De Emmastraat 1

Ik krijg naar aanleiding van mijn blogs onregelmatig de vraag: wanneer doe je de Emmastraat nou eens? Daar is toch niet veel mis mee? Zo’n mooie sfeervolle straat… Dat ben ik natuurlijk eens met die vragenstellers, maar dat daar niks aan de hand is, is wat kort door de bocht. De huizen zijn inderdaad nog best gaaf. Juist omdat ze tamelijk groot zijn (in de bouwplannen werden het middenstandswoningen genoemd) wonen en woonden er dikwijls kapitaalkrachtige families in. Die hadden en hebben het geld om hun panden goed te onderhouden. Maar dat wil niet zeggen dat er in de 110-117 jaar dat ze er staan nooit rare dingen mee zijn gebeurd.

Het oudste rijtje, 1-11, is inderdaad al uit 1907. Kort nadat baas Hoek in 1906-07 zijn eerste rij arbeidershuizen aan de Hendrikstraat had gebouwd en aan het show-rijtje Willemstraat 1-9 was begonnen (nu een gemeentemonument) plande hij een rij veel sjiekere en grotere huizen dan die aan de Hendrikstraat. Ze moesten aan de Emmastraat komen, vanaf de hoek met de Dubbeldamseweg tot aan de hoek van de Hendrikstraat. Aan een straat die genoemd was naar de geliefde, toenmalige, koningin-moeder moesten het wel woningen van een bepaalde stand zijn. Waarschijnlijk waren ze erg succesvol, want hij begon in 1908 met twee andere rijtjes aan de Emmastraat, 13-25 en 2-12. En dat terwijl hij in 1907 al begonnen was de rest van de Hendrikstraat tussen Mauritsstraat en Emmastraat vol te bouwen en in 1908 ook nog de hele Sophiastraat afwerkte en de even rij aan de Frederikstraat begon.

Er is een zeldzame foto van de Emmastraat waarop de eerste drie rijen staan in een verder nog leeg gebied. Ik schat hem kort na de bouw, misschien nog in 1908, maar waarschijnlijk in 1909 genomen, want er staan nog geen huizen aan de Dubbeldamseweg. Het hoekhuis van die weg met de Leliestraat (nu 150) is nog te zien en we weten dat Van Hoek in 1910 aan dat deel van de weg ging bouwen.

De Emmastraat ca 1909, links de rijtjes 13-25 en 1-11 en rechts 2-12. In het midden de Rozenstraat met op de hoeken links Dubbeldamseweg128 en rechts nr 130. Tussen de twee eerste rijen ligt de Hendrikstraat, op de voorgrond links de Sophiastraat en rechts de oostkant van wat nu het Emmaplein is, maar dat begon als een plantsoentje.

Pas in 1913 en 1914 werden de andere twee rijen in de straat gebouwd. Dat was geen werk van baas Hoek meer. De nrs. 14-34 uit 1913 waren van Abraham (Bram?) Brand die een timmerbedrijf aan de Suikerstraat had. In 1914 bouwde timmerman Simon Hurkmans van de Voorstraat de nummers 27-37 en het daarbij aansluitende pand om de hoek van de Frederikstraat, nummer 38. Het is verwonderlijk om te zien hoe die rijen afweken van wat baas Hoek tot dan toe allemaal gebouwd had. 27-37 sloten nog wel een beetje aan met hun torentjes, maar het was een veel minder symmetrisch ensemble. Met name 14-34 was toch wel anders en het waren ook boven- en benedenwoningen, in tegenstelling tot de eensgezins panden in de rest van de straat. Maar daar ga ik het later over hebben.

Ik ga in de volgende blogs achtereenvolgens de vijf rijtjes aan die straat behandelen. Er is tamelijk veel van de plannen en bouw bewaard gebleven en er zijn ook nog wat leuke oude foto’s van de straat.

Wordt vervolgd

Naar boven

De naam Krispijn 5

De weg en de wijk

De Spuiweg was altijd het verlengde van de Spuistraat binnen de stadsvesten nadat die bij de Spuipoort eindigde. Sinds het verwijderen van die poort loopt hij nu van de Spuibrug, via de Krispijntunnel, tot de Hugo de Grootlaan. Vanaf de bocht daar wordt hij Krispijnseweg genoemd. Voor de spoorlijn er lag liep ze nog veel verder zuidwaarts. Al op kaarten uit de 17e eeuw komt, zoals u zag, de naam voor als Speuyweg.[1] Zelfs de bocht naar het zuid-oosten zat er al in; die begon na het kruisen van de zogenaamde Boerenkil, een rest van de in de 16e eeuw geplande maar nooit afgemaakte vestingwerken. Hij liep toen door onbebouwd landbouw- en weidegebied.

Bewerking van de kaart uit 1673 met de originele tekst. De donkergroene lijnen zijn bomenrijen zoals ze op de originele kaart zijn aangegeven.

Daar waar hij op de zuidelijke dijk van de polder Oud-Dubbeldam,[2] de Oudendijk, stuitte stonden dus ‘Krispijn’ (het pand dat die naam kreeg was aanwezig in 1673) en Stadvliet (gebouwd 1663). Het stuk dijk dat hier verder naar de stad en de Weeskinderendijk loopt heette sinds de ontginningen van de Oud Dubbeldamsche Polder rond 1600 de Brouwersdijk. Een glimp van het begin van die weg in de 18e eeuw krijgt u uit de aquarel van Wouter Dam uit 1786 bovenaan dit blog. Links ziet u de Dubbeldamse watemolen in de Watermolenweide en rechts de heg en wat bijgebouwen van de buitenplaats Weizigt, met daarachter te korenmolen de Oranjeboom. De Grote Kerk staat in het midden, natuurlijk. De rest van de weg was geheel onbebouwd; er stonden alleen twee rijen bomen naast.

De Krispijnseweg vóór 1930, die een indruk van de bomenrijen geeft

Dit stuk land werd pas in 1904 door de gemeente van enkele particuliere eigenaren aangekocht, met de bedoeling er een nieuwbouwwijk aan te leggen.[3] Het verschil met Nieuw-Krispijn-Oost – waar men al sinds 1893 bouwde – was dus dat daar de particuliere grondeigenaren de Bloemenbuurt en de Oranjebuurt zelf uit de grond stampten. Zoals de heer Blok uit ’s-Gravendeel die het landgoed van erfgenamen van de heer van Dubbeldam had gekocht en die door baas Hoek werd overgehaald om het vanaf 1906 door hem te laten bebouwen.

Omdat de gemeente het land tussen de Spuiweg en de Brouwersdijk in bezit had ging het daar anders. De nieuwbouw van de wijk vond dus plaats onder toezicht en met vergunningen van de dienst Bouw- en Woningtoezicht (sinds 1910) die de opdrachten gaf aan de ontwerpers-architecten en de aannemers/bouwbedrijven. Er werden plannen gemaakt door architectenbureaus die vervolgens hele buurten ontwierpen. Een uitzondering zijn de Hooft-, Vondel-, Cats-  en Huygensstraten en hun zijstraten die in tamelijk korte rijtjes door timmerlui-aannemers volgens eigen ontwerp werden gebouwd. Dat gebeurde al snel na de aankoop van het gebied. De oudste bouwvergunningen dateren al van 1903 en de laatste zijn van 1913. Aan wat toen nog de Spuiweg heette werden ook al rond 1905-10 tussen de Hooft- en de Catsstraat een rij dubbele woonhuizen ontworpen, waarvan al snel de begane grond werd verbouwd tot winkels met bovenhuizen. Zo konden de buren in die straten erachter daar hun boodschappen doen.

Het oudste stukje Oud-Krispijn op de kaart van 1912

Door een bouwcrisis veroorzaakt door de politieke toestand tijdens de Grote Oorlog (1914-1918), zat er echter een kleine tien jaar tussen dat gedeelte van die buurt en de rest van die wijk. Daar kwam de bouw pas na 1918 op gang. Pas in 1921 kreeg de wijk zijn straatnamen. En over de Brouwersdijk heen was het nog later voor de buurten daar verrezen.

De bijna voltooide rij huizen tussen de Nicolaas Beetsstraat en het J.P. Heyeplein in 1918-19

De vraag is nu: wat was er eerder de weg- of de wijknaam? En wanneer werd de wijk gesplitst in Oud en Nieuw?

Uit de verleende bouwvergunningen blijkt duidelijk dat in 1917 de weg nog steeds Spuiweg heet, maar dat al gesproken wordt over een nieuwe naam. In 1919 wordt op bouwaanvragen de naam Spuiweg doorgestreept en vervangen door Krispijnsche Weg. In 1918 werd de naam dus officieel veranderd. Vanaf 1920 komt de nieuwe naam voortaan alleen voor. Dan worden tot 1922 in de sloten langs de weg rioolbuizen gelegd en trottoirs aangelegd, terwijl de bouw van huizen en winkels naar het westen toe gestaag doorging tot ongeveer 1930.

Gezicht op de winkels langs de Krispijnseweg, 1940

In geen van de bronnen tussen 1890 en 1930 die ik geraadpleegd heb wordt er van een wijk Krispijn gesproken of van Oud- en Nieuw-Krispijn. Archivaris Jan van Dalen was, naar mijn beste weten, de eerste die in 1931 de bebouwing tussen Brouwersdijk en Krispijnseweg Krispijn noemde.[4] De Heus noemt in een artikel in Oud-Dordrecht uit 2015 dat “in de marge van het algemeen plan van uitbreiding van de gemeente Dordrecht uit 1932 [Krispijn] officieel als wijknaam [werd] vastgesteld.[5] Hij gaf helaas geen bron voor deze bewering.

Ik heb verder de indruk dat pas na de oorlog met de opvulling van het weidegebied tussen de Krispijnseweg en de Frederikstraat werd gesproken over Oud- en Nieuw-Krispijn. Waarschijnlijk was dat omdat de nieuwbouw van rijen witte huizen en flats zoveel nieuwer leek dan die tussen de jaren tien en dertig gebouwde woningen aan de westkant van de Krispijnseweg. Waarbij dus vergeten werd dat de Bloemen- en de Oranjebuurt er al respectievelijk sinds 1893 en 1906 lagen en veel meer de naam Oud-Krispijn verdienden. Al is het natuurlijk wel zo dat zij in wezen niets met Krispijn en de Krispijnseweg te maken had, maar dat daar de Dubbeldamseweg de ruggegraat van de wijk was en is. Eigenlijk zou onze buurt dus gewoon anders moeten heten.

Uitsnede uit de stadsplattegrond van 1956 toen Nieuw-Krispijn, de Nassaubuurt, klaar was…

Is die situatie nog terug te draaien? Ik vrees dat dat moeilijk zal gaan worden. Wel verrijst er inmiddels tussen Nassauweg en Frederikstraat een geheel nieuwe wijk, die behalve wat stratenpatroon betreft niets meer met beide wijken te maken heeft. Misschien moet alleen dit stuk vanaf de Frederikstraat tot aan de Krispijnseweg voortaan maar Nieuw-Krispijn heten. Daar zijn voornamelijk Nassaus vernoemd, terwijl aan ‘onze’ kant de 19e eeuwse koninlijke familie overheerst: de Oranjes. Dan geven we ‘ons’ wijkje met als as de Dubbeldamseweg gewoon weer de namen Bloemenbuurt en Oranjebuurt. Maar dan moet mijn mobiel wel mijn positie van Bloemenbuurt in Oranjebuurt veranderen, want ik woon niet in de bloemenstraten.

Hierna komt nog één blog over de naamgeving van de wijk, waarin ik een samenvatting en conclusie geef aan de hand van de gegevens over de oprichting van Nederlands oudste nog bestaande tekengenootschap, Pictura (1774).

Naar boven

Literatuur

Balm-Kok, A., In den Entvogel, Twijnderij in de Kannekoopersbuurt (Dordrecht 2024).

Benschop, R., T. de Bruijn en I. Middag, Historische atlas van Dordrecht. Stad in het water (Nijmegen 2013).

Dalen, J. van, Geschiedenis van Dordrecht I (Dordrecht 1931).

Frijhoff, W., H. Nusteling en M. Spies, Geschiedenis van Dordrecht van 1572 tot 1813 (Hilversum/Dordrecht 1998).

Heus, J. de, ‘Van Lantsyde en Poortsyde tot Jan Eijkelboomsteegje. De geschiedenis van de straatnamen op het Eiland van Dordrecht (4)’, in: Oud-Dordrecht 33 (2015) 81-88.

Linden, S. van der, De heiligen. Levens, kalenders, attributen, patronaten, iconografie (Amsterdam/Antwerpen 2002).

Lips, C.J.P., Wandelingen door Oud-Dordrecht. 2 delen (Zaltbommel 1974).

Schaar, J. van der, Woordenboek van voornamen. Inventarisatie van de doop- en roepnamen met hun etymologie (Utrecht/Antwerpen 1969).

Wijk, W. van, red., Dordt in de kaart gekeken (Zwolle/Dordrecht 1995).

Wijk, W. van, Historische atlas van de Biesbosch (Zwolle 2012).


[1] Benschop, e.a. (2013) 32.

[2] Ingepolderd tussen 1589-1603. Zie Benschop, e.a. (2013) 28.

[3] Van Dalen (1931) 118.

[4] Van Dalen (1931) 118.

[5] De Heus (2015) 81.

Oranje straatnamen 3

De rest van de straatnamen in de Oranjebuurt gaat nog wel een generatie verder terug; die van de Frederikstraat en de Mariannestraat zelfs twee.

Frederik, die Frits werd genoemd, heette voluit Willem Frederik Karel, prins der Nederlanden, prins van Oranje-Nassau (28 februari 1797 – 8 september 1881), was de tweede zoon uit het huwelijk van koning Willem I der Nederlanden en Wilhelmina van Pruisen en daarmee de jongere broer van de latere koning Willem II. Hij vervulde voornamelijk hoge militaire functies en heeft nog tegen Napoleon gevochten in 1813 en 1815 en in de Belgische afscheiding van 1830 een rol gespeeld. Prins Frederik richttte ook de Koninklijke Militaire Academie in Breda op. Daarnaast leverde zijn rol in het bestrijden van de armoede in die tijd hem ook veel goodwill op. Bij alle problemen waar de Oranjes gedurende zijn leven mee te maken hadden heeft hij verder een bemiddelende rol gespeeld. Hij werd daar, ook in het land en in de politiek, zeer om gewaardeerd. Naast dat alles was hij een grote steun voor de Orde van Vrijmetselaren in Nederland, die veel aan hem te danken heeft.

Prins Frederik als Pruisisch officier, foto ca 1855

Frederik werd 84 en was daarom de langst levende Oranje ooit. Hij was zelfs nog aanwezig bij de doop van de latere koningin Wilhelmina in 1880.

Met zijn jongere zuster ging het minder voorspoedig. Marianne, voluit Wilhelmina Frederica Louisa Charlotte Marianne (9 mei 1810 — 29 mei 1883), prinses der Nederlanden, prinses van Oranje-Nassau, was dus ook een kind van koning Willem I. Zij trouwde in 1830 met haar neef Albert van Pruisen, had met hem een slecht huwelijk en ontvluchtte Berlijn. Ze vestigde zich in Voorburg. In 1849 scheidde ze officieel van haar man. Dat was tamelijk ongewoon in die tijd, maar het had een reden. Ze veroorzaakte namelijk een nationaal en internationaal schandaal doordat ze toen al een relatie had met haar lakei en later secretaris Johannes van Rossum. Bovendien kreeg ze in datzelfde jaar 1849 een zoon van hem die Johannes Willem van Reinhartshausen werd genoemd. Het was dus duidelijk voor het hof en niet lang daarna in het land en buitenland wat er aan de hand was. Broer Frits bemiddelde bij de scheiding.

Prinses Marianne, litho naar een schilderij, 1835

De jongen overleed al op 12-jarige leeftijd, kort daarna gevolgd door zijn vader Johannes. Prinses Marianne vervreemde van haar familie en ging haar eigen gang. Ze was door haar onorthodoxe gedrag het zwarte schaap van de familie. Ze verbleef voornamelijk in het buitenland, waar ze overal huizen bezat en aan liefdadigheid deed. Maar ze heeft dan toch maar een straat in Dordrecht die naar haar genoemd is.

Het is de vraag waarom een gemeente dat zou doen. Was het omdat de al genoemde Anna Paulowna- en Saksen-Weimarstraten ergens op uit moesten komen? Of zat er een diepere betekenis achter? In 1939 was de straat nog geheel onbebouwd en pas na de oorlog zou die aanvangen. In 1948-49 werden net als in straten in de omgeving rijen gebouwd met van oorlogspuin gemaakt beton; het zogenaamde Witte Dorp. Aan de even kant werden samen met de Frederikstraat en een kant van de Saksen-Weimarstraat in 1952 nog enkele rijen fantasieloze bakstenen panden opgetrokken. Je zou bijnna denken dat de gemeente door de straat de naam van een in ongenade gevallen prinses te geven zelf ook niet veel liefde voor het gebied had. Natuurlijk is ook deze gevolgtrekking niet te bewijzen.

De litho bovenaan het blog is een familieportret uit 1827 door Claudio Linati (?) van het gezin van koning Willem I Frederik die zittend wordt afgebeeld met koningin Wilhelmina links naast zich. Hun zoon, de latere koning Willem II (1792) staat links met zijn echtgenote Anna Paulowna gezeten in een stoel. Hun vier kinderen zijn om hen heen gerangschikt. De oudste, de latere Willem III (1817), staat met zijn rug naar de kijker gekeerd, zijn broer Alexander (1818) leunt helemaal links op zijn moeders stoel. Prins Hendrik (1820) staat naast zijn opa, de koning, en Sophie (1824) zit achter haar moeders stoel. Prins Frederik (1797) met echtgenote Louise van Pruisen staan rechts. Zij kregen hun eerste kind in 1828 en de litho moet dus van voor dat jaar worden gedateerd. Het meisje links naast Louise is prinses Marianne (1810), dan ca 16-17 jaar oud.

Prins Frederik, ca 1827, ook door Linati, die zelf de litho ondertekende: de geportretteerde lijkt hier wel degelijk

De prent bevindt zich eveneens als de eerdere in deze blogs, in het Rijksmuseum. De kunstenaar was een kleurrijk figuur die in 1827 inderdaad in Brussel was, waar de oorsponkelijke aquarel of tekening moet zijn gemaakt. De koninklijke familie verbleef voor de Belgische revolutie afwisselend in Den Haag en Brussel. Linati was een leerling van de beroemde Franse schilder J.-L. David. Hij was een capabel kunstenaar, maar de litho is dan waarschijnlijk door een veel minder deskundige collega naar het origineel vervaardigd.

Wordt vervolgd

Naar boven

De jaren twintig 8

Toch nog even een vervolg op nummer 7, want ik moet waarschijnlijk weer wat uitleggen. Ik schreef in het beginblog van deze reeks over Dubbeldamseweg 152-156 toen het ging over wat je moet met al die verdwenen en vervangen bouwdetails:

Vorige bewoners/eigenaars kan je natuurlijk niet meer vragen het beter te doen. Omdat het rijtje geen monument is en ook niet in een beschermd  stadsgezicht staat kan je ook huidige eigenaars niet verplichten of tenminste smeken terug te gaan naar het uiterlijk van 1920.

Elke lezer heeft kunnen zien dat geen enkel twintiger jaren ensemble zich nog in zijn originele staat bevindt. De compleet bewaarde gevel van Frederikstraat 41 is een enorme uitzondering en een zeer opvallende afwijking van het stramien van aantasting en modernisering. En dat is het hoekpand Willemstraat-Hendrikstraat ook, maar in iets mindere mate.

Het viel me op dat het aantal lezers van deze blogs tijdens het publiceren langzaamaan verminderde. Wat was daarvan de reden? Was mijn verhaal te somber? Te eentonig? Was ik te kritisch? Was men niet echt geinteresseerd in de meer blokkkerige Amsterdamse school panden, die wat aantrekkelijkheid betreft nogal van de romantische jaren-tien huizen afwijken? Vond men mijn enthousiasme voor leuke, creatieve baksteendetails wat te ver gaan? Ik weet het niet. Als men geen reactie of kritiek geeft kom ik het ook niet te weten. En ik ga geen poll of enquète houden; te veel werk.

Maar ik wil toch echt bij u pleiten deze zeven blogs nog eens goed te lezen. Ik hoopte namelijk op begrip voor de ontwerpers en bouwers die na de Grote Oorlog met vele moeite weer aan de slag moesten om hun boterham te kunnen verdienen. Maar dat ze wel wisten dat het de tijd niet meer was voor de vrolijk gekleurde en van excentrieke dakjes, balkonnetjes, kapelletjes en ingewikkeld glas-in-lood voorziene pandjes in de Oranjebuurt. Het moest soberder, goedkoper, gladder en met minder gefriemel. Want die lege stukken die door gebrek aan bouwmateriaal in de oorlog niet bebouwd konden worden en kaal waren gebleven moesten toch een keer opgevuld worden. Het was dapper genoeg dat ze na 1920 het risico van de inversteringen aandurfden en aan de slag gingen. Nadat eerst de lonen huizenhoog waren gestegen en de kosten dus maar op bleven lopen, zakte de huizenprijs met ongeveer 80 % en kwam de waarde ervan onder het niveau van de door de gemeente verstrekte hypotheken. De aannemers, onder wie Gerrit van Hoek, kregen grote schulden bij de gemeente. De rest van de jaren twintig moet het sappelen geweest zijn en was het bepaald geen vrolijke tijd. Toen na de beurskrach van 1929 alles na een paar jaar stil kwam te liggen en de crisis uitbrak, vond baas Hoek het welletjes en stopte met bouwen.

Wat ik aan die bouwfase zo hartverwarmend vind is dat de aannemers het ondanks alle problemen niet konden laten hun blokkerige huizen te versieren. In stijl, Bauhaus en Art Deco, maar toch speels. Dat vond ik zo mooi, dat ik bij het nauwkeuriger bekijken van die details dikwijls gewoon een glimlach op mijn gezicht kreeg. Maar dat ik ook, waar juist die details waren verwaarloosd of aangetast, boos werd op de vandalen die daar de laatste tientallen jaren zo respectloos mee om waren gegaan. Die boosheid probeer ik in deze blogs te temperen, maar ik spreek me wel uit over die verwaarlozing van al die leuke panden. Ik vind het gewoon doodzonde. Ik hoop ook dat als mijn inventaristatie van de  jaren twintig rijtjes nou eens goed gelezen worden, ik mijn ongerustheid erover heb overgebracht. En dat ik de lezers ervan overtuigd heb dat er wat moet gebeuren.

Naar boven

De oudste huizen in de Oranjebuurt

De huizenrijtjes aan de oostkant van de Dubbeldamseweg, de even kant, keken, over de weg heen, al sinds een paar jaar voor 1900 naar het westen uit over honderden meters weiland. Helemaal  tot aan de Krispijnseweg, die toen nog Spuiweg heette en die nog geheel onbebouwd was. Dat weidegebied was het oude domein van de heren van Dubbeldam wiens buitenplaats al 130 daarvoor was afgebroken. Van de tuinen die om het huis hadden gelegen was niets meer over; alleen de omtrekken van een formele tuinvijver waren nog in het weiland te zien. En er stond alleen nog een tuinmanswoning en een flinke boerderij die gerund werd door de familie Molendijk aan wat nu de Mariastraat is. Dit land was van de oorspronkelijke erfgenamen aangekocht door de heer Blok, een rijke heer uit ’s-Gravendeel.

De jongste zoon van baas Hoek, Leo, vertelt in zijn levensbeschrijving van zijn vader hoe die betrokken raakte bij de ontwikkeling van dat gebied. Hij kreeg namelijk in de gaten dat die weilanden al jaren lang onbebouwd waren terwijl de gemeente dringend om bouwterrein verlegen zat. Maar er was niemand die dat risico durfde te nemen en zo bleef land dat sinds de grenswijziging van 1903 inmiddels Dordts eigendom was braak liggen.

De afstand tussen beide wijken in 1923

“Het praatje ging rond dat (Blok) er danig mee in zijn maag zat. Het zou een grondspeculatie geweest zijn, die dreigde te mislukken. Gerrit dacht: als die Blok zo omhoog zit met die grond, kan ik hem misschien wel zover krijgen, dat ik een gedeelte ervan, op eigen risico, maar om te beginnen zonder voor de grond te betalen, kan bebouwen.”

Blok was echter niet zo toeschietelijk en het kostte Gerrit van Hoek meerdere gesprekken om hem over te halen. Dat lukte pas toen hij voorstelde om te beginnen maar eens zes eenvoudige huisjes te bouwen die hij dan zou proberen te verkopen. Als dat lukte zou hij de grond waarop ze stonden kopen en er hypotheek op nemen. De eigenaar, die schulden had bij de bank, hapte toe en de bank werkte mee. Gerrit maakte bouwtekeningen en –plannen en die werden goedgekeurd door de bank en wat later door de gemeente. Hij kon aan de slag. Eerst nam hij nog ontslag bij aannemer Bozuwa, voor wie hij werkte. Die vond het maar een gewaagd plan, maar wenste hem succes. Gerrit zou als eerste huizen gaan bouwen ten westen van de Dubbeldamseweg. Zo noemde hij het plan ook: Bouwplan voor zes woonhuizen op het bouwterrein aan den Dubbeldamsche weg.

Plattegrond van de te verkopen kavels aan de Dubbeldamseweg oneven, 1902. Ik woon op nr 2

Ik ben lang op zoek geweest naar die zes huizen aan de Dubbeldamseweg, maar heb ze tot voor zeer kort nooit gevonden. De rijen die daar in de jaren tien aan de westkant zijn gebouwd (voor een deel door Van Hoek) zijn alle langer. Of juist korter. Dat kwam omdat de kavels direct aan de weg, na de sloot, al te koop stonden sinds 1902, en je daar niet zomaar kon gaan bouwen. Maar nog niemand had toegehapt. Er moest dus wat naar achteren gebouwd worden en dan kwam je op de plaats waar nu de Hendrikstraat ligt. Er moet kort na 1902 al een stratenplan zijn ontworpen. De straatnamen in die buurt zijn namelijk in november 1906 vastgesteld, dus toen moet al bekend zijn geweest welke straat waar kwam. De tracees zijn echter pas in 1908 voor het eerst, nog onbebouwd, op een stadsplattegrond te zien.

De locatie van de oudste huizen op het plan uit 1906

Toen ik recent de bouwvergunningen van de Hendrikstraat nog eens bekeek viel me ineens een plattegrond en aanzicht op dat in 1906 was gedateerd en waar de namen van G. van Hoek en J.K. Schuiling op te lezen waren. Er zat ook een plattegrondje van dat deel van de buurt bij, waarop een rijtje van zes huizen op getekend stond aan de westzijde van de Hendrikstraat. De straatnaam staat er niet bij, maar omdat het de eerste straat na de Dubbeldamsche Weg is, is verwarring uitgesloten. Die huizen staan er nog steeds en nu hebben ze de nummers 29-39. Als je inmiddels de bouwstijl van Gerrit van Hoek kent is het maar al te duidelijk dat hij de stijl van de huizen die hij aan de Boogjes en in de Bloemstraat heeft gebouwd in de Hendrikstraat heeft voortgezet. Hier zijn ze echter nog uitbundiger gedecoreerd dan in de eerdere bouwsels.

HES 29-33 nu
HES 35-39 nu

Baas Hoek deed zelf al het timmerwerk en besteedde het metselwerk uit. Alles verliep vlot. Toen het werk bijna af was kwamen er zelfs al kopers op af. Vijf van de huizen waren verkocht bij de oplevering en Hoek ging zelf, met zijn vrouw, dochter en ouders, in het zesde wonen. Zijn oudste zoon Thijs werd er geboren. De medewerker J.H. Schuiling, die de bouwtekening eveneens had ondertekend, woonde er ook volgens het adresboek van 1908. Baas Hoek was toen al verhuisd naar zijn nieuwe werkplaats met bovenwoning aan de Sophiastraat 17.

HES 29-39 De oudste huizen van de Oranjebuurt, 1906, blauwdruk

Het rijtje huizen stond aanvankelijk eenzaam op de zandlichamen van de nieuwe straten, maar dat zou niet lang zo blijven. Begin 1907 moet hij het eclectische en monumentale ensemble Willemstraat 1-9 als teken van zijn kunnen voor de heer Blok hebben ontworpen. Misschien heeft dat er voor gezorgd dat hij nog datzelfde jaar in juli aan de realisatie van de zeer decoratieve middenstandshuizen op Emmastraat 1-11 kon beginnen. Vanaf september 1907 bouwde Gerrit van Hoek vervolgens de Hendrikstraat aan de oneven kant tot aan de Emmastraat vol. Op de bouwplannen wordt de naam Hendrikstraat nu wel genoemd, evenals de Sophiastraat. In 1908 bouwde hij vervolgens vanuit de nieuwe werkplaats de hele Sophiastraat, even en oneven, vol, trok de even kant van de Frederikstraat op en daarbij ook nog twee rijen aan beide kanten van de Emmastraat.

SOS 8-30 in blauwdruk 1908

Hij moet een ontembare werklust gehad hebben en een leger aan timmerlui, metselaars, dakdekkers, smeden en heiers aan het werk hebben gehad om al die projecten tegelijk aan te kunnen pakken. En daarna lieden om de huizen af te werken zoals loodgieters, gasfitters, stucadoors en schilders. De foto boven aan het blog die de bijna voltooide huizen van Sophiastraat 14-22 in 1908 laat bijna 30 werklieden in allerlei beroepen zien. Hij haalde ze uit heel Dordrecht en omgeving. Een Sliedrechtse vriendin, die nog in de Sophiastraat heeft gewoond, vertelde dat haar opa die een goede huisschilder was, graag voor hem werkte. Hij liep ’s morgens voor dag en dauw over de dijk naar het Papendrechtse veer, voer over en werkte de hele dag aan de nieuwbouw van de Oranjebuurt, en liep ’s avonds weer terug. Hij had zijn kleindochter verteld dat hij goed betaald werd en dat op het werk van baas Hoek niet gesjoemeld werd. Gerrit van Hoek was een vakman die alleen met betrouwbare arbeiders werkte. Er werden bij hem geen kantjes af gelopen. Hij was betrouwbaar. Vandaar dat zijn financiers, leveranciers, de banken en de gemeente en zeker zijn werkvolk met hem wegliepen. Vandaar ook dat hij de kans kreeg bijna in zijn eentje een nieuwe wijk uit de grond te stampen.

Naar boven

De jaren twintig 7

Als ik niet via de Mauritsweg naar de Krispijnseweg fietste, reed ik via de Emmastraat en dan moest je op het Emmaplein even naar links om via de Anna Paulownastraat die richting uit te kunnen. Voor je linksaf sloeg zag je (en zie je nog) een rij jaren twintig huizen (Frederikstraat 39-47), die aan beide zijkanten een iets hoger pand bevat. Er zit daar een extra etage op, onder een plat dak. In het kader van het WINO spel valt je dan onmiddellijk nummer 41 op. Dit pand is een van de weinige in de wijk waarvan de gevel bijna nog geheel in originele staat is. Boven dit blog staat een zeldzame foto van dit rijtje in aanbouw, toen het in 1925 bijna klaar was.

Frederikstraat 41 in volle glorie

De originele voordeur is nog aanwezig en de roedeverdeling in de ramen is geheel compleet, Zelfs het glas-in-lood zit nog in het raam op de begane grond. Het is ook het enige pand waarvan het houtwerk van de ramen en de deur nog in een donkere kleur geschilderd is en dan gevat in lichte kozijnen, die misschien oorspronkelijk ook donker wareb. Van een bevriende restauratieschilder ben ik naderhand namelijk te weten gekomen dat dat soort houtwerk voor de oorlog zeer dikwijls donker geschilderd werd. Niet zozeer het bekende standgroen, dat zo ‘in’ is tegenwoordig, maar dikwijls ook in verschillende tinten olijfgroen. Of in donkere houtkleuren met nerf effect.

FRS 39-47 nu

Het was daarom dus al een opvallend pand. Maar toen ik me verder ging verdiepen in de bouwwerken in de wijk, zag ik ook de detaillering van de muren. Ook de hoekoplossingen zijn apart en doen een beetje denken aan die van het huis op de hoek Hendrikstraat-Mauuritsweg, maar dan eenvoudiger. In de beide hogere uiteinden zit ook een vijhoekige erker op de eerste verdieping met een klein balkon op de tweede. En tussen elk pand daartussen zitten speelse uitstulpingen tussen een iets vooruit springende borstwering die me ergens aan deed denken. Pas onlangs kwam ik erachter dat het ontwerp van deze rij van baas Hoek is en uit eind 1924 dateert. Hij moet het direct na Mauritsweg 1-23 hebben ontworpen en gebouwd. En het lijkt er inderdaad een beetje op. Van Hoek was dus ook betrokken bij de uitbreiding van de wijk naar het westen.

Detail uit de stadsplattegrond van 1939

Het is namelijk de eerste rij die de grens van de wijk aan de Frederikstraat doorbreekt. Op stadskaarten van vóór 1924 is daar nog niks anders te zien dan weiland, maar nu gaat deze rij de beide hoeken om en zitten er aan elke kant dubbelpanden met ingangen aan Anna Paulownastraat  1 en de Saksen-Weimarstraat 2. Die straten worden vervolgens pas tegen 1930 voorzichtig doorgetrokken richting Oud-Krispijn. En ook daarbij is baas Hoek betrokken, nu met enkele van zijn zonen.

FRS 49-57 nu

Uit 1930 dateren namelijk de bouwvergunningen en tekeningen van het volgende stuk Frederikstraat, de nummers 49-57, eveneens met een hoger pand  aan de Anna Paulownastraatkant, dat de voordeur in die straat heeft op nummer 2. Dat huis is trouwens het enige dat aan de Frederikstraat kant nog een paar originele houten ramen heeft. De rest is geheel gemoderniseerd.

De grens werd nog verder doorbroken doordat Van Hoek en zonen de op de hoekwoningen aansluitende rijen eensgezinswoningen in de Anna Paulownastraat 3-15 en 4-14 en Saksen-Weimarstraat 4-16 bouwden. Ze staan op één tekening met de rij aan de Frederikstraat en hebben een vergelijkbare bouwstijl. Zij vormen het aansluitpunt met de na-oorlogse witte woningen, die nu allemaal gesloopt zijn. Of ze zelf ook dat lot zullen ondergaan is me niet duidelijk. Ze zijn allemaal  wat sleets geworden en bevatten ook niet veel originele delen meer.

Blauwdrukken van de rijen in de Anna Palowna- en Saken-Weimarstraten 1930
APS 3-15 nu

Het lijkt trouwens wel of baas Hoek rond 1930 zijn fantasie en speelsheid een beetje begon kwijt te raken, want behalve wat horizontale banden in de bovenste geledingen van de muren zit er zo goed als geen relief meer in de voorgevels. Of was het de crisistijd die om een soberder bouwstijl vroeg? Het is misschien niet toevallig dat hij in 1933 stopte met bouwen en sigarenwinkelier werd in de binnenstad. Zijn wereld werd kleiner, toen na het uitvliegen van zijn zoons, in 1935 ook zijn vrouw Sofie overleed. Na wat moeilijke crisisjaren en natuurlijk de oorlog, zorgde de winkel voor een regelmatig inkomen en een rustig bestaan tot dat in 1954 niet meer lukte. Hij trok eerst bij zijn zoon Gerrit in en later bij Thijs en bij de laatste in huis is baas Gerrit van Hoek in 1958 overleden.

Naar boven

De jaren twintig 4

Op mijn blogs over wat er nog origineel is aan de ensembles uit de jaren twintig in de wijk krijg ik beduidend minder reacties dan over de huizen tussen 1895 en 1920. Dat is gek. Misschien vinden de lezers ze saaier dan die oudere rijtjes met hun wat excentrieke vormgeving. Ik vind dat onterecht. Bouwhistorisch vertegenwoordigen ze een landelijke trend gebaseerd op de stijl van de Amsterdamse School. In Amsterdam hebben ze hele toeristenroutes langs die bouwkunst in de wijken rond het centrum opgezet. En hier? Men weet niet eens dat we hier dergelijke pareltjes hebben. En men heeft dan ook niemand een haarbreed in de weg gelegd toen ze hun interessante huizen gingen ‘moderniseren’. Juist die restjes van de originele opzet van deze huizen laten zien hoe het had kunnen zijn. Als men dat maar had gezien, wie weet wat voor prachtbuurt dit was geworden, ook met de huizen uit de jaren twintig. Kijk naar de tekeningen en foto’s, lees de tekst en kijk de volgende keer dat je hier door de straten wandelt eens goed om je heen en geniet van al die leuke details in die 100 jaar oude huizen. Ze zouden, in mijn opvatting, stuk voor stuk monumenten moeten zijn.

Bouwtekening FRS 1-11 1921

Terwijl W. de Kluiver voor aannemer Hijbeek in de Mauritsstraat bezig was zijn drie dubbele woonhuizen te bouwen, was Hijbeek zelf om de hoek in de Federikstraat (1-11) ook een rijtje van drie bijna identieke dubbele panden aan het bouwen. Ze moeten wel gelijktijdig, en door dezelfde, getekend zijn. De enige verschillen zijn dat er in de Frederikstraat geen ornamentale hoek in zit. Ook zitten er daar boven zowel deuren als ramen hoge rollagen, in plaats van strekken boven de deuren en lage rollagen boven de ramen zoals om de hoek. Al zijn ze wel zo getekend. De stompe driehoeken onder de twee stellen ramen aan de zijkanten zijn bewaard, maar er zitten geen panelen onder de middelste ramen op de verdieping. De detaillering van de gevel is redelijk identiek en de afwerking van de boven de daklijst uistekende stompe einden komt ook met elkaar overeen. Het enige dat verder in dit rijtje bewaard is zijn de daklijsten (die in de Mauritsweg zijn verborgen), voor de rest zijn alle ramen en deuren door moderne exemplaren vervangen. Inmiddels zijn het ook van zes drie woonhuizen geworden.

Bouwtekening MAW 42-50 1921

Ik vind het een mooi voorbeeld van de ‘speelsheid’ van de aannemers/timmermannen dat ze die rijtjes steeds net wat anders maken en dat het geheel daardoor net wat verrassender wordt. Ik vind het ook eeuwig jammer dat die in acht ruitjes verdeelde bovenramen (en in vieren verdeelde ramen boven de deuren) allemaal verdwenen zijn. Daar had je zo mooi met kerst Anton-Pieck-ramen met spuitsneeuw in de hoeken van kunnen maken. Zonde.

FRS 1-11 nu

Recht tegenover dit rijtje is op nr 2-8 een vergelijkbaar ensemble, nu van twee dubbele woonhuizen neergezet en wel door baas Hoek. Terwijl hij al bezig was met Mauritsstraat 14-24 maakte hij in mei 1921 een bouwtekening die, net als bij Hijbeek, veel op zijn eerdere ontwerp lijkt. Aan de Mauritsstraat zit er nog een extra laag op, een tweede verdieping.

Bouwtekening FRS 2-8 1921

Verder is de roedeverdeling in ramen en bovenlichten exact hetzelfde. Hoek zou Hoek niet zijn als hij toch niet ergens wat extra versiering aanbracht. En wel als aanpassing tijdens het werk, want die staat niet op de bouwtekening. Hij heeft op de muurdammen aan de binnenzijde van de deurpartijjen pilasters op halve hoogte naar boven verlengd, boven de dakrand uit, als schoorstenen. Die kolommen heeft hij 45 graden gedraaid en met naar onderen verjongend decoratief baksteenwerk versierd. Ik vind het geweldig dat hij zo’n variatie toepaste in zo’n relatief eenvoudige gevel. Hij ligt voor mij op één lijn met de zijgevel van Mauritsweg 22-24. Eind 1922 was dit rijtje klaar en kon hij verder met een nieuw project.

Schoorsteen-pilaster door baas Hoek

Helaas zijn alle ramen vervangen door kunststof en zitten er moderne deuren in. Eeuwig zonde, maar ja, de eigenaars zullen hun reden daarvoor gehad hebben.

FRS 2-8 zoals het er nu uitziet

Er is naast Frederikstraat 1-11 nog een kort rijtje gebouwd op een aangrenzend open stuk land. Dat is nr 13-15. De vergunning voor twee ‘eensgezinswoningen’ was van juni 1925 en werd verleend aan A. Schmidt uit de Van Bleijenburgstraat. Die kon het in november van dat jaar al opleveren. Het is een zeer eenvoudig pand, maar er zitten een paar leuke details in.

Bouwtekening FRS 13-15 1925

De deuren zitten elk wat verdiept in een iets vooruitspringende muurdam, die ook nog iets boven de horizontale daklijst uitsteekt. Boven de deuren zitten stomp-driehoekige bakstenen hanenkammen, wat er net iets speels aan toevoegt. Over de muren tussen de dammen lopen zes wat uitspringende baksteenranden, vooral op het niveau van de verdieping, die net de saaiheid wat breken. De driebeukige raampartijen zijn helaas alleen bij nr 13 bewaard gebleven, maar daar is niet de roedeverdeling in aangehouden. Alleen boven de deur is nog wat glas-in-lood te zien. Op dat nummer is ook de daklijst met goot deels nog aanwezig.

FRS 13-15 nu

Wordt vervolgd

Naar boven

De jaren twintig 3

Ik ga weer verder waar ik was gebleven: in het begin van de jaren twintig. Nu aan de Mauritsweg, die toen nog Mauritsstraat heette. In eerdere blogs heb ik het al gehad over het blokje dat baas Hoek er in 1921 bouwde, de nummers 14-24, drie dubbele woningen. Het hoekhuis 22-24, op de hoek met de Sophiastraat is zelfs de aanleiding geweest voor deze hele website en zijn blogs.

MAW 14-24 1921 plus de zijgevel aan de Sophiastraat

Het rijtje is tamelijk eenvoudig van bouw, met nogal hoge, simpele rollagen boven de ramen en deuren. Alleen op de tweede verdieping zitten vijf rijen uitspringende bakstenen en onder het driehoekig naar voren springende stijltje tussen de dubbele ramen van 14 en 20 zit een klein naar onderen verkleinend bakstenen ornament. Alleen de uitspringende muurdammen boven de drie deurenparen hebben leuke decoratieve randen en een interessante onderkant die bijna golvend lijkt. Ik vraag me af of dat iemand ooit is opgevallen.

In de bovendorpel van de deuren zit nog een hoekig randje. De dammen lopen ook nog even door na de daklijst en vormen zo een mooie afwerking van het silhouet. Maar dat is nog maar het muurwerk. Behalve dat het op nrs 22-24 zwaar aangetast is door vocht, is het redelijke bewaard.

MAW 14-24 2024

De ramen en deuren zijn echter allemaal vervangen door moderne exemplaren; de raamkozijnen  zijn allemaal van kunststof. Tot 2018 zat er nog een originele roedeverdeling in de bovenramen op de verdieping van nr 20, maar die zijn inmiddels ook weg. Alleen boven de deurstellen zitten nog wat elementen uit 1921, maar het is opvallend dat die afwijken van de tekening. Die zullen dus al tijdens de bouw zijn gewijzigd.

Ik heb het hier even niet over de zijgevel aan de Sophiastraat; daar heb ik het al over gehad in Verwaarloosde hoeken 4.

MAW 26-40 1921

Het volgende rijtje, tussen de Sophiastraat en de Frederikstraat, nrs 26-40, bestaat uit vier dubbele woonhuizen. Ze zijn in opdracht van A. Boogertman en H. den Breker in 1921 gebouwd door Arie Boers van het Weeshuisplein. Het  complex heeft interessante plattegronden met ingenieuze oplossingen voor de trappenhuizen in de wat vooruitspringende ingangspartijen op de beide hoeken.  Verder is het zeer eenvoudig gebouwd met ook hier simpele rollagen boven ramen en deuren en weinig versiering. Alleen bij de driehoekige gevels van de beide buitenste ingangspartijen zit een verdikt bakstenen randje en de platte pilasters tussen de vier blokken hebben een eenvoudige horizontale decoratie. Er waren ook nog geveltuintjes voorzien, maar die zijn waarschijnlijk al heel lang geleden verdwenen.

MAW 26-40 2024

Wat hier wel bijzonder is zijn de nogal goed bewaarde roede verdelingen in de ramen en boven de deuren van 28, 34, 36, 38 en 40. In tegenstelling tot de wit geschilderde exemplaren laten die van 38-40 ook zien hoe donkergroene afwerking eruit ziet. Ik vind die wel mooi. Door die roedeverdelingen is  deze rij de best bewaarde van de drie.

MAW 42-52 1921

De nummers 42-52 vallen dan weer tegen. Ook deze rij is in 1921 gebouwd en wel door W. de Kluiver voor de heer K.H. Hijbeek van de Toulonselaan. Deze drie boven- en benedenwoningen hebben dan wel weer aardig bewaard muurwerk, waaronder driehoekige oplossingen onder de ramen op de verdieping van nr 42 en 52 en een mooie uitspringende hoek van 42 aan de Frederikstraatkant.

MAW 42-44 hoek Frederikstraat 2024

Onder drie van de vier middenramen zitten rechthoekige baksteen panelen die een rondgaande lijn laten zien. Onder het raam op de hoek zit naast de deur van 42 nog een ruitvormig paneel in de muur. Behalve vier, waarschijnlijk, originele voordeuren (46-52) is al het houtwerk vervangen. Er is geen enkele originele roedeindeling bewaard gebleven. Wat wel opvalt is dat boven de deuren een hanekam zit en boven de ramen een rollaag. Het verhoogde middendeel van de gevel bevat nog een strook verticaal gemetselde bakstenen boven de vier middelste verdiepingsvensters, maar de afwerking is op wat vooruitspringende hoekjes op de verhoogde zijkanten na, heel gewoontjes. Er zit duidelijk geen doordacht plan achter de decoratieve elementen in de rij; het is een rommeltje. De daklijsten zijn verder een late oplossing en zijn een aanfluiting; ze zijn gemaakt van plat mdf met een zinkrandje.

MAW 42-52 2024

Wordt vervolgd

Naar boven

Dubbeldamseweg; de levensader van de wijk 7

Dit wordt geen leuke afsluiting van de serie ‘het oudste rijtje’. Al die verhalen over de bewoners en de geschiedenis van de winkels erin waren een inleiding op wat hieronder komt. Ik beschrijf hoe ik denk over de toekomst ervan. Toen ik er namelijk onlangs nog eens langzaam langs liep schrok ik toch wel. Iedereen loopt, fietst en rijdt er zonder goed te kijken voorbij en realiseert zich niet in wat voor penibele staat die 16 huizen en winkels verkeren. Zeker als de bomen in blad staan en de zon schijnt heeft het ensemble een gezellige warme uitstraling en lijkt het of er niks aan de hand is. Kijk maar op Google Maps.

Verzakkingen, scheuren en afbrokkelend metselwerk in 94

Oké, 82 is duidelijk geen winkel meer, en de etalage van 88 zit dicht met een paar brede grijze banen en een witte baan, maar het cafetaria op 92, als het open is, heeft nog wel uitstraling. Dat geldt ook voor slager Luca. Maar als bij beide laatsten de rolluiken dichtgaan ziet het er beduidend ongezelliger uit. Bij nr 84, waar kamers aan gastarbeiders worden verhuurd, zitten de ramen eveneens dicht met donkerblauwe zonweringen.

De wit uitgeslagen gevel van 82

Ik heb in het voorgaande niet veel aandacht besteed aan de drie laatste dubbele huizen in de rij, maar ik krijg de indruk dat panden deels (?) leeg staan. De ramen laten oude vitrage zien en het ziet er stoffig uit. Boven 68 (het restaurant), 88 en 92 worden net als in 80-82 en 84 kamers verhuurd. Niet iedereen weet dat sinds 2010 binnen de gemeente geldt dat per straat in maximaal 2 % van de huizen kamers verhuurd mogen worden. Tussen de beide overwegen staan aan de weg ca 150 huizen. Twee procent van 150 is drie! Conclusie: er worden aan dit deel van de Dubbeldamseweg in veel te veel huizen kamers verhuurd. En dan heb ik die aan de oneven kant en de rest van de even kant nog niet eens meegerekend. Het is trouwens dikwijls onduidelijk of er in de genoemde panden etages verhuurd worden als woningen of dat het echte kamerverhuur is.

Scheuren, waterschade en bladderende verf op 102

Daar komt nog bij dat er veel aan het uiterlijk van de huizen in de rij mankeert. De nieuwe gevel van het pand 76-78 is uiteraard niet bepaald een schoolvoorbeeld van hoe je een huis uit 1897 restaureert. Het verbaast mij nog steeds dat de aannemer toestemming kreeg om zo’n afwijking van de rest van de rij te bouwen. Het toont des te meer dat de hiervoor verantwoordelijke dienst van de gemeente Dordrecht geen oog heeft voor de waarde van zo’n in het oog springende rij dubbele woningen. Maar ook de ruim aanwezige kunststof kozijnen, ook in de etalages, en de vreemde kleurenkeuzes in het schilderwerk doen afbreuk aan het beeld van de rij.

Scheuren en witte aanslag op nr 84

De hele rij, inclusief de panden 106-116 tot aan de Bloemstraat, ziet er op het eerste gezicht uit als een harmonisch geheel. Als je de duidelijke afwijking van het stramien bij nr. 76-78 niet meetelt, tenminste. Dat was natuurlijk vanaf de bouw ook de bedoeling. Zie de foto uit 1917 bovenaan het blog. Het is een idyllisch ogend ensemble.

Verzakkingen en waterschade in 98-100

Als je hedentendage beter naar die huizen kijkt, dichterbij komt als het ware, dan zie je dat er wel meer veranderd is dan het toevoegen van etalages of het ophangen van rolluiken. Deels is dat het gevolg geweest van handelen waar de eigenaars en bewoners niks aan kunnen of konden doen. Het lokale waterschap heeft lange tijd, op verzoek van de boeren in de omgeving, het grondwater op een te laag peil gehouden. Gevolg: de koppen van de heipalen onder huizen gingen rotten. Dat gebeurde overal in de wijk, maar niet overal werd er wat aan gedaan. Aan de oneven kant van de weg hoorden rond het jaar 2000 de huizen tot de eerste rijen die daar, aanvankelijk met subsidie van de gemeente, wat aan gingen doen. Maar in het ‘oudste rijtje’ wreekte zich dat eigenaars van kamerverhuurbedrijven niet bereid waren samen met gewone eigenaars mee te betalen aan die verbetering. Men werd het dan ook niet eens en er gebeurde niks. Gevolg: scheuren, scheefzakken, schade aan muren en houtwerk. Samen met de toch al optredende verwaarlozing door de huisjesmelkers ontstond een ernstige situatie. Overal in de gevels zijn de effecten met het blote oog te zien: zie de hierbij gaande foto’s die in het hele blog worden getoond. Individueel werd er wel ingegrepen, soms gerepareerd en er zijn zelfs wel daken vernieuwd. Maar die ingrepen zijn toch meestal cosmetisch.

Slecht metsel- en voegwerk met uitslag in 88

De waterstand is inmiddels weer op peil, maar wat is het gevolg op de lange termijn geweest voor de al rottende paalkoppen die nog steeds onder de huizen in de grond zitten?

Toen de Aldi achter deze rij ging uitbreiden en de nieuwbouw van de bijna twee keer zo grote winkel tegen de achterkant van de erven aan kwam te staan, werd het toch al niet riante uitzicht wel erg gehinderd. De nieuwe super was ook een stuk hoger dan de oude. Het woonplezier nam af. Voor kamerbewoners die er toch maar tijdelijk verbleven was dat niet zo’n bezwaar, maar zou een jong gezin hier graag intrekken en er de kinderen opvoeden: ik denk het niet.

Ons voorland? Ruime, maar stijlarme huizen op de hoek Frederikstraat-Mariastraat

Verder zijn op het metselwerk de nodige sporen van vocht via lekkages of inwateren te zien. Zie de stukken gevel die wit zijn uitgeslagen. En is er veel achterstallig onderhoud aan het verfwerk. Er zijn dus nogal wat eigenaren die te lang hebben gewacht om hun bezit in goede staat te houden. Dat zorgt ervoor dat dit bouwkundig en esthetisch waardevolle rijtje zichtbaar achteruit gaat en dreigt te verkrotten. Gevolg: op een bepaald moment wordt wonen in die huizen te gevaarlijk en dreigt afbraak en eventueel nieuwbouw. Voor de buurtbewoner: zie wat er aan de Maria- en de Frederikstraat al gebeurt. Ik denk dat je dan de Dubbeldamseweg als levensader wel kunt vergeten en dat deze belangrijke weg zienderogen nog meer achteruit gaat. Er zijn hier en in andere steden voorbeelden te over van zo’n scenario. Willen we dat laten gebeuren?

Naar boven

Fabriekspoort verdwenen

Als je dan een paar maanden niet op het tweede stuk van de Frederikstraat, na het Emmaplein dus, bent geweest, kom je plotseling voor een verrassing te staan. Het pand nr 48 blijkt ineens verbouwd. De gevel is wit gesausd, er zijn nieuwe ramen in gezet, de hijsdeur heeft een balkonhekje ervoor gekregen en de grote dubbele deur op de begane grond is een huisdeur met een dicht paneel ernaast geworden. Met die laatste verandering is de enig overgebleven ingang naar de voormalige Electrische Timmerfabriek De Industrie verdwenen. Dat was de fabriek die baas Hoek in 1910 oprichtte en die heeft bestaan tot hij hem in 1917 vanwege de oorlogsmalaise moest verkopen. Hij lag in de driehoek tussen de Willemstraat, Alexanderstraat en de Frederikstraat, waar de ingangen waren.

Wat van de fabriek overbleef en de laatst verdwenen poort

De bedrijfsgebouwen zijn nog jaren door diverse andere fabriekjes gebruikt, o.a. een koekfabriek  en een zuurwarenfabriek. Maar op den duur verdwenen die naar elders en stonden de gebouwen te verpieteren. Stuk voor stuk werden loodsen en werkplaatsen afgebroken en in 1985 ging de schoorsteen van de machines (eerst op stoom, later op elektriciteit) tegen de vlakte: netjes laag voor laag afgebroken, want opblazen in een woonwijk was niet verstandig. Alleen een rijtje langs de Frederikstraat bleef staan. Daarbij waren twee woonhuizen (50-52) die door Gerrit van Hoek werden bewoond (eerst 50, later 52) en ook als kantoor werd gebruikt (50). Die staan er allebei nog, al is het rechterpand erg verwaarloosd. De panden 46-48 bevatten de brede doorgangen naar eerst een houtbergplaats, die later elders werd gebouwd, en de magazijnen. Op hun beurt werden die in 1916 opgevolgd door de ‘garage’ van de bedrijfsbrandspuit, met twee dubbeldeurse ingangen. De linkerdeuren zijn al lang geleden verdwenen, maar de rechterdeuren hebben het dus tot een paar maanden geleden uitgehouden. Evenals de hijsdeur (een verticaal verlengd hijsluik) met hijsbalk erboven. Die zit er nog wel.

Zo stond het rijtje er afgelopen zomer bij

Deze dubbele deur was de enige door baas Hoek gemaakte deur van zijn soort die nog bestond; er zijn er meer geweest. Die zijn echter al lang geleden verdwenen. Ik gun de bewoners van nr 48 uiteraard een comfortabele, aan de tijd aangepaste woning, maar het stemt me melancholiek dat dat unieke stukje timmermansambacht ineens weg is. De twee woonhuizen en het rigoureus gewijzigde nr 46 zijn nu nog de enige resten van de geheel door Gerrit van Hoek en zijn mannen gebouwde en sociaal geleide fabriek.

De verdwenen poort en de hijsdeur
De verdwenen poort

De vragen zijn: kan dat zomaar? Is er toestemming voor gevraagd? Was er een vergunning? Zou zoiets kunnen gebeuren als Nieuw-Krispijn-Oost een beschermd stadsgezicht zou zijn? Ik denk dat we daar echt naartoe moeten. Want anders kunnen achter je rug om zomaar stukken vakkundig timmerwerk verdwijnen. Ik hoop dat die deuren nog ergens worden bewaard. Misschien kunnen we in de toekomst dan nog eens bekijken hoe onze voorouders een hele wijk vakkundig in elkaar metselden en timmerden.

Naar boven