De Leliestraat 2

De even kant van de straat is, net zoals de Bloemstraat, in kleine stukjes bebouwd. Ik denk dat, gezien de geprofileerde sluit- en aanzetstenen, die erg lijken op die aan sommige panden aan de Dubbeldamseweg, van tussen 1893 en 1897-98 dateren. Met name de beide panden met de trapgevels (18-20) en de beide huisjes ernaast op 22 en 24 zijn in een keer gebouwd (of vlak na elkaar) in een afwijkend baksteenverband: staand verband. De rest van de straat is in kruisverband gemetseld, net als het overgrote deel van de wijk.

LES 18-24 die waarschijnlijk tegelijk of vlak na elkaar gebouwd zijn

Het rijtje met de eenvoudige, getoogde strekken (2-4) lijkt op die in de Bloemstraat (1-9) en de hoek Rozenstraat-Dubbeldamseweg uit 1895. De deuren hebben hier echter geen gemetselde muurdam ertussen, maar een houten stijl, zodat ze vlak naast elkaar zitten. De brede ramen – een slagje breder dan die in de Bloemstraat – in deze panden zullen er vanaf het begin in hebben gezeten, want de strekken lijken niet opnieuw gemetseld. De roedeverdeling in de ramen is wel gemoderniseerd.

LES 2-4 met huizen die op die in de Bloemstraat lijken

De nummers 14 en 16 doen denken aan de huizen aan de oneven kant en lijken me er iets later tussengezet, dus ca 1900-1901. De huizen met de nummers 6-12 met hun platte, betonnen sluit- en aanzetstenen hebben wat weg van de overkant, maar zijn eenvoudiger, zonder speklagen. Ik zou ze op nog iets vroeger dateren: 1894-1896 bijvoorbeeld.

LES 14-16 die erg lijken op de huizen er tegenover

Bij 10 en 24 zijn de brede ramen nieuw en is er nogal ingrijpend omgesprongen met het metselwerk eromheen, in 24 lijkt de hele gevel te zijn vervangen en valt daardoor behoorlijk uit de toon. Er zitten ook hier nergens meer originele deuren in en alle glas-in-lood is verdwenen. Hier zijn ook overal brede dakkapellen gemaakt, waarvan er niet een hetzelfde is. De roedeverdeling in de gewone ramen lijkt nog een beetje op de oude, maar is dikwijls wel gemoderniseerd, en soms is het hout in het hele raam door kunststof vervangen. Kortom: een  flink aangetaste rij.

LES 6-12, met een flink detonerend raam

Dit is een in hoofdzaak technisch verhaal geworden, want er is verder niet veel bijzonders over de Leliestraat te vertellen. Ik weet niet wie er gebouwd hebben, er zijn geen bijzondere bewoners bekend en er zijn geen afwijkende panden, behalve het hoekpand 26-28, maar daar kom ik later op terug. Er hebben in het begin van de eeuw, net zoals elders in de Bloemenbuurt, wat politieagenten maar voornamelijk arbeiders gewoond. Onder hen waren smeden, blikslagers, wat spoorpersoneel, kantoorbedienden, bakkersknechts, etc. Kleine luiden dus.

De Leliestraatbewoners in het adresboek van 1906

Boven het blog ziet u een gezicht in de Leliestraat vanaf de Dubbeldamseweg met nog twee van zijn bewaarde winkels. De foto is uit de herfst van 2021 en de winkel rechts is inmiddels een verloskundigenpraktijk geworden.

Naar boven

De Leliestraat 1

De straat kreeg zijn naam dus begin 1905, maar toen woonden er al mensen. In 1901 was de hele straat al bewoond; er waren maar een paar huizen die leeg stonden. In 1903 staat hij, samen met de Bloemstraat op, de stadsplattegrond. De Rozen- en de Madeliefstraat zijn volgens die kaart dan nog niet bebouwd, maar dat is misschien niet helemaal waar. Ik kom daar in een paar andere blogs op terug.

De Bloemenbuurt zoals hij in 1902-03 op de nieuwe stadskaart kwam

Het is tegelijk wel een teken dat die hele rij aan de oneven kant vanaf de bakker op de hoek met de Dubbeldamseweg tot aan die met de Tulpstraat in dat jaar al klaar was. Sterker nog: om de hoek in de Tulpstraat werden nog vier huizen in dezelfde stijl gebouwd, zodat er aan die kant eigenlijk veertien plus vier huizen stonden. Wat overeenkomt met het aantal huizen dat vanaf de weg doorgenummerd werd. Zie boven dit blog de onneven kant van de straat in 1973.

Het even gedeelte bevat tot de hoek met de weg vijftien nummers die allemaal iets ouder lijken dan de overkant, behalve de nummers 14-16, maar daar kom ik later op terug. De geprofileerde sluit- en aanzetstenen verraden hun ouderdom. Het hoge pand op de hoek met de Dubbeldamseweg verdient hierbij een aparte behandeling. Die stel ik nog even uit.

Schema van een gemiddelde tuitgevel

De Leliestraat bestaat aan de oneven kant (1-27) sinds 1901 uit een rij van veertien identieke eensgezinshuizen met wat variatie in de gevels. Tussen elk van de twee huizen met een goot waaruit een dakkapel oprijst, staat er één met een tuitgevel met een geprofileerde rand of rollaag. Een tuitgevel is een puntgevel met onderaan zogenaamde ‘schouders’ of horizontale stukjes, en bovenaan een hals of tuitstuk. Het verschil met echte tuitgevels is dat hier de tuit een uitgeholde cirkel is. In elk van die cirkels staat een cijfer: 1 – 9 – 0 – 1.

De gevel met de ronde ’tuit’ met een cijfer erin

De ramen en deuren hebben nogal aparte strekken erboven die elk een extra lange sluitsteen hebben en waarbij de aanzetstenen even langs de venster- of deuropening naar beneden ‘zakken’. De strek zelf is niet mooi gebogen maar strak schuin omhoog lopend naar de sluitsteen. Dat is uniek in de hele wijk. In de tuitgevels zit naast de onderkant van het bovenraam aan weerszijden nog een ‘neutje’ maar in de rest van de gevels lopen door de hele rij daar speklagen van beton, ook aan de boven- en onderkant van de ramen. Ook de strekstenen zijn van beton, vlak en niet meer geprofileerd zoals in de late 19e eeuw.

De strek in driehoekvorm, links en rechts de aanzetten van een speklaag

Oorspronkelijk hadden de gewone huizen een smalle dakkapel (zie de foto bovenaan dit blog), maar die zijn inmiddels vervangen door moderne, veel bredere exemplaren die de straat een heel ander, en rommeliger aanzicht geven. Alleen in één van de vergelijkbare huizen in de Tulpstraat, op nummer 13, staat er nog één. Er zitten verder geen originele deuren of glasdecoratie meer in de huizen, zoals die op een fotootje van vóór 1935 hieronder nog zijn te zien.

ROS 5 in de jaren dertig met de raamdecoratie

Natuurlijk is de rij in een keer bebouwd, maar niet bekend is door wie, want de vergunning en plannen ervoor zijn niet bewaard gebleven. Ik houd me aanbevolen voor informatie hierover.

Wordt vervolgd

Naar boven

De Bloemstraat 2

Die rij van zes huizen aan elkaar in de Bloemstraat (11-21) met een vrolijke geel-blauw ‘kastrandje’ onder de doorlopende goot en de rood-gele strekken boven de ramen en deuren zouden zo huizen van Baas Hoek kunnen zijn. Maar dat kan niet als ze er in 1897 al stonden. In het boekje Baas Hoek. De geschiedenis van een Dordtse pionier op sociaal gebied (1988) door zijn zoon Leo van Hoek, beschrijft hij de carrière van zijn vader. Gerrit was weliswaar op zijn elfde – hij was van 1880 dus in 1891 – gaan werken in een meubelmakerij en wat later een paar jaar als schoenmaker. Zo rond zijn zestiende – dus toen dat rijtje van zes in de Bloemstraat werd gebouwd – maakte hij pas een eerste werkstuk bij een timmerman, dat als zijn meesterproef beschouwd kon worden. Hij kon daardoor wel het timmerwerk aan nieuwbouw huizen aanpakken in dienst van een aannemer, maar zelf huizen bouwen was nog niet aan de orde.

‘Kastrandje’ en de geel-rode strekken boven deur en raam, BLS 15

Hij was sinds zijn zestiende in dienst bij de timmerman J. Schouten en, na diens dood in 1897, bij de aannemers Van Dongen en Van Hoven. Precies op zijn achttiende verjaardag, op 13 september 1898 dus, begon hij bij die firma en werkte mee aan de bouw van een steenzagerij bij de spoorbrug. Dat verliep goed. Hij deed ook veel technische kennis op bij het installeren van de zaagmachines. Hij was daar zo bedreven in dat hij door de steenzager in dienst werd genomen als baas over de ploeg die de machines bediende. Hij verdiende er goed genoeg om met zijn verloofde Sofie de Man te kunnen trouwen. Dat was in oktober 1901. Daarna is Leo van Hoek niet scheutig meer met jaartallen en moet je wat moeizaam gaan reconstreren wat wanneer gebeurde.

Sofie en Gerrit in 1901 uit het familiealbum (met dank aan Els van Hoek, hun kleindochter). Was dit hun trouwportret?

De steenzagerij liep niet goed en de baas was een potentaat die steeds gekker werd. Zo erg dat Gerrit van Hoek op staande voet ontslag nam. Het bedrijf ging failliet. Gerrit ging weer timmeren. In 1897 staat in het adresboek van dat jaar dat hij aan de Dubbeldamseweg 102 woonde. In 1899 en 1901 woonde hij daar nog. Waarschijnlijk was dat in huis bij zijn ouders, die in 1901 op datzelfde adres genoemd worden. Dat is een stukje verderop tussen de Rozenstraat en de Leliestraat. Intussen verhuisden hij en Sofie naar de Bloemstraat. Daar had hij “een geschikt huis met een tuintje” gevonden dat door hemzelf werd overkapt en zo zijn werkplaats werd. Het was een beetje behelpen, want al het hout moest door het huis naar binnen en in elkaar gezette kozijnen, deuren en wat nog meer afzonderlijk kon worden klaargemaakt, moest door het huis weer terug. Hun dochter, Adriana, werd daar in 1902 geboren. De hele wijk zou nog tot 1903 bij Dubbeldam horen en dus werd ze in dat dorp aangegeven. Waar hij precies woonde is niet meer te reconstrueren, want in het adresboek van 1901 wordt hij niet in die straat genoemd en er is geen adresboek voor 1902-03 en in 1904 was hij er al weer weg.

Gerrit was ambitieus genoeg om meer te willen dan wachten op opdrachten in een stille timmerwinkel, dus hij zocht naar iets om zijn tanden in te zetten. Met hulp van een ambtenaar, een notaris en een bevriende metselaar plus een houthandelaar diende hij een zelfgemaakt plan in om aan de Zuidendijk drie huisjes te bouwen in een nog traditionele stijl. Met geprofileerde aanzet- en sluitstenen dus. Dat gebeurde allemaal vanuit de Bloemstraat, maar het werd daar wel krap. Hij wist een verwaarloosd pand aan de Boogjes te kopen, sloopte en herbouwde het als een werkplaats waar ze boven gingen wonen. De gevel werkte hij nu af in een stijl die wel erg leek op het rijtje van zes in de Bloemstraat met de kastrand en de rood-gele strekken. Had hij zich daardoor laten inspireren? Kende hij de metselaar en werkte die aan die gevel mee? Hij nam nu ook twee timmermannen in dienst en was nu echt een baasje.

Het inmiddels flink verbouwde pand aan de Boogjes 179

Het project aan de Zuidendijk lukte, maar omdat maar twee van die huizen werden verkocht, verliet het jonge gezin de Boogjes weer en ging in het derde van de drie wonen. Het was geen gunstige tijd voor bouwen, huizen verkopen en verhuren en Gerrit werd gedwongen weer een baas te zoeken. Dat werd de aannemer Bozuwa, de man die in 1897 de dubbele woonhuizen op Dubbeldamseweg 56-70 had gebouwd. Als voorman van de timmerploeg werkte hij aan verschillende projecten van Bozuwa mee; helaas is mij niet bekend aan welke. Het was in deze periode dat Gerrit van Hoek het idee kreeg om te beginnen met het bouwen van huizen aan de in 1905 aangelegde straten die in 1906 de namen van leden van het koninklijk huis kregen. De rest is historie…

De door baas Hoek gebouwde huizen aan Zuidendijk 9-13

De zes huizen in de Bloemstraat moeten rond 1895-96 zijn gebouwd, maar Gerrit van Hoek kan dus niet de bouwmeester geweest zijn. Met andere woorden: baas Hoek moet zijn inspiratie voor de kleurige kastranden en strekken in de rijen huizen die hij na 1905 ging neerzetten hebben opgedaan bij een andere vakman. Die huizen heeft hij uiteraard gezien toen hijzelf in 1901-02 in de Bloemstraat woonde en vóór hij in 1902 een dergelijke gevel in het pand aan de Boogjes bouwde.

De foto boven het blog is genomen in ca 1925 en toont twee dochters van melkboer Van Nes op de melkkar ter hoogte van Bloemstraat 19-23.

Naar boven

De Bloemstraat 1

De meeste mensen die ik ken en hem weten te vinden karakteriseren de Bloemstraat als een onooglijk straatje. In het verleden had hij geen beste naam. Niet omdat het hier een ongure buurt was, maar omdat het er zo rommelig uitzag. Het is in de meer dan 125 jaar dat het bestaat alleen nog maar een groter allegaartje geworden. Zo als overal in de Bloemenbuurt zijn op bijna elk huis een nieuwe dakkapel en in veel gevels bredere ramen gezet zonder respect voor het originele metselwerk Er is geen enkele deur uit de bouwperiode meer te zien en al het eventueel aanwezige glas-in-lood is verdwenen.

Kees Buddingh’ had het in zijn boekje Dordtse Snippers (1960) over de “ Danteske droefgeestigheid”  van de Bloemstraat. Maar zo erg als Dante in 1315 de cirkels van de hel beschreef, is het nou ook weer niet. Vooral bij bewolkt en regenachtig weer vormt het vanaf de Dubbeldamseweg gezien echter geen uitnodigende wandelroute. Zie ook de foto bovenaan dit blog die ik op zo’n dag heb genomen.

Toch is de Bloemstraat de vroegst bebouwde zijstraat van de Bloemenbuurt en niet alleen daarom is hij uniek. Hij verschilt namelijk ook van de andere straten in de buurt doordat hij is opgebouwd uit kleine groepjes huizen. De meeste zijn in stelletjes van twee, drie, of vier naast elkaar opgetrokken. Er staat maar één rij van zes huizen in. Bij elkaar telt de straat 28 huizen van een bescheiden formaat met tamelijk kleine plaatsjes erachter. Ze bestonden uit een voor- en achterkamer met ertussen een bedstee en een trap naar de zolder. Daarop was dan misschien één slaapkamer afgetimmerd. De voorkamer was dikwijls oorspronkelijk niet eens verwarmd. Er zat een smalle uitgebouwde keuken achter, waar in de jaren twintig een echt toilet werd aangebouwd. Daarvoor bevond de plee zich in een hokje van 95 x 95 cm in diezelfde keuken. Kortom: de woningen hadden een standaard plattegrond van ca 4,5 x 8,5 m, plus de keuken van ca 2,25 x 3,25 m, zoals die voor arbeiders overal in de nieuwe wijken over de spoorlijn werden gebouwd. Alleen was de Bloemstraat al klaar voor de Woningwet van 1901 was ingevoerd.

Ik heb het al eerder gehad over de straatnaamgeving van de Bloemenbuurt die uit februari 1905 dateert. De Bloemstraat komt daarom pas voor in het adresboek van 1906. Hij bevat dan, net als nu, 28 huizen. Aan de even kant zijn er nu (2024) echter twee huizen (2-4) samengetrokken en dat pand heeft nu de ingang in de Rozendwarsstraat. Vandaar dat het laatste huis in die rij nummer nu 24 heeft en niet 28. Als je de bewoners uit 1906 gaat vergelijken met die in eerdere adresboeken kom je er achter dat een deel van hen er vóór 1906 al woonde. Dan merk je ook dat vóór het jaar van de naamgeving de huizen in die straat de nummering van de Dubbeldamseweg volgen.

BLS 25-27 voor de gevels grijs en wit geschilderd werden, foto 2016. De huizen zijn waarschijnlijk van tussen 1895 en 1897

Voordat de oudste rij van acht dubbele woonhuizen (toen 56-70, nu 76-102) aan de Dubbeldamseweg in 1897 gereed was, en de vier huizen (toen 72-78, nu 104-116) daarnaast tot aan de hoek van de Bloemstraat iets later klaar waren, nummerde men om de hoek door. Dat wil zeggen: in 1893 stonden aan de weg alleen de uitspanning, nr. 48, en de twee huizen 50-52, en begon die doornummering om de hoek met 54. De huizen die daar stonden kregen een letter achter die 54 en er bleken er in dat jaar twaalf te staan. Nog vier stonden weer aan de Dubbeldamseweg.

BLS 6-8 met de geprofileerde sluit- en aanzetstenen uit de periode net voor 1900

Aan de even kant stonden 2-4 (nu Rozendwarsstraat 4), een open stuk (nu 2-4), 6-8 en 22-24. Aan de oneven kant waren 1-3, 5-7-9 en 25-27 al aanwezig. De nummers 1-3, 5-9 en 22-24 zijn bijna identiek en waarschijnlijk tegelijk gebouwd. Nr 5 heeft zelfs nog een origineel dakkapelletje. Ik plaats ze in het jaar 1893; dit zijn dus de oudste huizen van de Bloemenbuurt!  Samen met de huizen op de hoek van de Dubbeldamseweg-Rozenstraat die uit 1895 dateren.

BLS 1-9 (van rechts naar links) die in dezelfde stijl zijn gebouwd, waarschijnlijk c 1893

In het volgende adresboek, dat uit 1897, is de rij dubbele woningen aan de Dubbeldamseweg al verrezen en de nummers die de hoek omgaan, die later de Bloemstraat zal heten, hebben alle nummer 80 en een letter erachter. De even kant telt nu 12 huizen, waarbij het kavel waar nu nrs 2-4 op staan nog onbebouwd is. De oneven kant telt er, net als nu, 14. Dat betekent dat de nummers 11-21 tussen 1893 en 1896 moeten zijn gebouwd en dat niet lang daarna nr 23 er nog is tussengevoegd.

BLS 22-24 hebben dezelfde stijl als de andere vroege woningen in de straat, ook voor 1895

Trouwens, als je met zonnig weer de Bloemstraat inkijkt valt het met die droefgeestigheid best mee; kijk maar.

Wordt vervolgd

Naar boven

De Bloemenbuurt

Ik vond het tijd worden dat de Bloemenbuurt eens goed uitgelegd werd. Diverse straatnamen binnen de bocht van de spoorlijn zijn inmiddels al in de blogs voorbij gekomen, vooral in combinatie met de Dubbeldamseweg. Daar zijn de straten in die buurt immers zijstraten van? Maar ik wil nu eens een beetje de diepte in.

Behalve bij de (ex)bewoners en bij een deel van de buren in de wijk, zijn die straten tamelijk onbekend. Als je er niet woont heb je er weinig te zoeken. Het zijn ook niet echt aantrekkelijke straten om een wandelingetje doorheen te maken. Er zijn geen winkels en er is zelden iets te doen. Omdat er altijd wel rijen auto’s in de smalle straten staan, met ook nog smalle trottoirs ernaast, loop je er ook niet bepaald lekker.

Groen in de Bloemstraat

Er is ook zo goed als geen groen: er staat geen enkele boom, behalve in wat tuinen van hoekhuizen en tussen de heg aan de Tulpstraat en het geluidsscherm naast het spoor. Ook staan er wat struiken en gevelklimmers, maar niet veel. Er zit wel veel mos op de trottoirtegels. Wat het meest opvalt is de afwezigheid van bloemen in die straten. Er zijn wat gevelperkjes waarin wat bloeiende planten staan en er hangen een paar bloemige hangplanten naast een paar voordeuren. Tulpen, rozen en lelies kom je er niet tegen. Er groeien in het seizoen wat madeliefjes in het gras naast de Tulpstraat, maar meer is het niet.

Groen in de Rozenstraat

Als je er toch gaat rondlopen is het nogal opvallend wat mensen met de gevels van hun kleine huizen hebben gedaan. En dan zie je nog niet eens wat er aan de achterkanten is gebeurd. Daar begonnen ze in de jaren twintig al echte wc’s tegen de keukens aan te bouwen in plaats van de pleeën – een plank met een gat – in hokjes IN die keukens. Op zolders bouwden ze eerst aan de achterkant slaapkamers met een brede dakkapel. En dat gebeurde op den duur ook boven de voorgevels; als daar een goot liep tenminste. Er zijn nog maar een paar smalle dakkapellen, de rest is allemaal kamerbreed. Kortom: er is niet veel origineels meer te zien in de Bloemenbuurt. Dat is niet leuk, want het is wel de vroegst bebouwde buurt van de uitbreiding van Dordrecht over de spoorlijn heen. De oudste rijtjes dateren al van 1893, ver voor de Woningwet van 1901 vanaf 1902 werd uitgevoerd.

De originele plattegrond van Bloemstraat 8 voor de moderniseringen

Men dacht vóór 1900 nog niet zo aan ruime woningen voor arbeiders. Het is dus geen wonder dat de bewoners, dikwijls ook gesteund door de verhuurders, op den duur meer comfort, licht en ruimte wilden. Ik heb niet de indruk dat de gemeente toen, dus tussen de jaren twintig en de jaren zeventig, erg bezig was met de eisen van welstand voor de buurt. Wat de bevolking van deze buurt en de andere straten in de wijk, de mogelijkheid gaf op eigen houtje, eventueel met hulp van de huisbaas, ‘al die ouwe troep’ te moderniseren.

Drie veschillende breedtes dakkapellen in de Rozendwarsstraat

Er werd verder ook nog het nodige tussen- en aangebouwd. Aan het begin van de Bloemstraat zijn nrs 2-4 verbouwd tot een nieuw pand met allerlei toevoegingen en een nieuwe ingang aan de Rozendwarsstraat. Elders zijn, in combinatie met de achtererven van de Dubbeldamseweg, tussenvoegsels en aanbouwen gerealiseerd of brandgangen overbouwd.

Hierna schrijf ik dus een paar blogs over de bouwgeschiedenis van de Bloemenbuurt. Voor zover daar achter was te komen, teminste, want behalve van wat verbouwingen uit de jaren twintig en dertig, bestaat er op één na geen enkele bouwtekening of –vergunning van de eerste huizen in die straten.

Wordt vervolgd

Naar boven

De naam Krispijn 5

De weg en de wijk

De Spuiweg was altijd het verlengde van de Spuistraat binnen de stadsvesten nadat die bij de Spuipoort eindigde. Sinds het verwijderen van die poort loopt hij nu van de Spuibrug, via de Krispijntunnel, tot de Hugo de Grootlaan. Vanaf de bocht daar wordt hij Krispijnseweg genoemd. Voor de spoorlijn er lag liep ze nog veel verder zuidwaarts. Al op kaarten uit de 17e eeuw komt, zoals u zag, de naam voor als Speuyweg.[1] Zelfs de bocht naar het zuid-oosten zat er al in; die begon na het kruisen van de zogenaamde Boerenkil, een rest van de in de 16e eeuw geplande maar nooit afgemaakte vestingwerken. Hij liep toen door onbebouwd landbouw- en weidegebied.

Bewerking van de kaart uit 1673 met de originele tekst. De donkergroene lijnen zijn bomenrijen zoals ze op de originele kaart zijn aangegeven.

Daar waar hij op de zuidelijke dijk van de polder Oud-Dubbeldam,[2] de Oudendijk, stuitte stonden dus ‘Krispijn’ (het pand dat die naam kreeg was aanwezig in 1673) en Stadvliet (gebouwd 1663). Het stuk dijk dat hier verder naar de stad en de Weeskinderendijk loopt heette sinds de ontginningen van de Oud Dubbeldamsche Polder rond 1600 de Brouwersdijk. Een glimp van het begin van die weg in de 18e eeuw krijgt u uit de aquarel van Wouter Dam uit 1786 bovenaan dit blog. Links ziet u de Dubbeldamse watemolen in de Watermolenweide en rechts de heg en wat bijgebouwen van de buitenplaats Weizigt, met daarachter te korenmolen de Oranjeboom. De Grote Kerk staat in het midden, natuurlijk. De rest van de weg was geheel onbebouwd; er stonden alleen twee rijen bomen naast.

De Krispijnseweg vóór 1930, die een indruk van de bomenrijen geeft

Dit stuk land werd pas in 1904 door de gemeente van enkele particuliere eigenaren aangekocht, met de bedoeling er een nieuwbouwwijk aan te leggen.[3] Het verschil met Nieuw-Krispijn-Oost – waar men al sinds 1893 bouwde – was dus dat daar de particuliere grondeigenaren de Bloemenbuurt en de Oranjebuurt zelf uit de grond stampten. Zoals de heer Blok uit ’s-Gravendeel die het landgoed van erfgenamen van de heer van Dubbeldam had gekocht en die door baas Hoek werd overgehaald om het vanaf 1906 door hem te laten bebouwen.

Omdat de gemeente het land tussen de Spuiweg en de Brouwersdijk in bezit had ging het daar anders. De nieuwbouw van de wijk vond dus plaats onder toezicht en met vergunningen van de dienst Bouw- en Woningtoezicht (sinds 1910) die de opdrachten gaf aan de ontwerpers-architecten en de aannemers/bouwbedrijven. Er werden plannen gemaakt door architectenbureaus die vervolgens hele buurten ontwierpen. Een uitzondering zijn de Hooft-, Vondel-, Cats-  en Huygensstraten en hun zijstraten die in tamelijk korte rijtjes door timmerlui-aannemers volgens eigen ontwerp werden gebouwd. Dat gebeurde al snel na de aankoop van het gebied. De oudste bouwvergunningen dateren al van 1903 en de laatste zijn van 1913. Aan wat toen nog de Spuiweg heette werden ook al rond 1905-10 tussen de Hooft- en de Catsstraat een rij dubbele woonhuizen ontworpen, waarvan al snel de begane grond werd verbouwd tot winkels met bovenhuizen. Zo konden de buren in die straten erachter daar hun boodschappen doen.

Het oudste stukje Oud-Krispijn op de kaart van 1912

Door een bouwcrisis veroorzaakt door de politieke toestand tijdens de Grote Oorlog (1914-1918), zat er echter een kleine tien jaar tussen dat gedeelte van die buurt en de rest van die wijk. Daar kwam de bouw pas na 1918 op gang. Pas in 1921 kreeg de wijk zijn straatnamen. En over de Brouwersdijk heen was het nog later voor de buurten daar verrezen.

De bijna voltooide rij huizen tussen de Nicolaas Beetsstraat en het J.P. Heyeplein in 1918-19

De vraag is nu: wat was er eerder de weg- of de wijknaam? En wanneer werd de wijk gesplitst in Oud en Nieuw?

Uit de verleende bouwvergunningen blijkt duidelijk dat in 1917 de weg nog steeds Spuiweg heet, maar dat al gesproken wordt over een nieuwe naam. In 1919 wordt op bouwaanvragen de naam Spuiweg doorgestreept en vervangen door Krispijnsche Weg. In 1918 werd de naam dus officieel veranderd. Vanaf 1920 komt de nieuwe naam voortaan alleen voor. Dan worden tot 1922 in de sloten langs de weg rioolbuizen gelegd en trottoirs aangelegd, terwijl de bouw van huizen en winkels naar het westen toe gestaag doorging tot ongeveer 1930.

Gezicht op de winkels langs de Krispijnseweg, 1940

In geen van de bronnen tussen 1890 en 1930 die ik geraadpleegd heb wordt er van een wijk Krispijn gesproken of van Oud- en Nieuw-Krispijn. Archivaris Jan van Dalen was, naar mijn beste weten, de eerste die in 1931 de bebouwing tussen Brouwersdijk en Krispijnseweg Krispijn noemde.[4] De Heus noemt in een artikel in Oud-Dordrecht uit 2015 dat “in de marge van het algemeen plan van uitbreiding van de gemeente Dordrecht uit 1932 [Krispijn] officieel als wijknaam [werd] vastgesteld.[5] Hij gaf helaas geen bron voor deze bewering.

Ik heb verder de indruk dat pas na de oorlog met de opvulling van het weidegebied tussen de Krispijnseweg en de Frederikstraat werd gesproken over Oud- en Nieuw-Krispijn. Waarschijnlijk was dat omdat de nieuwbouw van rijen witte huizen en flats zoveel nieuwer leek dan die tussen de jaren tien en dertig gebouwde woningen aan de westkant van de Krispijnseweg. Waarbij dus vergeten werd dat de Bloemen- en de Oranjebuurt er al respectievelijk sinds 1893 en 1906 lagen en veel meer de naam Oud-Krispijn verdienden. Al is het natuurlijk wel zo dat zij in wezen niets met Krispijn en de Krispijnseweg te maken had, maar dat daar de Dubbeldamseweg de ruggegraat van de wijk was en is. Eigenlijk zou onze buurt dus gewoon anders moeten heten.

Uitsnede uit de stadsplattegrond van 1956 toen Nieuw-Krispijn, de Nassaubuurt, klaar was…

Is die situatie nog terug te draaien? Ik vrees dat dat moeilijk zal gaan worden. Wel verrijst er inmiddels tussen Nassauweg en Frederikstraat een geheel nieuwe wijk, die behalve wat stratenpatroon betreft niets meer met beide wijken te maken heeft. Misschien moet alleen dit stuk vanaf de Frederikstraat tot aan de Krispijnseweg voortaan maar Nieuw-Krispijn heten. Daar zijn voornamelijk Nassaus vernoemd, terwijl aan ‘onze’ kant de 19e eeuwse koninlijke familie overheerst: de Oranjes. Dan geven we ‘ons’ wijkje met als as de Dubbeldamseweg gewoon weer de namen Bloemenbuurt en Oranjebuurt. Maar dan moet mijn mobiel wel mijn positie van Bloemenbuurt in Oranjebuurt veranderen, want ik woon niet in de bloemenstraten.

Hierna komt nog één blog over de naamgeving van de wijk, waarin ik een samenvatting en conclusie geef aan de hand van de gegevens over de oprichting van Nederlands oudste nog bestaande tekengenootschap, Pictura (1774).

Naar boven

Literatuur

Balm-Kok, A., In den Entvogel, Twijnderij in de Kannekoopersbuurt (Dordrecht 2024).

Benschop, R., T. de Bruijn en I. Middag, Historische atlas van Dordrecht. Stad in het water (Nijmegen 2013).

Dalen, J. van, Geschiedenis van Dordrecht I (Dordrecht 1931).

Frijhoff, W., H. Nusteling en M. Spies, Geschiedenis van Dordrecht van 1572 tot 1813 (Hilversum/Dordrecht 1998).

Heus, J. de, ‘Van Lantsyde en Poortsyde tot Jan Eijkelboomsteegje. De geschiedenis van de straatnamen op het Eiland van Dordrecht (4)’, in: Oud-Dordrecht 33 (2015) 81-88.

Linden, S. van der, De heiligen. Levens, kalenders, attributen, patronaten, iconografie (Amsterdam/Antwerpen 2002).

Lips, C.J.P., Wandelingen door Oud-Dordrecht. 2 delen (Zaltbommel 1974).

Schaar, J. van der, Woordenboek van voornamen. Inventarisatie van de doop- en roepnamen met hun etymologie (Utrecht/Antwerpen 1969).

Wijk, W. van, red., Dordt in de kaart gekeken (Zwolle/Dordrecht 1995).

Wijk, W. van, Historische atlas van de Biesbosch (Zwolle 2012).


[1] Benschop, e.a. (2013) 32.

[2] Ingepolderd tussen 1589-1603. Zie Benschop, e.a. (2013) 28.

[3] Van Dalen (1931) 118.

[4] Van Dalen (1931) 118.

[5] De Heus (2015) 81.

De jaren twintig 8

Toch nog even een vervolg op nummer 7, want ik moet waarschijnlijk weer wat uitleggen. Ik schreef in het beginblog van deze reeks over Dubbeldamseweg 152-156 toen het ging over wat je moet met al die verdwenen en vervangen bouwdetails:

Vorige bewoners/eigenaars kan je natuurlijk niet meer vragen het beter te doen. Omdat het rijtje geen monument is en ook niet in een beschermd  stadsgezicht staat kan je ook huidige eigenaars niet verplichten of tenminste smeken terug te gaan naar het uiterlijk van 1920.

Elke lezer heeft kunnen zien dat geen enkel twintiger jaren ensemble zich nog in zijn originele staat bevindt. De compleet bewaarde gevel van Frederikstraat 41 is een enorme uitzondering en een zeer opvallende afwijking van het stramien van aantasting en modernisering. En dat is het hoekpand Willemstraat-Hendrikstraat ook, maar in iets mindere mate.

Het viel me op dat het aantal lezers van deze blogs tijdens het publiceren langzaamaan verminderde. Wat was daarvan de reden? Was mijn verhaal te somber? Te eentonig? Was ik te kritisch? Was men niet echt geinteresseerd in de meer blokkkerige Amsterdamse school panden, die wat aantrekkelijkheid betreft nogal van de romantische jaren-tien huizen afwijken? Vond men mijn enthousiasme voor leuke, creatieve baksteendetails wat te ver gaan? Ik weet het niet. Als men geen reactie of kritiek geeft kom ik het ook niet te weten. En ik ga geen poll of enquète houden; te veel werk.

Maar ik wil toch echt bij u pleiten deze zeven blogs nog eens goed te lezen. Ik hoopte namelijk op begrip voor de ontwerpers en bouwers die na de Grote Oorlog met vele moeite weer aan de slag moesten om hun boterham te kunnen verdienen. Maar dat ze wel wisten dat het de tijd niet meer was voor de vrolijk gekleurde en van excentrieke dakjes, balkonnetjes, kapelletjes en ingewikkeld glas-in-lood voorziene pandjes in de Oranjebuurt. Het moest soberder, goedkoper, gladder en met minder gefriemel. Want die lege stukken die door gebrek aan bouwmateriaal in de oorlog niet bebouwd konden worden en kaal waren gebleven moesten toch een keer opgevuld worden. Het was dapper genoeg dat ze na 1920 het risico van de inversteringen aandurfden en aan de slag gingen. Nadat eerst de lonen huizenhoog waren gestegen en de kosten dus maar op bleven lopen, zakte de huizenprijs met ongeveer 80 % en kwam de waarde ervan onder het niveau van de door de gemeente verstrekte hypotheken. De aannemers, onder wie Gerrit van Hoek, kregen grote schulden bij de gemeente. De rest van de jaren twintig moet het sappelen geweest zijn en was het bepaald geen vrolijke tijd. Toen na de beurskrach van 1929 alles na een paar jaar stil kwam te liggen en de crisis uitbrak, vond baas Hoek het welletjes en stopte met bouwen.

Wat ik aan die bouwfase zo hartverwarmend vind is dat de aannemers het ondanks alle problemen niet konden laten hun blokkerige huizen te versieren. In stijl, Bauhaus en Art Deco, maar toch speels. Dat vond ik zo mooi, dat ik bij het nauwkeuriger bekijken van die details dikwijls gewoon een glimlach op mijn gezicht kreeg. Maar dat ik ook, waar juist die details waren verwaarloosd of aangetast, boos werd op de vandalen die daar de laatste tientallen jaren zo respectloos mee om waren gegaan. Die boosheid probeer ik in deze blogs te temperen, maar ik spreek me wel uit over die verwaarlozing van al die leuke panden. Ik vind het gewoon doodzonde. Ik hoop ook dat als mijn inventaristatie van de  jaren twintig rijtjes nou eens goed gelezen worden, ik mijn ongerustheid erover heb overgebracht. En dat ik de lezers ervan overtuigd heb dat er wat moet gebeuren.

Naar boven

De oudste huizen in de Oranjebuurt

De huizenrijtjes aan de oostkant van de Dubbeldamseweg, de even kant, keken, over de weg heen, al sinds een paar jaar voor 1900 naar het westen uit over honderden meters weiland. Helemaal  tot aan de Krispijnseweg, die toen nog Spuiweg heette en die nog geheel onbebouwd was. Dat weidegebied was het oude domein van de heren van Dubbeldam wiens buitenplaats al 130 daarvoor was afgebroken. Van de tuinen die om het huis hadden gelegen was niets meer over; alleen de omtrekken van een formele tuinvijver waren nog in het weiland te zien. En er stond alleen nog een tuinmanswoning en een flinke boerderij die gerund werd door de familie Molendijk aan wat nu de Mariastraat is. Dit land was van de oorspronkelijke erfgenamen aangekocht door de heer Blok, een rijke heer uit ’s-Gravendeel.

De jongste zoon van baas Hoek, Leo, vertelt in zijn levensbeschrijving van zijn vader hoe die betrokken raakte bij de ontwikkeling van dat gebied. Hij kreeg namelijk in de gaten dat die weilanden al jaren lang onbebouwd waren terwijl de gemeente dringend om bouwterrein verlegen zat. Maar er was niemand die dat risico durfde te nemen en zo bleef land dat sinds de grenswijziging van 1903 inmiddels Dordts eigendom was braak liggen.

De afstand tussen beide wijken in 1923

“Het praatje ging rond dat (Blok) er danig mee in zijn maag zat. Het zou een grondspeculatie geweest zijn, die dreigde te mislukken. Gerrit dacht: als die Blok zo omhoog zit met die grond, kan ik hem misschien wel zover krijgen, dat ik een gedeelte ervan, op eigen risico, maar om te beginnen zonder voor de grond te betalen, kan bebouwen.”

Blok was echter niet zo toeschietelijk en het kostte Gerrit van Hoek meerdere gesprekken om hem over te halen. Dat lukte pas toen hij voorstelde om te beginnen maar eens zes eenvoudige huisjes te bouwen die hij dan zou proberen te verkopen. Als dat lukte zou hij de grond waarop ze stonden kopen en er hypotheek op nemen. De eigenaar, die schulden had bij de bank, hapte toe en de bank werkte mee. Gerrit maakte bouwtekeningen en –plannen en die werden goedgekeurd door de bank en wat later door de gemeente. Hij kon aan de slag. Eerst nam hij nog ontslag bij aannemer Bozuwa, voor wie hij werkte. Die vond het maar een gewaagd plan, maar wenste hem succes. Gerrit zou als eerste huizen gaan bouwen ten westen van de Dubbeldamseweg. Zo noemde hij het plan ook: Bouwplan voor zes woonhuizen op het bouwterrein aan den Dubbeldamsche weg.

Plattegrond van de te verkopen kavels aan de Dubbeldamseweg oneven, 1902. Ik woon op nr 2

Ik ben lang op zoek geweest naar die zes huizen aan de Dubbeldamseweg, maar heb ze tot voor zeer kort nooit gevonden. De rijen die daar in de jaren tien aan de westkant zijn gebouwd (voor een deel door Van Hoek) zijn alle langer. Of juist korter. Dat kwam omdat de kavels direct aan de weg, na de sloot, al te koop stonden sinds 1902, en je daar niet zomaar kon gaan bouwen. Maar nog niemand had toegehapt. Er moest dus wat naar achteren gebouwd worden en dan kwam je op de plaats waar nu de Hendrikstraat ligt. Er moet kort na 1902 al een stratenplan zijn ontworpen. De straatnamen in die buurt zijn namelijk in november 1906 vastgesteld, dus toen moet al bekend zijn geweest welke straat waar kwam. De tracees zijn echter pas in 1908 voor het eerst, nog onbebouwd, op een stadsplattegrond te zien.

De locatie van de oudste huizen op het plan uit 1906

Toen ik recent de bouwvergunningen van de Hendrikstraat nog eens bekeek viel me ineens een plattegrond en aanzicht op dat in 1906 was gedateerd en waar de namen van G. van Hoek en J.K. Schuiling op te lezen waren. Er zat ook een plattegrondje van dat deel van de buurt bij, waarop een rijtje van zes huizen op getekend stond aan de westzijde van de Hendrikstraat. De straatnaam staat er niet bij, maar omdat het de eerste straat na de Dubbeldamsche Weg is, is verwarring uitgesloten. Die huizen staan er nog steeds en nu hebben ze de nummers 29-39. Als je inmiddels de bouwstijl van Gerrit van Hoek kent is het maar al te duidelijk dat hij de stijl van de huizen die hij aan de Boogjes en in de Bloemstraat heeft gebouwd in de Hendrikstraat heeft voortgezet. Hier zijn ze echter nog uitbundiger gedecoreerd dan in de eerdere bouwsels.

HES 29-33 nu
HES 35-39 nu

Baas Hoek deed zelf al het timmerwerk en besteedde het metselwerk uit. Alles verliep vlot. Toen het werk bijna af was kwamen er zelfs al kopers op af. Vijf van de huizen waren verkocht bij de oplevering en Hoek ging zelf, met zijn vrouw, dochter en ouders, in het zesde wonen. Zijn oudste zoon Thijs werd er geboren. De medewerker J.H. Schuiling, die de bouwtekening eveneens had ondertekend, woonde er ook volgens het adresboek van 1908. Baas Hoek was toen al verhuisd naar zijn nieuwe werkplaats met bovenwoning aan de Sophiastraat 17.

HES 29-39 De oudste huizen van de Oranjebuurt, 1906, blauwdruk

Het rijtje huizen stond aanvankelijk eenzaam op de zandlichamen van de nieuwe straten, maar dat zou niet lang zo blijven. Begin 1907 moet hij het eclectische en monumentale ensemble Willemstraat 1-9 als teken van zijn kunnen voor de heer Blok hebben ontworpen. Misschien heeft dat er voor gezorgd dat hij nog datzelfde jaar in juli aan de realisatie van de zeer decoratieve middenstandshuizen op Emmastraat 1-11 kon beginnen. Vanaf september 1907 bouwde Gerrit van Hoek vervolgens de Hendrikstraat aan de oneven kant tot aan de Emmastraat vol. Op de bouwplannen wordt de naam Hendrikstraat nu wel genoemd, evenals de Sophiastraat. In 1908 bouwde hij vervolgens vanuit de nieuwe werkplaats de hele Sophiastraat, even en oneven, vol, trok de even kant van de Frederikstraat op en daarbij ook nog twee rijen aan beide kanten van de Emmastraat.

SOS 8-30 in blauwdruk 1908

Hij moet een ontembare werklust gehad hebben en een leger aan timmerlui, metselaars, dakdekkers, smeden en heiers aan het werk hebben gehad om al die projecten tegelijk aan te kunnen pakken. En daarna lieden om de huizen af te werken zoals loodgieters, gasfitters, stucadoors en schilders. De foto boven aan het blog die de bijna voltooide huizen van Sophiastraat 14-22 in 1908 laat bijna 30 werklieden in allerlei beroepen zien. Hij haalde ze uit heel Dordrecht en omgeving. Een Sliedrechtse vriendin, die nog in de Sophiastraat heeft gewoond, vertelde dat haar opa die een goede huisschilder was, graag voor hem werkte. Hij liep ’s morgens voor dag en dauw over de dijk naar het Papendrechtse veer, voer over en werkte de hele dag aan de nieuwbouw van de Oranjebuurt, en liep ’s avonds weer terug. Hij had zijn kleindochter verteld dat hij goed betaald werd en dat op het werk van baas Hoek niet gesjoemeld werd. Gerrit van Hoek was een vakman die alleen met betrouwbare arbeiders werkte. Er werden bij hem geen kantjes af gelopen. Hij was betrouwbaar. Vandaar dat zijn financiers, leveranciers, de banken en de gemeente en zeker zijn werkvolk met hem wegliepen. Vandaar ook dat hij de kans kreeg bijna in zijn eentje een nieuwe wijk uit de grond te stampen.

Naar boven

De jaren twintig 6

Halverwege de jaren twintig duiken A. Bakker en L. van Herwijnen van het gelijknamige architecten- en adviesbureau in de wijk op. Ze ontwerpen hier enkele rijtjes en zijn ook deels veranwoordelijk voor de bouw van de huizen daar. Er is bijzonder weinig te vinden over dit bureau en ik hoop dan ook dat lezers van dit blog meer over hen kunnen vertellen. Het is bekend dat ze ook de ontwerpen van de Julianakerk (1928) en de Marnixschool (1931), beide aan de Krispijnseweg, hebben gemaakt. Ook een aantal boerderijen (1933-38) in de nieuwe polder de Biesbosch zijn door hen ontworpen. In 1935 hebben ze nog de verbouwing van het smal toelopende hoekpand Hendrikstraat 65-Willemstraat in onze wijk getekend.

Willemstraat 48-54 1925

In 1925 ontwierpen ze voor de lege plek Willemstraat-hoek Emmaplein vier woningen en een pakuis met twee bovenwoningen,  waardoor die hoek werd opgevuld en het plein een afgesloten zuidoostwand kreeg. Het ontwerp heeft veel weg van de drie huizen uit 1921 aan de Dubbeldamseweg zuid 152-156, inclusief de horizontale roedeverdeling van de ramen. Was dit een eerder ontwerp van deze architecten?

WIS 48-54 nu, met wat nog bewaard is uit 1925

In verhouding tot de rij huizen in Willemstraat, nummers 28-46, uit 1909-1910, die een soort gezellige Anton Pieckuitstraling hebben, lijken de aansluitende nummers 48-54 en de hoek om 56-58 een streng en strak ensemble. De aanpassingen aan de nieuwe tijd zijn daar voor een groot deel de oorzaak van. Als je kijkt naar de roedeverdeling van 50 (deels) en 52 en het geheel vergelijkt met de foto bovenaan dit blog uit ca 1930 heeft het geheel wel degelijk een speels uiterlijk. Zeker in combinatie met de bomen. Ook hier zou een aanpassing van de andere huizen een mooie verbetering van het beeld opleveren. Dat is ook nog te zien aan het vervangen van de oude roedeverdeling van nr 54 door moderne glasplaten in 2021. Eeuwig zonde.

De complete hoek WIS-EMP

Het pakhuis en de twee bovenwoningen, 56-58, is ondanks de driehoekige uitstulpingen aan de zijkanten, met ramen op de verdiepingen, door zijn modernisering met kunststofkozijnen een vlakke, onaantrekkelijke wand geworden. Ook ondanks het decoratieve spitsbogige poortje tussen de blokken dat in een raam is veranderd.

SOS 2-6 1926
SOS 2-6 met de aanpassingen van nr 6

Een ander stukje straat dat Bakker en Van Herwijnen opvulden, in 1926-27, was het begin van Sophiastraat even, de nummers 2-6. Het was te smal voor drie volwaardige panden en dus is nr 6 60 cm smaller dan de andere twee. Iets dat in de plattegrond creatief werd opgevangen. De driehoekige uitstulpingen met hun ramen op de verdieping boven de deuren van 4 en 6 zijn bewaard gebleven, maar verder werden alle ramen en deuren vervangen door moderne exemplaren.

SOS 2-6 met de 2 bewaarde luifels en de bovendeurraampjes van nr 2

Deze twee architecten waren als professionals de eersten en enigen die na Van Bilderbeeks ontwerp voor het complex van de stichting Woningzorg uit 1913-14 bemoeienis hebben gehad met het bouwen in Nieuw-Krispijn-Oost. Ik vind hun twee (of drie) bijdragen aan het beeld niet slecht. Hun vormentaal lijkt op die van de timmerlui-aannemers, zoals Van Hoek, die hen voorgingen maar heeft iets eigens. Minder speels misschien, maar nog wel degelijk decoratief, zeker wat de roedeverdelingen en kleine ophogingen in de wanden betreft. De aanpassingen daarvan door latere bewoners en eigenaars hebben echter gezorgd voor een vervlakking van het origineel, dat stukken mooier was.

Wordt vervolgd

Naar boven

De jaren twintig 1

In heb het in enkele eerdere blogs al gehad over de uit de jaren twintig daterende ensembles in Krispijn, toen de woningbouw na de Grote Oorlog weer langzaam opstartte. Ik heb al enkele rijtjes die toen gebouwd zijn behandeld hier over het hoekpand waar deze website mee van start ging, en hier over de beide andere blokken aan die kant van de Mauritsweg. Ook in de Sophiastraat staat zo’n rijtje waar ik hier wat over heb geschreven. In mijn vorige blog beschreef ik het zoekspel dat ik speelde als ik door de vooroorlogse wijken reed: wat-is-nog-origineel (aan-die-gevel). Afgekort WINO.

Ik heb besloten nu een serietje te doen waarin ik laat ziet welke onderdelen van gevels van ensembles uit de jaren twintig nog lijken op wat er op de originele bouwtekeningen staat. Je kunt er trouwens niet altijd vanuit gaan dat huizen precies volgens tekening gebouwd werden. De tekenaar  wist bijvoorbeeld niet altijd wat voor deuren erin zouden komen en of de bovenramen alltijd glas-in-lood bevatten. Ook kon de definitieve roedeverdeling in ramen wel eens afwijken van het getekende. Ik heb zelfs de indruk dat tijdens het bouwen soms van het plan werd afgeweken. Waarom dat gebeurde is niet bekend, want dat staat nergens opgeschreven en we kunnen het niet meer aan de bouwmeesters vragen. U zult die voorbeelden hierna nog wel tegenkomen.

Eerste ontwerp voor Dubbeldamseweg 108-112 zwart en rood (1920)

Ik heb besloten te beginnen met een kort rijtje aan de Dubbeldamseweg met de nummers 152-156 (oude nummering 108-112). Het kwam op de plaats waar sinds 1914 – toen het Woningzorg-complex gereed kwam – een gat was gevallen tussen de huizen op de hoek van de Leliestraat en de Madeliefstraat. Het duurde nog tot 1920 toen metselaar Leendert Molendijk een plan indiende om er drie dubbele woningen te bouwen. De blauwdruk bestaat nog, maar de huizen zijn nooit gebouwd (zie hierboven). Het plan werd in datzelfde jaar gewijzigd en bevatte nu drie middenstandswoningen. Niet alleen weken die nieuwe plannen qua inrichting van elkaar af, maar vooral de buitenkant kreeg een heel ander uiterlijk. Dat kwam gedeeltelijk omdat de plattegrond veel minder traditioneel was, waardoor het opgaande werk een wel heel bijzondere vorm kreeg.

Tweede ontwerp (ook uit 1920)

Ik zie de overeenkomsten met wat in Amsterdam de ‘school’ van die naam wordt genoemd. Maar dan in een lokale versie, zoals Hendrikstraat 65 in het vorige blog. We zullen helaas nooit weten waarom Leendert van opvatting veranderde of door wie hij beïnvloed kan zijn. Wel verrees daar in 1920-21 (tegelijk met baas Hoeks ensemble aan de Mauritsstraat 14-24) een heel bijzonder rijtje. Zie de foto boven dit blog. Die moet van voor 1923 dateren, want de twee ramen naast de deur zijn in dat jaar vervangen door een breed winkelraam. De begane grond werd dus winkel en in 1988, toen wij aan de weg kwamen wonen, was het dat nog: een drogist. Nu is het al weer lang een woonhuis.

De plattegronden van nrs 152-156 met de afplattingen van pand 156 beneden en boven

Omdat de muur met die ramen erin een zeer stompe driehoek vormde, moest het hele metselwerk van de begane grond overgedaan worden. Dat moet een kostbare operatie zijn geweest. Inmiddels is dat winkelraam alweer vervangen door een breed kunststofkozijn, maar je kunt aan weerszijden ernaast de nog enigszins schuinlopende muren zien. Het verdere metselwerk met de decoratieve uitspringende rijen bakstenen is keurig gedaan. Dat is echter niet het geval geweest bij het weghalen van het balkon erboven en het rechttrekken van de balkondeuren en –ramen. Ook die zijn nu van kunststof. Het stuk muur eronder ziet er niet uit en lijkt wel met lidtekens bedekt. Verder is de rollaag boven de ‘winkelruit’ bijzonder slordig gemetseld; de koppen van de bakstenen schelen centimeters met de originele en lopen ongelijk in het bestaande metselwerk over. Deze gevel is echt een aanfluiting en een voorbeeld van hoe je een jaren twintig gevel in Amsterdamse School stijl niet renoveert.

Detail van de gevel van 156 met de lidtekens van de verwijderde hoek

Even weinig gevoel voor het origineel blijkt uit het middenpand, nr. 154, waar op de etage kunststof kozijnen de plaats van hout ingenomen hebben met een moderne roedeindeling. Op de begane grond is het originele brede raam met zes vlakken vervangen door een grote doorzon-woning ruit die niet zou misstaan in een jaren zestig nieuwbouwwijk. En dat geldt ook voor de deur en de sponningen in bruin gevernist hardhout.

Overzicht van het lapwerk aan 152-156 met roodomlijnd de enige nog originele elementen

Alleen nr. 152 heeft nog elementen van de oude situatie bewaard. Het heeft nog de stompe driehoek muur zoals die in 156 was, het balkon, de terugwijkende balkondeur met zijn vensters ernaast en zowaar nog een rest roedeverdeling in de bovenramen aan weerszijden van de hoek. Helaas hebben de ramen op de verdieping die niet meer en is de voordeur modern.

Vorige bewoners/eigenaars kan je natuurlijk niet meer vragen het beter te doen. Omdat het rijtje geen monument is en ook niet in een beschermd  stadsgezicht staat kan je ook huidige eigenaars niet verplichten of tenminste smeken terug te gaan naar het uiterlijk van 1920. Inmiddels wordt echter in het middelste pand weer verbouwd, nadat zo’n beetje alles uit de binnenkant is gesloopt. Ik houd mijn hart vast voor wat er nu weer zal worden aangepast aan de ‘moderne smaak’. Oh, waren we maar beschermd stadsgezicht. Maar er is een mogelijkheid dat de nieuwe eigenaar dit blog leest en dat dan blijkt dat ik me voor niks druk heb gemaakt. Ik hoop het…

Wordt vervolgd

Naar boven