop te zien is dat enkele mannen inderdaad wat gebruiken op een soort terras bij wat Krispijn moet zijn, uit ca 1850.

Detail uit de litho van ca 1850 met het terras

Er is verder geen enkele verwijzing in de bronnen te vinden die Krispijn met leden van de familie Van Outgaerden verbindt. Zo is er ook geen enkel bewijs dat de oude Crispijn van Outgaerden dit specifieke stuk land aan zijn jonge neef met dezelfde naam heeft nagelaten, behalve dat die een ‘grote tuin’ kreeg die f 860,00 waard was. Waar die tuin lag is niet bekend, maar dat kan net zo goed in de binnenstad of op de ‘stadsgrond’ net over de vest zijn geweest. Of hij bij Krispijn en omgeving lag is dus ook niet te bewijzen. De gilden, en daarbij hun heilige patronen, waren al in 1795 afgeschaft, anders zou je nog kunnen denken aan een uitgaansgelegenheid voor schoenmakers, maar dat kan ook al niet.

Kortom: heeft Jan van Dalen die connectie zelf gelegd zonder daar echt bewijs voor te kunnen leveren? Heeft hij nog bewijs gezien dat het in de 18e eeuw onder die naam bekend staande uitspanninkje van de Van Outgaerdens was? Dat Crispijn van Outgaerden de Derde (1674-?) daar inderdaad een soort café heeft uitgebaat en dat in 1774 zijn naam nog in het geheugen zat? En is het bewijs dat hij dat inderdaad deed inmiddels verdwenen? En heeft Van Dalen de herkomst ervan, zoals zijn gewoonte was, niet vermeld of geannoteerd?

Het is misschien nooit fatsoenlijk opgeschreven, maar kan desondanks allemaal in het geheugen van de Dordtenaren zijn blijven hangen en tot nu toe zijn blijven voortwoekeren tot het in Wikipedia de plattelandsherberg van de edelman Crispijn van Outgaerden werd. Maar als historicus blijf ik mijn twijfels houden over de meergenoemde connectie familie-uitspanning.

Naar boven


[1] Jubelfeest ter vijf- en twintigsten verjaardag van het Dordrechtsche genootschap Pictura ingevallen den eersten van Wijnmaand en gevierd den vierden van Wintermaand 1799 (Dordrecht 1800) 11-12.

[2] De term is van Jan van de Maas (Jan van Dalen) in zijn Dordtsche Schetsen CXXV, ‘Het Teekengenootschap “Pïctura”’, ca 1890.

[3] ‘De’ Krispijn? Wat zou hij hiermee bedoeld hebben? De weg? De kruising? Een watergang? Of is het een zetfoutje?

[4] A. Kist Ez. en B.F. Tydeman, Feestviering van het vijftigjarig bestaan van het genootschap Pictura te Dordrecht op den 17 augustus 1824 (Dordrecht 1825) 28.

[5] Feestviering bij het honderdjarig bestaan van het Teekengenootschap Pictura te Dordrecht op den 1en october 1874 (Dordrecht 1877) 12-14.

[6] Ibidem, 33-34.

[7] J. van de Maas, Dordtsche schetsen CXXV, ca. 1892.

[8] J.L. van Dalen, Geschiedenis van Dordrecht I (Dordrecht 1931) 118.

[9] C.J.P. Lips, Wandelingen door Oud-Dordrecht, 2 delen (Zaltbommel 1974) 276, 502.

[10] W. Frijhoff, e.a., red., Geschiedenis van Dordrecht van 1572 tot 1813 (Dordrecht/Hilversum 1998) 70-71.

De naam Krispijn 5

De weg en de wijk

De Spuiweg was altijd het verlengde van de Spuistraat binnen de stadsvesten nadat die bij de Spuipoort eindigde. Sinds het verwijderen van die poort loopt hij nu van de Spuibrug, via de Krispijntunnel, tot de Hugo de Grootlaan. Vanaf de bocht daar wordt hij Krispijnseweg genoemd. Voor de spoorlijn er lag liep ze nog veel verder zuidwaarts. Al op kaarten uit de 17e eeuw komt, zoals u zag, de naam voor als Speuyweg.[1] Zelfs de bocht naar het zuid-oosten zat er al in; die begon na het kruisen van de zogenaamde Boerenkil, een rest van de in de 16e eeuw geplande maar nooit afgemaakte vestingwerken. Hij liep toen door onbebouwd landbouw- en weidegebied.

Bewerking van de kaart uit 1673 met de originele tekst. De donkergroene lijnen zijn bomenrijen zoals ze op de originele kaart zijn aangegeven.

Daar waar hij op de zuidelijke dijk van de polder Oud-Dubbeldam,[2] de Oudendijk, stuitte stonden dus ‘Krispijn’ (het pand dat die naam kreeg was aanwezig in 1673) en Stadvliet (gebouwd 1663). Het stuk dijk dat hier verder naar de stad en de Weeskinderendijk loopt heette sinds de ontginningen van de Oud Dubbeldamsche Polder rond 1600 de Brouwersdijk. Een glimp van het begin van die weg in de 18e eeuw krijgt u uit de aquarel van Wouter Dam uit 1786 bovenaan dit blog. Links ziet u de Dubbeldamse watemolen in de Watermolenweide en rechts de heg en wat bijgebouwen van de buitenplaats Weizigt, met daarachter te korenmolen de Oranjeboom. De Grote Kerk staat in het midden, natuurlijk. De rest van de weg was geheel onbebouwd; er stonden alleen twee rijen bomen naast.

De Krispijnseweg vóór 1930, die een indruk van de bomenrijen geeft

Dit stuk land werd pas in 1904 door de gemeente van enkele particuliere eigenaren aangekocht, met de bedoeling er een nieuwbouwwijk aan te leggen.[3] Het verschil met Nieuw-Krispijn-Oost – waar men al sinds 1893 bouwde – was dus dat daar de particuliere grondeigenaren de Bloemenbuurt en de Oranjebuurt zelf uit de grond stampten. Zoals de heer Blok uit ’s-Gravendeel die het landgoed van erfgenamen van de heer van Dubbeldam had gekocht en die door baas Hoek werd overgehaald om het vanaf 1906 door hem te laten bebouwen.

Omdat de gemeente het land tussen de Spuiweg en de Brouwersdijk in bezit had ging het daar anders. De nieuwbouw van de wijk vond dus plaats onder toezicht en met vergunningen van de dienst Bouw- en Woningtoezicht (sinds 1910) die de opdrachten gaf aan de ontwerpers-architecten en de aannemers/bouwbedrijven. Er werden plannen gemaakt door architectenbureaus die vervolgens hele buurten ontwierpen. Een uitzondering zijn de Hooft-, Vondel-, Cats-  en Huygensstraten en hun zijstraten die in tamelijk korte rijtjes door timmerlui-aannemers volgens eigen ontwerp werden gebouwd. Dat gebeurde al snel na de aankoop van het gebied. De oudste bouwvergunningen dateren al van 1903 en de laatste zijn van 1913. Aan wat toen nog de Spuiweg heette werden ook al rond 1905-10 tussen de Hooft- en de Catsstraat een rij dubbele woonhuizen ontworpen, waarvan al snel de begane grond werd verbouwd tot winkels met bovenhuizen. Zo konden de buren in die straten erachter daar hun boodschappen doen.

Het oudste stukje Oud-Krispijn op de kaart van 1912

Door een bouwcrisis veroorzaakt door de politieke toestand tijdens de Grote Oorlog (1914-1918), zat er echter een kleine tien jaar tussen dat gedeelte van die buurt en de rest van die wijk. Daar kwam de bouw pas na 1918 op gang. Pas in 1921 kreeg de wijk zijn straatnamen. En over de Brouwersdijk heen was het nog later voor de buurten daar verrezen.

De bijna voltooide rij huizen tussen de Nicolaas Beetsstraat en het J.P. Heyeplein in 1918-19

De vraag is nu: wat was er eerder de weg- of de wijknaam? En wanneer werd de wijk gesplitst in Oud en Nieuw?

Uit de verleende bouwvergunningen blijkt duidelijk dat in 1917 de weg nog steeds Spuiweg heet, maar dat al gesproken wordt over een nieuwe naam. In 1919 wordt op bouwaanvragen de naam Spuiweg doorgestreept en vervangen door Krispijnsche Weg. In 1918 werd de naam dus officieel veranderd. Vanaf 1920 komt de nieuwe naam voortaan alleen voor. Dan worden tot 1922 in de sloten langs de weg rioolbuizen gelegd en trottoirs aangelegd, terwijl de bouw van huizen en winkels naar het westen toe gestaag doorging tot ongeveer 1930.

Gezicht op de winkels langs de Krispijnseweg, 1940

In geen van de bronnen tussen 1890 en 1930 die ik geraadpleegd heb wordt er van een wijk Krispijn gesproken of van Oud- en Nieuw-Krispijn. Archivaris Jan van Dalen was, naar mijn beste weten, de eerste die in 1931 de bebouwing tussen Brouwersdijk en Krispijnseweg Krispijn noemde.[4] De Heus noemt in een artikel in Oud-Dordrecht uit 2015 dat “in de marge van het algemeen plan van uitbreiding van de gemeente Dordrecht uit 1932 [Krispijn] officieel als wijknaam [werd] vastgesteld.[5] Hij gaf helaas geen bron voor deze bewering.

Ik heb verder de indruk dat pas na de oorlog met de opvulling van het weidegebied tussen de Krispijnseweg en de Frederikstraat werd gesproken over Oud- en Nieuw-Krispijn. Waarschijnlijk was dat omdat de nieuwbouw van rijen witte huizen en flats zoveel nieuwer leek dan die tussen de jaren tien en dertig gebouwde woningen aan de westkant van de Krispijnseweg. Waarbij dus vergeten werd dat de Bloemen- en de Oranjebuurt er al respectievelijk sinds 1893 en 1906 lagen en veel meer de naam Oud-Krispijn verdienden. Al is het natuurlijk wel zo dat zij in wezen niets met Krispijn en de Krispijnseweg te maken had, maar dat daar de Dubbeldamseweg de ruggegraat van de wijk was en is. Eigenlijk zou onze buurt dus gewoon anders moeten heten.

Uitsnede uit de stadsplattegrond van 1956 toen Nieuw-Krispijn, de Nassaubuurt, klaar was…

Is die situatie nog terug te draaien? Ik vrees dat dat moeilijk zal gaan worden. Wel verrijst er inmiddels tussen Nassauweg en Frederikstraat een geheel nieuwe wijk, die behalve wat stratenpatroon betreft niets meer met beide wijken te maken heeft. Misschien moet alleen dit stuk vanaf de Frederikstraat tot aan de Krispijnseweg voortaan maar Nieuw-Krispijn heten. Daar zijn voornamelijk Nassaus vernoemd, terwijl aan ‘onze’ kant de 19e eeuwse koninlijke familie overheerst: de Oranjes. Dan geven we ‘ons’ wijkje met als as de Dubbeldamseweg gewoon weer de namen Bloemenbuurt en Oranjebuurt. Maar dan moet mijn mobiel wel mijn positie van Bloemenbuurt in Oranjebuurt veranderen, want ik woon niet in de bloemenstraten.

Hierna komt nog één blog over de naamgeving van de wijk, waarin ik een samenvatting en conclusie geef aan de hand van de gegevens over de oprichting van Nederlands oudste nog bestaande tekengenootschap, Pictura (1774).

Naar boven

Literatuur

Balm-Kok, A., In den Entvogel, Twijnderij in de Kannekoopersbuurt (Dordrecht 2024).

Benschop, R., T. de Bruijn en I. Middag, Historische atlas van Dordrecht. Stad in het water (Nijmegen 2013).

Dalen, J. van, Geschiedenis van Dordrecht I (Dordrecht 1931).

Frijhoff, W., H. Nusteling en M. Spies, Geschiedenis van Dordrecht van 1572 tot 1813 (Hilversum/Dordrecht 1998).

Heus, J. de, ‘Van Lantsyde en Poortsyde tot Jan Eijkelboomsteegje. De geschiedenis van de straatnamen op het Eiland van Dordrecht (4)’, in: Oud-Dordrecht 33 (2015) 81-88.

Linden, S. van der, De heiligen. Levens, kalenders, attributen, patronaten, iconografie (Amsterdam/Antwerpen 2002).

Lips, C.J.P., Wandelingen door Oud-Dordrecht. 2 delen (Zaltbommel 1974).

Schaar, J. van der, Woordenboek van voornamen. Inventarisatie van de doop- en roepnamen met hun etymologie (Utrecht/Antwerpen 1969).

Wijk, W. van, red., Dordt in de kaart gekeken (Zwolle/Dordrecht 1995).

Wijk, W. van, Historische atlas van de Biesbosch (Zwolle 2012).


[1] Benschop, e.a. (2013) 32.

[2] Ingepolderd tussen 1589-1603. Zie Benschop, e.a. (2013) 28.

[3] Van Dalen (1931) 118.

[4] Van Dalen (1931) 118.

[5] De Heus (2015) 81.

De naam Krispijn 4

De uitspanning 3

Een aquarel of ‘gewassen’ pentekening uit ongeveer dezelfde tijd, 1825, en door dezelfde tekenaar, Smak Gregoor, van de achterkant van de ‘uitspanning’ laat helemaal geen bijgebouwen links ervan zien. Dus hoe moet je dit interpreteren? Het gaat duidelijk om dezelfde locatie, maar in detail komen ze niet helemaal overeen. Alleen staat aan de rand van de sloot naast het huis een ‘gemak’ of plee, dat/die er een beetje krakemikkig uitziet. Niet echt geschikt om klanten van dienst te zijn.

De achterkant van Krispijn met de plee, 1825

Maar dan zijn er ontwikkelingen die de naam en de functie samenbrengen. Uit een beschrijving bij de verkoop van het ‘goed Krispijn’ uit 1878 blijkt dat op een stuk land van ongeveer 17 are (= 1700 m2 =  ca 41 x 42 m) “een gebouw met koepelkamer, kleinere kamer, keuken en schuur, met een bloementuin en een boomgaard” stonden naast de ‘herberg’ Krispijn. Het gaat hier nu dus om twee gebouwen.[1] Of de koepelkamer het eigenlijke zomerhuis was en de rest door een beheerder werd bewoond is niet bekend. Nu worden ‘herberg’ en zomerhuis klaarblijkelijk naast elkaar genoemd. Maar in die tijd had je al hotels en waren herbergen een soort veredelde dorpskroegen en verlopen rechthuizen (voorlopers van een gemeentehuis). Nu kun je op stadsplattegronden en eilandkaarten uit de 19e eeuw inderdaad twee huizen zie: het hoofdgebouw is altijd een niet al te groot rechthoekig pand met een kleine aanbouw. Het ligt dan even ten noorden van het al in de 17e eeuw bekende huis, dat nu helemaal tegen de dijk aan staat.

De hoek met boven het oude huis een nieuw pand, 1877, maar al in 1848 te zien.

Pas in een litho uit ca 1850 is er rechts van het ‘boerderijtje’ waar duidelijk nu wat mensen op een ‘terrasje’ voor de zijgevel zitten, een naar achteren staand huis met aan weerszijden van een voordeur een schuifraam te zien. Ervoor is met een schutting en een smeedijzeren hek een omheind erf te zien, maar het is niet duidelijk hoe de plattegrond van het complex eruit ziet.

Litho door W. Bögers uit ca 1849-1859 met mensen op het terras van ‘Krispijn’

Is dit het  zomerhuis en het huis met het terras, het wat in archiefstukken uit 1840 en 1846 de ‘herberg’ Krispijn werd genoemd? Helaas heb ik in het archief niet meer 19e eeuwse vermeldingen van Krispijn kunnen vinden. Alleen als er lezers van dit blog zijn die me nieuwe gegevens kunnen bezorgen, komen we hier misschien nog wat verder mee.

Het Excelsior-complex met eronder nog een later niet meer voorkomend pand, 1923

Op de kaart van 1923 is tegen de zuidkant van de dijk nog een pand te zien dat misschien uit twee delen bestaat. Niet duidelijk is wat dit moet voorstellen. Ten noorden van de dijk is op de hoek een groter complex te zien. Dit was de beschuitfabriek en bakkerij Excelsior met woonhuis erboven. De gebouwen van de uitspanning moeten op de locatie van de bakkerij, waarschijnlijk erachter, aan de Brouwersdijk gelegen hebben, maar hebben dan inderdaad niet bepaald een indrukwekkend formaat gehad. Toch is hier misschien nog een bijzonder stukje informatie te vinden. Op de hieronder staande foto, die in 1939 kort voor de afbraak van de gebouwen van de zijkant van de bakkerij is gemaakt, komt boven de lage achterbouw een oud pannendak uit.

Het Exceslio-complex kort voor de afbraak in 1939

Zou dat het kleine ‘boerderijtje’ van ca  4 x 8 m geweest kunnen zijn? Dan hebben we hier nog de laatste rest van de beroemde ‘uitspanning’ en ‘herberg’ Krispijn in beeld. Die moet dan in datzelfde jaar afgebroken zijn. Op die plek is in 1940 een rijtje van drie huizen onder een kap gebouwd. Ze staan er nog steeds.

Het pannendak van Krispijn?

In 1939 is de ‘uitspanning’ dus opgeslokt door de verbreding van de Brouwersdijk. Het restje van Stadvliet zou in 1949 pas worden afgebroken om de Julianaweg op de Krispijnseweg te kunnen aansluiten. De stippellijntjes om aan te geven waar die zou komen staan al op de 1939 kaart, maar de oorlog kwam ertussen.[2]

De stadsplattegrond uit 1939, alleen Stadvliet staat er nog

Op een foto van rond 1937 bovenaan dit blog is de plaats te zien waar de Oudendijk (nu de Hugo van Gijnweg) in de nu Krispijnseweg geheten Spuiweg overgaat met op de achtergrond de bakkerij.

Wordt vervolgd

Naar boven


[1] Van Wijk (1995) 116.

[2] Van Wijk (1995) 116.

De naam Krispijn 3

De uitspanning 2

Uit de 18e eeuw zijn nauwelijks kaarten over waarop de bebouwing op de hoek Spuiweg-Brouwersdijk staat. In 1725 is de kaart van Van Nispen uit 1673 alleen maar aangepast aan de dan heersende omstandigheden, waarbij de hoek geheel hetzelfde is gebleven. De kaarten van het Eiland uit de rest van die eeuw zijn te weinig gedetalleerd om de huizen bij de hoek te tonen. De 18e eeuwse stadsplattegronden tonen niet genoeg van het gebied buiten de stadsvesten om zover te komen. Laten we daarom eens kijken naar het topografische bewijsmateriaal, oftewel de plaatjes. Gelukkig zitten er in de Beeldbank van het Regionaal Archief ook afbeeldingen van de panden op de bewuste hoek.

De oudste afbeelding van die gebouwen is een gewassen pentekening van de bekende Dordtse kunstenaar Aart Schouman (1710-1782), die in 1747 een gezicht op Dordrecht schilderde gezien vanaf deze locatie (zie bovenaan dit blog). De Grote Kerk steekt in de verte boven bossages uit en boven wat misschien het dak van de villa Weizigt is. Rechts staat de boerderij van Stadvliet met de monumentale inrijpoort van de buitenplaats, bestaande uit twee pilaren met op elke een schildhoudende leeuw. Links staat achter een schuurtje op de voorgrond een huis met wat eruit ziet als een rieten dak en een bakstenen puntgevel. De zijmuur lijkt met gepotdekselde planken bedekt. Rechts van het schuurtje komt een houten schutting tevoorschijn, die het erf van de weg scheidt. Het bijschrift is alleen maar DORDRECHT en de maker heeft zijn naam  en het jaartal eronder gezet. Geen twijfel mogelijk over de maker dus, maar de naam Krispijn valt niet.

In het bijschrift door het archief staat hij wel: “Rechts de ingang van de voormalige buitenplaats Stadtvlied, daar tegenover de herberg Krispijn, op de achtergrond de Grote Kerk”. Maar die dateert van de tijd dat de catalogus van de verzameling Dordracum Illustratum (1908), waarin de tekening te vinden is, werd gedrukt. Misschien leefde het pand toen inderdaad nog in de herinnering als herberg, zoals hij in de 19e eeuw nog werd vermeld. Hier ziet het er weinig herberg-achtig uit.

De wat wollige afdruk van de prent van Bendorp, 1780

Uit dezelfde verzameling is de kopergravure ‘de afgebrande steê buyten Dordregd’ door C.F. Bendorp (1736-1814) die hij in 1780 in een serie Gezichtjes naar ’t leven getekent publiceerde. In het bijschrift heeft iemand tussen haakjes (nabij Krispijn) geschreven. Het is duidelijk dezelfde locatie als die uit 1747, maar er zijn verschillen. Misschien staat het schuurtje nog uiterst links op de prent, maar het huis erachter ziet er anders uit. Het heeft nu een bakstenen zijmuur met een raam erin met vensterluiken. Rechts zou een aanleunende zijruimte kunnen staan. De schutting is weg, alleen tegen de hoek van het huis staat nog een kort restje ervan, met erachter een deur of raam. Waar die verbrande boerderij staat is me niet duidelijk. Stadvliet, rechts, ziet er niet verbrand uit en het linkerhuis ook niet. Dat vertoont ook hier geen tekenen dat het een uitspanning is al staat er een ruiter voor die misschien met iemand staat te praten. Links staat nog een man die eruit ziet alsof hij tegen de muur staat te pissen. 

Het idyllische gezicht bij ‘Krispijn’, 1825

Maar dat is 45 jaar later nog steeds niet het geval. U ziet hier een gewassen pentekening uit ca 1825 (dus even voor in 1830 de naam voor het eerst op kaarten verschijnt) van Gillis Smak Gregoor (1770-1843). Links zou de ‘uitspanning’ op de plaats waar de Spuiweg (naar rechtsachter) overgaat in de Oudendijk (linksvoor) te zien zijn. Het is duidelijk een bescheiden pandje van misschien maar 3,5 à 4 x 8 à 9 m in oppervlak zonder een echte verdieping. Ervoor is een ruiter afgestegen. De andere zit nog te paard en praat met een ‘melkmeisje’. Voor het huis staan twee losse hekken waar je de teugels van een paard tijdelijk omheen kon binden. Er staat nog wat bebouwing naast het huis of is het een hoge schutting? Achter het melkmeisje staat een klein en laag bijgebouwtje; een schuurtje? Of is het de aanleunkamer. Rechts zijn over de heul de boerderij, schuur en de pilaren van Stadvliet te zien. Is hier uit op te maken dat het hier om een café gaat, want dat is een uitspanning in de basis? Nee. Het is gewoon een rustieke scene zoals er zoveel zijn getekend en geschilderd vanaf de 17e tot en met een flink deel van de 20ste eeuw.

Wordt vervolgd

Naar boven

De naam Krispijn 2

De uitspanning 1

Veel rijke families in Dordrecht bezaten een buitenhuis op het Eiland. Dat kon de vorm aannemen van een flinke boerderij met erf en bijgebouwen en een aparte kamer voor de eigenaar tot een bijna paleisachtige villa met een formele baroktuin. Daar kon men de toch wat benauwde huizen, al waren ze nog zo groot, binnen de stadsmuren ontvluchten. Als het in de zomermaanden warm was konden ze zo de stinkende open riolen, die sommige grachten en spranten waren, vermijden.

Krispijn was volgens de literatuur zo’n zomerhuis. Dat werd natuurlijk niet gebouwd als horeca-gelegenheid, want dat is de functie die een ‘uitspanning’ heeft. Met het op gang komen van de belangstelling voor de natuur, zoals dat in de loop van de 18e eeuw het geval was, werden er langs uitvalswegen van steden op veel plekken in ons land dergelijke uitspanningen gesticht. Het waren plaatsen waar je letterlijk na een rit met koets en/of te paard de paarden uitspande. Of in ieder geval even rust liet nemen. Vooral op schilderachtige plekken met een bruggetje en bossages, etc. konden ze tijdens mooi weer op een regelmatige aanloop rekenen. Dat waren dan meestal bestaande, wat boerderij-achtige panden waar je tijdens zo’n uitstapje je paard kon vastbinden, op een bankje een pijp kon opsteken en een glas kon drinken, met eventueel een versnapering erbij. Dergelijke uitspanningen om de stad heen waren tot in de 20ste eeuw een populair trefpunt voor burgers die er een dagje opuit trokken.

Bovenaan dit blog ziet u een aquarel van Aart Schouman uit 1745 die een ‘herberg’ in Dubbeldam zou voorstellen. Het is misschien inderdaad een eenvoudige dorpsherbeg, maar het zou net zo goed een uitspanning kunnen wezen of een taveerne met ‘buitenterras’.

Een uitspanning was echter zeker geen herberg. Een herberg was een flink gebouw waar je kon eten en drinken en waarin je kon overnachten: een soort hotel-café-restaurant dus. Zo’n type locatie baat je zeker niet uit midden tussen de weilanden en akkers, maar in de stad, bij een drukke brug of aan een plein. Of buiten de stad op een druk kruispunt van (water)wegen, een aanlegsteiger van een veer of buiten een stadspoort, zodat je ergens kunt slapen als je de poort gesloten vindt. In herbergen langs postroutes was daarbij gelegenheid voor postbodes om van paard te wisselen en daarom hadden die dan ook een flinke stal.

Het zomerhuis van Van Outgaerden kan nooit een grote hoeve zijn geweest. Op alle kaarten die ervan zijn zie je een klein rechthoekje op een driehoekig stukje land in de hoek tussen de Spuiweg en de Brouwersdijk. Niet groter dan een gemiddelde boerderij, maar die zou minstens nog grote schuur of stal erbij moeten hebben. Eerlijk gezegd heeft het geheel een nogal bescheiden omvang. Was dit echt een buitenplaats? Een zomerhuis dat in de zomer door leden van de familie werd bewoond? En de rest van het jaar door een beheerder?

Detail uit de kaart van Van Nispen uit 1673.
In het origineel ligt het noorden onder.
Rechtsboven is het huis te Dubbeldam te zien.

Dat daar al wel wat stond blijkt voor het eerst uit de gedetailleerde kaart van het Eiland uit 1673 (dus na de dood van de oude Crispijn van Outgaerden) door Matttheus van Nispen. Aan het einde van de Speuywegh (Spuiweg)- hoek Brouwersdijk ligt daar voor het eerst dat driehoekige stukje land omheind met bomen, waarop een gebouwtje is te zien.[1] Het ligt tegenover een ander afgescheiden stuk land, waar de buitenplaats Stadvliet stond. Op de kaarten van Dordrecht en omgeving komt de naam Krispijn in de 17e en 18e eeuw nog niet voor. Het duurt nog tot ca 1830 voordat op een kaart van het eiland de naam Krispijn staat vermeld bij die hoek tussen de weg en de dijk. Daarna is de naam wel steeds aanwezig. Blijft de vraag waarom je zo’n café-met-terras zou noemen naar iemand die al bijna een eeuw dood is, en dan nog wel naar voornaam van die persoon in plaats van naar zijn achternaam. Cafés van nu hebben soms de gekste namen, maar in de 19e eeuw was men nogal conservatief in de naamgeving van horeca-gelegenheden. Dus: waarom Krispijn???

Detail uit een kaart van het Eiland van Dordrecht en omstreken van ca 1830

Wat betekent dit dan? Stond het gebouw daarvoor, dus tijdens de 18e eeuw, niet bekend als Krispijn? Wist men in de vroege 19e eeuw nog dat het pand aan ene Crispijn van Outgaerden had toebehoord, van wie de laatste van de drie toch al in de eeuw ervoor kinderloos was overleden? Hadden familieleden het na zijn dood nog in bezit gehad en was dus de naam van de vroegere eigenaar al die tijd blijven hangen? Of is het een half-legendarisch relict uit een toen al ver verleden? Waar komt dan bijvoorbeeld het verhaal vandaan dat enkele schilders en tekenaars, die zich vooral op het uitbeelden van de natuur toelegden, hier, dus in ‘de uitspanning Krispijn’, in 1774 besloten tot de oprichting van het Teekengenootschap Pictura. Is dat een fabeltje? Het genootschap, dat nu dus zijn 250-jarig bestaan viert, verspreidt dit als een historisch feit, maar ik ben daar niet zo zeker van.[2]

In de volgende blogs zullen de ‘platen’ behandeld worden waarop Krispijn te zien zou zijn.

Wordt vervolgd

Naar boven


[1] Frijhoff, e.a. (1998) 70-71.

[2] Lips (1974) 276.