De jaren twintig 1

In heb het in enkele eerdere blogs al gehad over de uit de jaren twintig daterende ensembles in Krispijn, toen de woningbouw na de Grote Oorlog weer langzaam opstartte. Ik heb al enkele rijtjes die toen gebouwd zijn behandeld hier over het hoekpand waar deze website mee van start ging, en hier over de beide andere blokken aan die kant van de Mauritsweg. Ook in de Sophiastraat staat zo’n rijtje waar ik hier wat over heb geschreven. In mijn vorige blog beschreef ik het zoekspel dat ik speelde als ik door de vooroorlogse wijken reed: wat-is-nog-origineel (aan-die-gevel). Afgekort WINO.

Ik heb besloten nu een serietje te doen waarin ik laat ziet welke onderdelen van gevels van ensembles uit de jaren twintig nog lijken op wat er op de originele bouwtekeningen staat. Je kunt er trouwens niet altijd vanuit gaan dat huizen precies volgens tekening gebouwd werden. De tekenaar  wist bijvoorbeeld niet altijd wat voor deuren erin zouden komen en of de bovenramen alltijd glas-in-lood bevatten. Ook kon de definitieve roedeverdeling in ramen wel eens afwijken van het getekende. Ik heb zelfs de indruk dat tijdens het bouwen soms van het plan werd afgeweken. Waarom dat gebeurde is niet bekend, want dat staat nergens opgeschreven en we kunnen het niet meer aan de bouwmeesters vragen. U zult die voorbeelden hierna nog wel tegenkomen.

Eerste ontwerp voor Dubbeldamseweg 108-112 zwart en rood (1920)

Ik heb besloten te beginnen met een kort rijtje aan de Dubbeldamseweg met de nummers 152-156 (oude nummering 108-112). Het kwam op de plaats waar sinds 1914 – toen het Woningzorg-complex gereed kwam – een gat was gevallen tussen de huizen op de hoek van de Leliestraat en de Madeliefstraat. Het duurde nog tot 1920 toen metselaar Leendert Molendijk een plan indiende om er drie dubbele woningen te bouwen. De blauwdruk bestaat nog, maar de huizen zijn nooit gebouwd (zie hierboven). Het plan werd in datzelfde jaar gewijzigd en bevatte nu drie middenstandswoningen. Niet alleen weken die nieuwe plannen qua inrichting van elkaar af, maar vooral de buitenkant kreeg een heel ander uiterlijk. Dat kwam gedeeltelijk omdat de plattegrond veel minder traditioneel was, waardoor het opgaande werk een wel heel bijzondere vorm kreeg.

Tweede ontwerp (ook uit 1920)

Ik zie de overeenkomsten met wat in Amsterdam de ‘school’ van die naam wordt genoemd. Maar dan in een lokale versie, zoals Hendrikstraat 65 in het vorige blog. We zullen helaas nooit weten waarom Leendert van opvatting veranderde of door wie hij beïnvloed kan zijn. Wel verrees daar in 1920-21 (tegelijk met baas Hoeks ensemble aan de Mauritsstraat 14-24) een heel bijzonder rijtje. Zie de foto boven dit blog. Die moet van voor 1923 dateren, want de twee ramen naast de deur zijn in dat jaar vervangen door een breed winkelraam. De begane grond werd dus winkel en in 1988, toen wij aan de weg kwamen wonen, was het dat nog: een drogist. Nu is het al weer lang een woonhuis.

De plattegronden van nrs 152-156 met de afplattingen van pand 156 beneden en boven

Omdat de muur met die ramen erin een zeer stompe driehoek vormde, moest het hele metselwerk van de begane grond overgedaan worden. Dat moet een kostbare operatie zijn geweest. Inmiddels is dat winkelraam alweer vervangen door een breed kunststofkozijn, maar je kunt aan weerszijden ernaast de nog enigszins schuinlopende muren zien. Het verdere metselwerk met de decoratieve uitspringende rijen bakstenen is keurig gedaan. Dat is echter niet het geval geweest bij het weghalen van het balkon erboven en het rechttrekken van de balkondeuren en –ramen. Ook die zijn nu van kunststof. Het stuk muur eronder ziet er niet uit en lijkt wel met lidtekens bedekt. Verder is de rollaag boven de ‘winkelruit’ bijzonder slordig gemetseld; de koppen van de bakstenen schelen centimeters met de originele en lopen ongelijk in het bestaande metselwerk over. Deze gevel is echt een aanfluiting en een voorbeeld van hoe je een jaren twintig gevel in Amsterdamse School stijl niet renoveert.

Detail van de gevel van 156 met de lidtekens van de verwijderde hoek

Even weinig gevoel voor het origineel blijkt uit het middenpand, nr. 154, waar op de etage kunststof kozijnen de plaats van hout ingenomen hebben met een moderne roedeindeling. Op de begane grond is het originele brede raam met zes vlakken vervangen door een grote doorzon-woning ruit die niet zou misstaan in een jaren zestig nieuwbouwwijk. En dat geldt ook voor de deur en de sponningen in bruin gevernist hardhout.

Overzicht van het lapwerk aan 152-156 met roodomlijnd de enige nog originele elementen

Alleen nr. 152 heeft nog elementen van de oude situatie bewaard. Het heeft nog de stompe driehoek muur zoals die in 156 was, het balkon, de terugwijkende balkondeur met zijn vensters ernaast en zowaar nog een rest roedeverdeling in de bovenramen aan weerszijden van de hoek. Helaas hebben de ramen op de verdieping die niet meer en is de voordeur modern.

Vorige bewoners/eigenaars kan je natuurlijk niet meer vragen het beter te doen. Omdat het rijtje geen monument is en ook niet in een beschermd  stadsgezicht staat kan je ook huidige eigenaars niet verplichten of tenminste smeken terug te gaan naar het uiterlijk van 1920. Inmiddels wordt echter in het middelste pand weer verbouwd, nadat zo’n beetje alles uit de binnenkant is gesloopt. Ik houd mijn hart vast voor wat er nu weer zal worden aangepast aan de ‘moderne smaak’. Oh, waren we maar beschermd stadsgezicht. Maar er is een mogelijkheid dat de nieuwe eigenaar dit blog leest en dat dan blijkt dat ik me voor niks druk heb gemaakt. Ik hoop het…

Wordt vervolgd

Naar boven

Dubbeldamseweg; de levensader van de wijk 7

Dit wordt geen leuke afsluiting van de serie ‘het oudste rijtje’. Al die verhalen over de bewoners en de geschiedenis van de winkels erin waren een inleiding op wat hieronder komt. Ik beschrijf hoe ik denk over de toekomst ervan. Toen ik er namelijk onlangs nog eens langzaam langs liep schrok ik toch wel. Iedereen loopt, fietst en rijdt er zonder goed te kijken voorbij en realiseert zich niet in wat voor penibele staat die 16 huizen en winkels verkeren. Zeker als de bomen in blad staan en de zon schijnt heeft het ensemble een gezellige warme uitstraling en lijkt het of er niks aan de hand is. Kijk maar op Google Maps.

Verzakkingen, scheuren en afbrokkelend metselwerk in 94

Oké, 82 is duidelijk geen winkel meer, en de etalage van 88 zit dicht met een paar brede grijze banen en een witte baan, maar het cafetaria op 92, als het open is, heeft nog wel uitstraling. Dat geldt ook voor slager Luca. Maar als bij beide laatsten de rolluiken dichtgaan ziet het er beduidend ongezelliger uit. Bij nr 84, waar kamers aan gastarbeiders worden verhuurd, zitten de ramen eveneens dicht met donkerblauwe zonweringen.

De wit uitgeslagen gevel van 82

Ik heb in het voorgaande niet veel aandacht besteed aan de drie laatste dubbele huizen in de rij, maar ik krijg de indruk dat panden deels (?) leeg staan. De ramen laten oude vitrage zien en het ziet er stoffig uit. Boven 68 (het restaurant), 88 en 92 worden net als in 80-82 en 84 kamers verhuurd. Niet iedereen weet dat sinds 2010 binnen de gemeente geldt dat per straat in maximaal 2 % van de huizen kamers verhuurd mogen worden. Tussen de beide overwegen staan aan de weg ca 150 huizen. Twee procent van 150 is drie! Conclusie: er worden aan dit deel van de Dubbeldamseweg in veel te veel huizen kamers verhuurd. En dan heb ik die aan de oneven kant en de rest van de even kant nog niet eens meegerekend. Het is trouwens dikwijls onduidelijk of er in de genoemde panden etages verhuurd worden als woningen of dat het echte kamerverhuur is.

Scheuren, waterschade en bladderende verf op 102

Daar komt nog bij dat er veel aan het uiterlijk van de huizen in de rij mankeert. De nieuwe gevel van het pand 76-78 is uiteraard niet bepaald een schoolvoorbeeld van hoe je een huis uit 1897 restaureert. Het verbaast mij nog steeds dat de aannemer toestemming kreeg om zo’n afwijking van de rest van de rij te bouwen. Het toont des te meer dat de hiervoor verantwoordelijke dienst van de gemeente Dordrecht geen oog heeft voor de waarde van zo’n in het oog springende rij dubbele woningen. Maar ook de ruim aanwezige kunststof kozijnen, ook in de etalages, en de vreemde kleurenkeuzes in het schilderwerk doen afbreuk aan het beeld van de rij.

Scheuren en witte aanslag op nr 84

De hele rij, inclusief de panden 106-116 tot aan de Bloemstraat, ziet er op het eerste gezicht uit als een harmonisch geheel. Als je de duidelijke afwijking van het stramien bij nr. 76-78 niet meetelt, tenminste. Dat was natuurlijk vanaf de bouw ook de bedoeling. Zie de foto uit 1917 bovenaan het blog. Het is een idyllisch ogend ensemble.

Verzakkingen en waterschade in 98-100

Als je hedentendage beter naar die huizen kijkt, dichterbij komt als het ware, dan zie je dat er wel meer veranderd is dan het toevoegen van etalages of het ophangen van rolluiken. Deels is dat het gevolg geweest van handelen waar de eigenaars en bewoners niks aan kunnen of konden doen. Het lokale waterschap heeft lange tijd, op verzoek van de boeren in de omgeving, het grondwater op een te laag peil gehouden. Gevolg: de koppen van de heipalen onder huizen gingen rotten. Dat gebeurde overal in de wijk, maar niet overal werd er wat aan gedaan. Aan de oneven kant van de weg hoorden rond het jaar 2000 de huizen tot de eerste rijen die daar, aanvankelijk met subsidie van de gemeente, wat aan gingen doen. Maar in het ‘oudste rijtje’ wreekte zich dat eigenaars van kamerverhuurbedrijven niet bereid waren samen met gewone eigenaars mee te betalen aan die verbetering. Men werd het dan ook niet eens en er gebeurde niks. Gevolg: scheuren, scheefzakken, schade aan muren en houtwerk. Samen met de toch al optredende verwaarlozing door de huisjesmelkers ontstond een ernstige situatie. Overal in de gevels zijn de effecten met het blote oog te zien: zie de hierbij gaande foto’s die in het hele blog worden getoond. Individueel werd er wel ingegrepen, soms gerepareerd en er zijn zelfs wel daken vernieuwd. Maar die ingrepen zijn toch meestal cosmetisch.

Slecht metsel- en voegwerk met uitslag in 88

De waterstand is inmiddels weer op peil, maar wat is het gevolg op de lange termijn geweest voor de al rottende paalkoppen die nog steeds onder de huizen in de grond zitten?

Toen de Aldi achter deze rij ging uitbreiden en de nieuwbouw van de bijna twee keer zo grote winkel tegen de achterkant van de erven aan kwam te staan, werd het toch al niet riante uitzicht wel erg gehinderd. De nieuwe super was ook een stuk hoger dan de oude. Het woonplezier nam af. Voor kamerbewoners die er toch maar tijdelijk verbleven was dat niet zo’n bezwaar, maar zou een jong gezin hier graag intrekken en er de kinderen opvoeden: ik denk het niet.

Ons voorland? Ruime, maar stijlarme huizen op de hoek Frederikstraat-Mariastraat

Verder zijn op het metselwerk de nodige sporen van vocht via lekkages of inwateren te zien. Zie de stukken gevel die wit zijn uitgeslagen. En is er veel achterstallig onderhoud aan het verfwerk. Er zijn dus nogal wat eigenaren die te lang hebben gewacht om hun bezit in goede staat te houden. Dat zorgt ervoor dat dit bouwkundig en esthetisch waardevolle rijtje zichtbaar achteruit gaat en dreigt te verkrotten. Gevolg: op een bepaald moment wordt wonen in die huizen te gevaarlijk en dreigt afbraak en eventueel nieuwbouw. Voor de buurtbewoner: zie wat er aan de Maria- en de Frederikstraat al gebeurt. Ik denk dat je dan de Dubbeldamseweg als levensader wel kunt vergeten en dat deze belangrijke weg zienderogen nog meer achteruit gaat. Er zijn hier en in andere steden voorbeelden te over van zo’n scenario. Willen we dat laten gebeuren?

Naar boven

Dubbeldamseweg; de levensader van de wijk 6

Winkels in het oudste rijtje 3

In het eerste bovenhuis van links in de rij, nr 76 (toen 56), kwam kort voor 1922 Pieter Martens (geboren 1895 in Groningen) wonen. Hij was kapper van beroep en in 1920 in Dordrecht met een Groningse, Frouwkje Smit uit Oude Pekela, getrouwd. Hij werkte waarschijnlijk in de binnenstad. In 1930 zag hij zijn kans schoon om voor zichzelf te beginnen. In december kreeg hij toestemming het hele pand nr 58 (nu 80-82) te wijzigen in een bedrijf met bovenwoning. Hij begon daar een ‘handel in parfumerieen en toiletartikelen’ en werd er ‘dames- en heerenkapper’. Hij liet de pui aanpassen en binnen kwam aan de straatzijde de winkel en achterin de salon. Het architectenbureau Bakker en Van Herwynen zorgde voor het ontwerp (waarbij de bovenwoning nog verder werd gemoderniseerd) maar wie de verbouwing heeft gedaan is niet bekend. Zodra het werk in 1931 achter de rug was trok het gezin van kapper Martens, met vrouw en twee kinderen, vanuit het buurhuis zelf in de bovenwoning.

Het gezin Martens in ca 1926, dus toen ze nog in nr. 56 rood woonden. De fotolocatie was echter de studio van fotograaf Beerman aan het Vrieseplein

Tot voor kort is het al die tijd een (heren)kapperszaak gebleven. Piet Martens stopte in 1969 met de zaak en verhuisde naar Eindhoven. In dat jaar werd hij opgevolgd door Wim Groesbeek. Toen was er nog wel een tijdje winkel in het voorste deel, maar op den duur werd de hele benedenruimte als herenkapsalon gebruikt. Dat het een HEREN KAPPER was heeft nog tot voor kort in grote letters onder de etalage op de gevel gestaan. Kapper Groesbeek stopte er begin van de 21ste eeuw mee. Daarna heeft er nog enkele jaren een Turkse kapsalon in gezeten, maar die is verhuisd naar een kleiner pand een eindje verderop langs de weg, op nr. 126. Sinds die tijd wordt het huis in drieën bewoond door meestal jonge kamerbewoners.

De situatie in 2015, toen er allang geen kapper meer inzat

Het huis waar het meest recent een winkel inkwam was nr. 78. Toen wij er in 1988 tegenover kwamen  wonen werd het pand nog in tweeën bewoond. Er trok op een bepaald moment een nieuwe familie in de bovenwoning op nr. 76, die een lingerie-winkel begon op de begane grond. Er kwam geen etalage in, maar de beide oorspronkelijke ramen werden hiervoor gebruikt. Na een tijdje verhuisden ze en kwam het hele pand leeg te staan. Er gebeurden daar geheimmzinnige dingen tot de buurt op 8 augustus 2006 werd opgeschrikt door een uitslaande brand. Er bleek zonder dat iemand het in de gaten had een wietkwekerij gevestigd te zijn. Kortsluiting was de oorzaak. De brandweer was op tijd ter plekke en kon het huis redden. De gevel was echter wel ontzet en moest herbouwd worden. De eigenaar van het huis, die ook de doe-het-zelfwinkel de Hobbyhal een stuk verderop aan de weg runde, besloot dat zelf te doen. Ongeveer een jaar later was de gevel klaar, maar het is zeker geen voorbeeld van een geslaagde restauratie.

De fatale nacht…

Hoewel hij in baksteen is gemetseld zijn de stenen veel bleker dan de oorspronkelijke. Het metselen gebeurde wel in staand verband zoals in deze hele rij, terwijl bijna alle andere huizen in de wijk in kruisverband zijn gemetseld. Ook de gele speklagen zijn bewaard, maar die gele stenen zijn eveneens bleker. Boven de ramen zitten nu eenvoudige rollagen in plaats van strekken met aanzet-  en sluitstenen. De kozijnen van zowel ramen en etalage als de deuren zijn van kunststof. De daklijst is veel eenvoudiger geworden en toont iel in verhouding tot het andere huis met zo’n gevel, aan het einde van de rij. De verbouwing werd afgesloten met twee lange dakkapellen, één aan elke kant, die de zolder meer leefruimte gaven, maar er, eerlijk gezegd, niet uitzien.

De ‘reconstructie’ bijna klaar

Er kwam een door Turkse jongemannen gedreven satelliet-winkel in – Dreamsat – en boven werd verhuurd. De winkel liep niet echt goed en de jongens vertrokken. In 2017 vestigden de Roemeense varkensslager Florin Luca en zijn vrouw Joanna zich in het pand en gingen erboven wonen. Ze bouwden hun zaak voorzichtig op en breidden gestaag uit, tot ze nummer 88 moesten huren om hun voorraad kwijt te kunnen. Hun cliëntele weet hen, vooral in het weekend, goed te vinden. Ze komen vanuit heel Nederland en zelfs van over de Belgische grens naar de Dubbeldamseweg voor echte Roemeense producten. Het is hen gegund, maar het is wel jammer dat ze niet lang geleden hebben besloten voor alle ramen, de etalage en de winkeldeur donkergrijze rolluiken te plaatsen, die heel dikwijls dicht zijn en het pand een Belgisch, gesloten, uiterlijk geven. Zo zijn we het in Nederland niet gewend.

De gesloten gevel van nr 76-78 met de dakkapellen

Wordt vervolgd

Naar boven

Dubbeldamseweg; de levensader van de wijk 5

Winkels in het oudste rijtje 2

De winkel op nummer 64 (nu 92) heeft zeker zo’n kleurrijke geschiedenis als de buurman op 62.

In 1899 wordt als bewoner/winkelier Lambertus Jacobus Rissmuller genoemd (1853-1933). Hij is afkomstig uit Delft en is van beroep metaal- of koperdraaier. Daarnaast heeft hij een winkel op nr 64. Wat hij daar verkoopt is onduidelijk, maar het zouden ijzerwaren (en koperwaren?) en ander hang- en sluitwerk geweest kunnen zijn. Een voorloper van een doe-het-zelf-winkel? Rissmuller is even voor 1908 naar boven verhuisd; heeft de dan in het adresboek van 1908 genoemde weduwe Van der Wulp de winkel overgenomen of blijft hij toezicht houden? Hij blijft in ieder geval tot en met 1933 boven wonen en overlijdt daar in dat jaar op 16 november, 80 jaar oud.

Vervolgens woont er enkele jaren een G. Huisman, maar over hem is niets bekend en ik weet ook niet of hij de winkel runde. Maar in 1916 vinden we op dat adres F. de Morée. Dat kan niemand anders geweest zijn dan Frans de Morée (1877-1947) uit Beusichem, die daar boer was, maar naar Dordrecht verhuisde en daar winkelier en melkhandelaar werd. Hij was in 1913 getrouwd met de eveneens Gelderse Gerritje van Ommeren (1889-1958) en ze moeten kort daarna hier zijn aangekomen want hun beide zonen werden respectievelijk in 1914 en 1916 in Dordrecht geboren. Frans staat hier bekend als winkelier in boter, kaas, eieren en melk. Hij wordt in de adresboeken ook melkslijter genoemd.

Het is mogelijk dat zijn weduwe na 1947 de winkel van Frans de Morée nog enkele jaren voortzette, maar in 1955 zat er ene J. Snoep in. Voor 1967 moet A. van Vliet de zuivel- en eierenwinkel hebben overgenomen. Inmiddels was het huisnummer in 1955 92 geworden Volgens omwonenden die zich hen nog kunnen herinneren was Van Vliet zelf melkboer (die zich bevoorraadde bij de Sterovita/Melkunie melkinrichting aan de Tesselschadestraat op Oud-Krispijn) en stond zijn vrouw in de winkel. Dat hij vanaf 1960 naast de Combinatie melkinrichting zat was blijkbaar geen bezwaar.

Feest bij Eddie ter gelegenheid van het 30-jarig bestaan van Hobé in 2016

Hij moet er tot ongeveer 1980 gezeten hebben. Het is nog even een Surinaams eethuisje geweest en in 1984-85 was het cafetaria Emma. De eigenaars verkochten de zaak al in dat laatste jaar aan twee Rotterdamse jongemannen, de vrienden Ho en Beekhuizen, die op nr 92 sinds 1986 snackbar Hobé runden. In 1998 kwamen Eddie Choi en zijn vrouw Ying erin en het patat bakken hebben ze daarna 25 jaar volgehouden. In mei 2016 is nog het 30-jarig bestaan gevierd. Nu stoppen ze; deze echte buurtsnackbar is verkocht. Ze zullen gemist worden. Volgens de berichten blijft de naam niet bestaan, maar wordt het bedrijf weer net zoiets: een cafetaria.

Ik realiseerde me pas onlangs – omdat ik erachter kwam dat de middelste panden van het rijtje als winkel waren gebouwd – dat de pui van nr 92 nog de originele is. Hij is wel wat aangepast, van moderne kleuren voorzien en vanwege zijn functie bedekt met eigentijds reclamemateriaal, maar ik heb bij het bij Eddie halen van onze patatjes en mexicano’s steeds voor het linker venster uit 1897 naar de overkant van de Dubbeldamseweg zitten kijken. Ik werd daar even vrolijk van.

De pui van nr 92 met het originele stijl- en regelwerk en de puibalk

Wordt vervolgd

Naar boven

Dubbeldamseweg; de levensader van de wijk 4

Winkels in het oudste rijtje 1

Ik heb het al gehad over een paar winkels aan de Dubbeldamseweg. Dat de weg de levensader van de wijk was kwam ook doordat het de belangrijkste winkelstraat van de buurt was. Het hotel-café-restaurant (sinds 1904) op nr 48 (nu 68) zorgde al voor reuring. Maar in die oudste kleine huisjes  en een paar wat grotere zaten al rond 1900 wat winkels. Ook in wat ik de oudste rij noem, waren er al vroeg de nodige buurtwinkels.

De beide winkels in het rijtje, met hun doorlopende puien, in 1917

Met de bouw in 1897 was er al rekening gehouden dat er winkels in kwamen. Hoe ik dat weet? Er bestaat een gezicht op de oudste rij aan de Dubbeldamseweg dat geacht wordt uit 1917 te dateren, in dat jaar dus 20 jaar oud. Het is een prentbriefkaart gemaakt door fotograaf Tollens, destijds een begrip in Dordrecht. Ik kom nog op die foto terug, maar ik heb ingezoomd op de acht dubbele huizen waarover we het in deze blogs hebben. De middelste twee huizen met de nummers 62-64 (nu 86-88/90-92) wijken, als je goed kijkt, wat gevelindeling betreft af van de huizen aan weerszijden. Het lijkt erop dat naast de deuren op de begane grond bredere ramen zitten dan in de woonhuizen en dat die geen bakstenen muurdammen ertussen hebben. Dat ze dus opgenomen zijn in een pui met een doorlopende, eenvoudig gedecoreerde puibalk boven de ramen en deuren. Dat betekent dus dat de begane grond van die twee huizen geen woonhuizen waren, maar winkels. Die moeten er met de bouw in 1897 al hebben ingezeten. Bij een nog wat verder inzoomen van de foto vanaf de tennisbaan uit ca 1900 vallen ze al op. In het vorige blog zag u al hoe ze er, in een afwijkende kleur geschilderd (ze zijn donkerder dan de andere ramen en deuren), toen uitzagen.

De beide winkels met hun bredere ramen en de puien rond 1900

Dat er vanaf het begin winkels in die panden zaten wordt eigenlijk ook bevestigd door de adresboeken. Op 62 (88) is al in 1899 een vermelding van ene L. Oerlemans die er winkelier is, naast zijn beroep als timmerman. In  1901 blijkt ene Anton Rutte (1872-1919) er winkelier in kruidenierswaren te zijn. Hij is de oudste zoon van de in Dordrecht zeer bekende Simon Antonius Rutte (1844-1920), de stichter van de beroemde Rutte distilleerderij. Anton is naast kruidenier net als zijn vader ook likeurstoker en werkt ook als zodanig voor hem. In 1905 wordt hij zelfs mede-vennoot van het bedrijf. Of hij ook echt achter de winkel aan de Dubbeldamseweg woont is onduidelijk. Misschien in het begin even, maar tussen 1904 en 1924 woont daar ene Pieter Jan de Groot en zijn gezin. Hij wordt tot aan zijn dood in 1924 winkelknecht genoemd en het is daarom waarschijnlijk dat hij voor zijn baas Rutte de winkel runt. Na zijn dood blijft  zijn weduwe er nog enkele jaren wonen en misschien drijft ze de winkel nog een tijdje. Anton Rutte overlijdt al op 47-jarige leeftijd in 1919 aan suikerziekte. Een jaar later overlijdt zijn vader, de oude Simon, die op dan moment al een paar jaar woont op Dubbeldamseweg 66 rood, dus de bovenwoning, nu 94. Antons zoon Jan, net getrouwd in 1922, woont in 1924 en 1926 in de bovenwoning van nr 62.

In 1930 zegt het telefoonboek van dat jaar dat ene G.J. van Duinen, brandstoffenhandelaar, er woont en dat zijn dochter in de winkel staat. Waarschijnlijk verkopen ze er petroleum en lampenolie en dergelijke.

De fietsenwinkel van Verschoor op nr 51, jaren ’30

Verderop in de jaren ’30 verkoopt Leo Verhagen (1904-1973) er zijn kruidenierswaren en hij blijft dat doen gedurende de oorlog. Uit de adresboeken blijkt dat hij zijn winkel in 1955 en 1967 op nr 51 (nu 75-77) aan de overkant van de weg heeft en dus verhuisd is. In 1949 zit er namelijk in nr 62 een fietsenwerkplaats van ene Fas Verschoor, die in dat jaar hij de binnenplaats ging overdekken om de werkplaats uit te breiden. in 1955 had hij een rijwielbewaarplaats in hetzelfde pand, dat na de hernummering nr 88 is geworden. Fas Verschoor had in de jaren ’30 een rijwielhandel op nr 51 (nu 75) die hij dus ruilde met Leo Verhagen.

Een grotere wijziging van de invulling van het bedrijfspand is de aanpassing in 1960 van het interieur met een spoelplaats voorin de winkel. Het pand wordt gedeeltelijk veranderd voor de N.V. melkinrichting ‘De Combinatie’, Ludolf de Jonghstraat 85 te Rotterdam. Het blijkt een latere wijziging van het plan waarvoor eerder dat jaar al vergunning voor is aangevraagd en verleend. Ook kwam er een nieuwe etalage, waarbij de ingang van de winkel naar de rechterkant van de voorgevel werd verplaatst. En daar zit hij nog. Wel verdween zo de oorspronkelijke pui met al het fin-de-siècle houtwerk. In 1973 zit de Combinatie daar nog steeds, maar niemand schijnt zich nu te kunnen herinneren dat die melkinrichting er zat. Zo’n bedrijf was eigenlijk een centrale plaats voor melkboeren. Daar haalden ze de producten op die er vanuit de diverse melkfabrieken werden bezorgd en van daaruit trokken ze naar hun melkwijk. In de jaren ’60 en ’70 zullen dat de bekende ‘electrische honden’ zijn geweest. Benieuwd of er nog mensen zijn die zich dergelijke scenes aan de weg kunnen herinneren.

Een ‘electrische hond’ van de andere Dordtse melkinrichting, de DMI

Hoe lang dit bedrijf daar heeft gezeten is me (nog) niet bekend, maar toen wij in 1988 aan de weg kwamen wonen zat er een Turkse winkel waar je van alles kon kopen: brood, groente en fruit, vlees, (Turkse) kruidenierswaren, tassen, decoratiemateriaal, zoals spiegels en lampen, en potten en pannen. En goedkoop snoep… Een paar jaar geleden zat er nog een slangenwinkel, die vooraf werd gegaan door een wietkwekerij die na klachten van de buren door de politie werd ontmanteld. Slager Luca van nr 78 heeft er nu zijn opslagplaats, maar gedurende ruim 125 jaar heeft er, zo te zien, een kleurrijke verzameling zaken gezeten.

Nummer 88 (vroeger 62) in 2023

Wordt vervolgd

Naar boven

Dubbeldamseweg; de levensader van de wijk 3

Het oudste rijtje

Ik wilde deze reeks over de Dubbeldamseweg aangrijpen om het eens te hebben over mijn dagelijkse uitzicht. Dit rijtje zie ik vanuit mijn werkkamer door alle seizoenen heen en onder alle soorten weersomstandigheden. Al meer dan 35 jaar. Op het eerste gezicht een karakteristiek ensemble van vroeg 20ste eeuwse woningbouw voor de gewone burgerman en -vrouw, maar dat is het niet. Het dateert nog van voor de Woningwet 1901 was ingevoerd. Na meer dan 125 jaar mag je verwachten dat niet alles er meer uitziet als net na de bouw. Er is sindsdien veel aan die huizen vertimmerd, aangepast, veranderd en toegevoegd. Maar er zijn ook fysieke aantastingen geweest zoals verzakkingen, waterschade, verwaarlozingen van hout en dakpannen, brand, etc. Dat wil ik u allemaal laten zien, maar eerst een stukje bouwgeschiedenis.

Naast de kleine arbeiderswoningen aan de weg, kwam er dus ook al vroeg ‘hoogbouw’ van de grond. Op 20 maart 1896 werd er bij de gemeente een aanvraag ingediend voor het bouwen van acht boven- en benedenwoningen aan de Dubbeldamscheweg. De aanvrager was Gijsbert Bozuwa (1850-1938), meester timmerman en aannemer, die ze in 1896-97 ook zou bouwen. Niet bekend is wie zijn opdrachtgever was. Het zou de eerste langere rij van burgermanswoningen in de wijk worden.

Op de kaart staat het aangegeven als het lichtblauwe rijtje

Ze hadden alle dezelfde gevelindeling en plattegronden en een schuurtje achter op het erf. In de gevel hadden ze linksonder twee deuren dicht naast elkaar, met ernaast twee ramen. Op de verdieping zaten er drie ramen naast elkaar en in de geveltop een klein raam. Alleen die toppen wisselden van van vorm: twee puntgevels aan de buitenkanten van de rij, twee trapgevels die elk tussen twee lijstgevels met een dakkapel geplaatst waren. De bovenraampjes in de punt- en trapgevels zaten met twee naast elkaar, de eerste met halfronde toppen, die in de trapgevels met driehoekige toppen. Over de hele breedte van de rij liepen vijf ‘speklagen’ van geel-rood-gele baksteen, in de vier topgevels nog drie extra. De toppen waren ook nog voorzien van decoratieve spitsen. Het was een indrukwekkend geheel, niet onvergelijkbaar met wat er al eerder in de 19e eeuwse schil was gebouwd, maar dan wat kleiner. En vergelijkbaar met de vroegere huizen in de Indische buurt, die iets later is begonnen.

Op uw mobiel wordt deze tekening waarschijnlijk wat klein. In ieder geval de telefoon horizontaal houden.

Boven de ramen en deuren van de woonhuizen zitten, zoals gewoonlijk, de strekken met aan de zijkanten de aanzetstenen en in het midden de sluitsteen. Die afwerking was typerend voor de wat duurdere huizen uit de late 19e eeuw, maar in eenvoudigere vorm kwamen ze ook in kleine arbeidershuizen voor. Zoals in de Bloemenbuurt. Het waren al lang geen met de hand gehakte brokken natuursteen meer zoals dat in vroeger eeuwen gebeurde, maar in beton gegoten afgietsels van die eeuwenoude voorbeelden. Ze werden altijd in lichte kleuren (crème) geschilderd om mooie decoratieve effecten te krijgen en hun profielen – meestal een rechthoekig vooruitspringend vlak of een rechthoek met een driehoekige rug – verlevendigen de gevel aanzienlijk. Vanaf ongeveer 1900 verdwijnen die stenen boven de ramen en deuren en worden strekken uit baksteen, al of niet in kleur, gemetseld.

Op deze foto uit ca 1900, genomen vanaf de tennisbaan van de DLTC aan de Marketteweg, is de rij 76-104 te zien, met links nog het huis nr. 74, een open stuk waar nu de parkeerplaats
van de Aldi is en rechts nog de vier huizen 106-116, de Bloemstraat en de eerste huizen
van het volgende rijtje 118-120

Behalve in de bovenwoning nr 102 zijn alle middenstijlen uit de glasvensters verdwenen. Daar en in 104 zit nog glas in lood in de bovenlichten. Of die nog origineel zijn is me niet bekend want het wijkt in ontwerp af van het huis ernaast. Ook in de bovenramen van de deuren van 98 en 100 zit namelijk nog glas in lood.

In de loop van die ruim 125 jaar is er wel het nodige veranderd aan het uiterlijk van de benedengevels langs de weg. Het waren oorspronkelijk op twee na allemaal gewone, dubbele woonhuizen. De begane grond is bij al die huizen beduidend kleiner dan de verdieping, die ook nog een zolder heeft. Natuurlijk waren al die huizen, behalve 84 (zie hierna) dubbel bewoond, waarbij het lijkt alsof met name 76-78, 94-96 en 102-104 aanvankelijk vooral voor personeel van de Staatsspoorwegen dat in en om het station werkte was bedoeld. Er woonden onder andere klerken, ambtenaren/commiesen, portiers, een smid, telegrafisten, een ‘aantekenaar-weger’, een ladingmeester en misschien nog een technisch tekenaar. Dat duurde tot ongeveer 1909, toen op al die adressen ‘gewone’ beroepen een plek vonden. Vooral veel winkelbedienden, een politieagent/inspecteur, kantoorpersoneel, een coupeur, en steeds meer winkeliers die elders hun winkel of bedrijf hadden, zoals A.J. (1901-1906) en S.A. Rutte (1916-1919), de likeurstokers.

De oude en nieuwe, sinds 1955, nummering aan de weg

Op nr 80-82 woonden aanvankelijk onderwijzersfamilies. Al vanaf 1899 is de familie Meerkerk aan te wijzen op de begane grond. In 1908 verhuisden ze naar boven en kwam in hun plaats beneden de socialistische onderwijzer Jan van Zadelhoff wonen. Hij was politiek zeer actief en bouwde een geduchte linkse reputatie op. Niet voor niets werd hij op den duur voor de SDAP (voorganger van de PvdA) gekozen in de provinciale staten en ook in de tweede kamer. Nadat hij in 1916 met zijn vrouw naar een wat duurder huis in de Frederikstraat verhuisde en in datzelfde jaar de oude Piet Meerkerk sr. was overleden, betrokken diens dochter en zoon de beide etages van het huis. De dochter bleef tot in 1930 beneden wonen, waarna kapper Martens die etage in zijn zaak veranderde (zie een volgend blog).

Jan van Zadelhoff, ca 1925

Al vroeg, in 1919, werd nr. 84 in één huis veranderd en kreeg dus een andere indeling. De twee voordeuren werden één, met smalle ramen aan weerszijden. Erachter kwam een portaal. De alkoof tussen de kamers op de begane grond verdween en ze werden door het plaatsen van schuifdeuren tussen kastenwanden kamers en suite. Beide kamers kregen een schoorsteen. De voorgevelramen verloren in dit pannd toen al hun middenstijl. En zo ziet het huis er nog steeds uit. Alleen was het toen wij hier kwamen wonen in 1988, een bordeel en werd het na corona een pension voor Poolse arbeiders.

Het oudste rijtje nu; het kon net niet helemaal op de foto vanwege een boom en een lantaarnpaal.

In wezen veranderde er sinds de bouw niet veel wat bewoning betrof. De meeste huizen werden kort bewoond – niet meer dan een paar jaar per persoon – en slechts sommige herbergden een paar generaties lang één familie.  Net als nu eigenlijk, alleen hadden ze toen nog geen buitenlandse gastarbeiders.

Inmiddels zijn er op de begane grond vier winkels, waarover in het volgende blog meer.

Wordt vervolgd

Naar boven

Dubbeldamseweg; de levensader van de wijk 2

Het is duidelijk dat de in het vorige blog besproken huizen uit de jaren ’70 van de 19e eeuw de oudste waren aan de even kant van de Dubbeldamsweg. Natuurlijk was de beheerderswoning van de begraafplaats ouder, waarschijnlijk uit 1828, maar daar gaat het nu niet over. De vraag is: wat werd er daarna het eerst gebouwd langs de weg. Op de stadskaart van 1901 zijn de weg en de eerste drie bloemenstraten al aangegeven met doorlopende rijen huizen. De uitspanning staat erop, met aan de overkant van de weg het werkplaatsje waar de hulpmiddelen voor het draaien van touw onderdak vonden en dat aan het begin van de lijnbaan stond. De drie huizen ernaast zijn als één complexje weergegeven, wat me een fout lijkt. Vlak daaronder begint een doorlopende rode rij die tot aan het begin van de Leliestraat reikt. De rijen woningen langs de Bloem-, Rozen- en de noordkant van de Leliestraat lijken ook helemaal op elkaar aan te sluiten. Ik denk dat dit een verkeerd beeld geeft van de werkelijkheid. Het is waarschijnlijk dat op die kaart van 1901 een meer schetsmatige indruk van de bebouwing in wat later de Bloemenbuurt zal heten, is gegeven. Dat het de planning voor de toekomst weergaf, met inbegrip van wat er al wel stond in dat jaar.

De Bloemenbuurt in 1901: het plan

Op de kaart van 1903, die echt heel nauwkeurig is en elk pand laat zien, is duidelijk wat er twee jaar later wel stond. Beide kanten van de Bloemstraat en de Leliestraat waren toen bebouwd, maar de Rozenstraat, behalve de zuidelijke hoek, nog helemaal niet. Ook in 1908 stond daar nog niets, en pas tussen toen en 1912 zijn de rijen daar gebouwd en is ook de Rozendwarsstraat ingevuld.

Beduidend verder van de nrs 52-54 aan de Dubbeldamseweg – de huizen gemetseld van gele bakstenen – staat een rij die helemaal tot aan de hoek met de Bloemstraat reikt. Daarover gaat een volgend blog. Waarna nog rijtjes tussen de Bloemstraat en Rozenstraat en tussen de Rozenstraat en de Leliestraat al aanwezig waren.

Het toeval wil dat juist op de zuidelijke hoek Dubbeldamseweg-Rozenstraat een huisje staat met een jaartal in de gevel. De cijfers zijn gemaakt uit strips smeedijzer die met ankers in de muur zitten. Het laatste cijfer is wat verminkt, maar er staat duidelijk 1895. Op de kaart van 1903 staat het aangegeven als het meest rechtse huisje in een rijtje van vier aan de Rozenstraat (30-36). De eerste huizen, die toen dus al acht jaar in de straat stonden.

Rozenstraat (ROS) 30-36

Het hoekhuis had waarschijnlijk oorspronkelijk ook een ingang aan de Rozenstraat, wat nu nr 36 geweest zou zijn. Ik kan dat helaas niet bewijzen, want er zijn, ondanks mijn navragen bij oud-bewoners, geen foto’s bewaard van dit deel van de straat. Sinds er in 1913 een hoekwinkel in werd gemaakt (met de ingang in de afgesneden hoek) is de deur van het woonhuis aan de Dubbeldamseweg op nr 130 (toen 80). Hij opent direct in de keuken. Daarachter was nog een plaatsje met de buitenplee. Het is nu geheel wit gepleisterd en staat bekend onder de naam ‘De Zonnebloem’ naar de gezondheidsvoedingwinkel die er jaren geleden in heeft gezeten (zie bovenaan het blog).

DDW 130, vóór 1913
DDW 130, na 1913

Rechts van nummer 130 staan nog twee aan elkaar gebouwde huisjes (132-134) die duidelijk uit dezelfde tijd stammen, inclusief de sluit- en aanzetstenen boven deuren en vensters. Al is de gevel van 134 inmiddels ingrijpend gewijzigd, hij was oorspronkelijk hetzelfde als nummer 132. Die verknoeide gevel is door de eigenaar van de doe-het-zelf winkel even verderop, zonder toestemming, aangepakt en past nu van geen kanten meer in het beeld van de weg. Het is mij een raadsel hoe zoiets heeft kunnen gebeuren.

DDW 132-134

Bij de huizen tussen de Bloemstraat en Rozenstraat, aan de weg, horen ook nog vier huisjes (120-126) die twee aan twee zijn gebouwd, maar waarschijnlijk niet tegelijkertijd, of door dezelfde aannemer. Ze verschillen op subtiele wijze. De rechter twee zijn iets hoger en hebben gewone strekken boven deuren en ramen, terwijl de linker twee strekken heeft met aanzet- en sluitstenen zoals ze in de laat-19e eeuwse huizen in Dordrecht voorkomen. Die zijn dus wat ouder, want zulk soort versiering werd na 1900 losgelaten en vervangen door volledig in baksteen uitgevoerde strekken. Door baas Hoek werden zulke strekken nog decoratiever gemaakt door gele en rode baksteen in allerlei speelse combinaties toe te passen. Deze vier huisjes zitten duidelijk in de overgangsfase, waardoor ik ze rond 1900 dateer.

DDW 118-126

Het hoekhuis 118 (nu bij nummer 120 getrokken) is groter dan die vier aan zijn rechterkant. Ook dit was oorspronkelijk een winkel met een hoekingang, maar al weer jaren een woonhuis.

De hier behandelde woningen behoren dus tot de oudste, nog bestaande huizen langs de Dubbeldamseweg.

Wordt vervolgd

Naar boven

Dubbeldamseweg; de levensader van de wijk 1

Na de verwaarloosde huizen aan de Mauritsweg wilde ik me wel eens verdiepen in de bouwgeschiedenis van de Dubbeldamseweg. Als oudste weg in de wijk – sinds ca 1600 de traditionele route naar het dorp Dubbeldam – moet eigenlijk wel de vroegst bewoonde locatie van onze wijk zijn. Ik was al wel eens bezig geweest met het café (waarover hieronder meer), maar ik had me nooit echt verdiept in wat ik elke dag tegenover me zie vanuit mijn werkkamer. Ik had ook al vroeg (zelfs in 1988, toen ik hier pas woonde) foto’s van de weg gemaakt en dat heb ik in 2015 nog eens herhaald. Die foto’s waren altijd van een afstandje gemaakt, maar toen ik vorig jaar en ook dit jaar eens van dichterbij ben gaan fotograferen, schrok ik toch wel. We hebben hier aan de weg nogal te maken met tijdelijke bewoning op diverse etages van mensen die snel een onderdak nodig hebben en ook met gastarbeiders die met hele groepen tegelijk een huis bevolken. De eigenaars van de huizen waar dat gebeurt hebben niet veel hart voor hun bezit en hebben de neiging de boel te verwaarlozen. Daar lijden deze woningen van meer dan 120 jaar oud behoorlijk van. Ik wil u daar een blik op gunnen, maar voor ik dat doe moest ik uit zien te vinden wanneer wat gebouwd is en wat de geschiedenis van die huizen (en straten) is.

Eerst wat over de benaming van dit stuk van de wijk: de bebouwing om de Dubbeldamseweg, de levensader van Nieuw-Krispijn-Oost. Mijn telefoon beweert hardnekkig dat ik in de Bloemenbuurt woon. In het echt woon ik aan de westkant, de oneven kant, van de Dubbeldamseweg. De naar bloemen genoemde straten liggen  bewijsbaar al meer dan een eeuw aan de oostkant van die weg, richting  spoorlijn. Het zijn de eerste straatjes met arbeidershuizen van de wijk. Dat zijn echter niet de eerste ‘moderne’ huizen in de wijk. Die staan aan de Dubbeldamseweg, aan de even kant. En die stonden er al aan het eind van de 19e eeuw. Voor zover dat na te gaan is dateren ze alle van na de aanleg van de spoorlijn naar Breda. Alleen de boerderij, waarvan een bijgebouw er nog staat, aan wat nu de Mariastraat is ouder. Die hoorde oorspronkelijk bij het 17e eeuwse Huis te Dubbeldam, waar de heer van dat dorp woonde, en dat al in 1770 is afgebroken.

De laatste, hevig gemoderniseerd versie van de schuur van de oude boerderij van Molendijk aan de Mariastraat

De oneven kant van de weg grensde aan het landgoed van die heer, dat geheel omgeven was door een brede sloot. Een gedeelte daarvan lag naast de westkant van de weg en tussen die sloot en de weg lag de lijnbaan van P.C. Smits. Die verdween pas toen in 1906 op initiatief van Baas Hoek aanstalten werd gemaakt om de weilanden ten westen van de weg te gaan bebouwen. Daarover later meer.

Het eerste nieuwe groepje huizen aan de oostkant, dus met de even nummering, staat afgebeeld op de kaart uit 1878 en zal kort na de grenswijziging met Dubbeldam in 1871 en de in gebruikname van de spoorlijn in 1872 zijn gebouwd op dit nieuwe Dordtse gebied. Ze stonden tegenover de Marketteweg en de locatie waar later de Mauritsweg zou komen. Het noordelijke is de voorloper van het latere café: een soort boerderij met aangebouwde stal waar in 1873 C. de Korver, melkboer en stalhouder woonde. Het pand kreeg de naam Nieuw Dordrecht, als eerste belangrijke huis in de nieuwe Dordtse wijk. Het fungeerde direct al als uitspanning en tapperij (zie de foto uit de periode 1900-1903 bovenaan dit blog). De Korver ging zich daarom in 1873 al tapper, stal- en logementhouder noemen. Treinreizigers konden hier wat drinken, een hapje eten en eventueel overstappen op paard en wagen naar andere bestemmingen op het Eiland. Rond 1900 werd het uitgebaat door zijn zoon A.M. de Korver. Dat het ook nog een logement was kan je in de adresboeken van voor 1904 zien aan de vlottende bevolking in het pand. Daar waren nogal wat jonge, ongehuwde onderwijzers bij.

Op 2 augustus 1904 sloeg het noodlot toe: er brak brand uit in een schuur van de uitspanning. Ondanks de inspanningen van de brandweer brandden de schuur en stal geheel af. Gelukkig waren er geen paarden gestald – die en het vee van De Korver liepen in de wei – maar hooi, landbouwgereedschap en wagens gingen verloren. Een varkenshok was op tijd ontruimd, dus er waren geen ‘krulstaarten’ te betreuren. Het woonhuis bleef wel bewaard, maar veel inboedel was kapot. De oorzaak was hooibroei geweest en 50.000 kilo van het gedroogde gras was verbrand of had waterschade.

Café De Korver 1912
Café Versteeg ca. 1935

De eigenaar zat niet bij de pakken neer en bouwde het complex in 1904-05 weer op in de stijl die nu nog vaag is te herkennen. Helaas zijn er geen blauwdrukken van het pand en de gevel, maar gelukkig zijn er enkele foto’s van de weg waarop het toen Hotel-Café-Restaurant genoemde pand in zijn vroegere glorie te zien is. De vroegste dateert van ca 1912 en de volgende van rond 1935. Vanaf de jaren ’20 stond het pand bekend als Café Versteeg (van vader J. en zoon H. Versteeg). In de jaren ’70 was het beroemd als Café Smits en was het het centrale punt waar schriftelijke rijexamens werden afgenomen in de serre (links) en van waaruit je afreed voor de praktijk. De foto met de triomfantelijke geslaagde jongeman dateert van 1974. Ik ben er zelf in begin 1973 afgereden.

Café Smits, 1974

Nog niet lang geleden werd het pand aan de buitenzijde helemaal wit gestuct met groene accenten. De gevelbekroning is deels verdwenen en de roedeverdeling van de vensters is gemoderniseerd. Van de vroege art-decostijl van de gevel is niet veel meer over. De serre aan de tuinzijde is er echter nog steeds. Duidelijk is op de foto uit 1912 te zien dat de bijbehorende tuin oorspronkelijk groter was dan tegenwoordig. Er is alleen nog een prachtige paardenkastanje van over. Nu ligt op de plaats van een groot deel van de tuin een voetgangers-en wielrijderstunnel (Transvaaltunnel). Het is nog steeds een horecapand, maar  corona heeft het toenmalige café de das omgedaan. Volgens de huidige eigenaar hebben echte café’s in deze tijd geen bestaansmogelijkheden meer. Het is dit jaar een sushibar- en grill met de naam Oishi geworden.

De groen-witte versie van Café De Blokkies, 2020

Intussen is het niet waarschijnlijk dat de oude baksteengevel, het vroegere houtwerk en de originele natuursteenelementen nog terugkomen,  al is het pand best netjes opgeknapt. Jammer, want het is zo’n beeldbepalend gebouw op de hoek van twee wegen. Vanaf de Mauritsweg rijd je er recht op aan. En dan zag je, zoals op de tekening hieronder, een mooi harmonisch pand dat perfect in zijn omgeving paste. Maar als die ook onherkenbaar verandert….

Reconstructie van de originele versie van het hotel-café-restaurant.
De kleuren zijn bij benadering: we weten niet wat de originele waren

Ernaast, dus even ten zuiden ervan, stonden twee uit gele IJsselsteen opgetrokken woningen, met daarachter nog zo’n huis (oude nummering 50-54). Aanvankelijk lag er nog een sloot voor, waarover bruggetjes naar de voordeuren leidden. Vóór 1912 is de sloot gedempt en ligt er alleen nog een stukje water tussen het café en het spoor. Die huizen zijn pas omstreeks 1960 gesloopt. Uit de adresboeken van 1873-1897 blijkt dat er wat arbeiders woonden, die waarschijnlijk met het spoor te maken hadden. In een van de huizen woonde gedurende een paar jaar ook nog een commissionair (iemand die voor anderen handelt) en later een paarden- en zaadhandelaar.

Hevig geretoucheerd detail uit een gezicht op de DDW in ca 1912. De sloot  voor de huizen 52-54 is inmiddels gedempt. Geheel links de nieuwbouw van het café uit 1904.

Wordt vervolgd

Naar boven

De verwaarloosde hoeken 3

In datzelfde jaar werden op de begane grond van het huis aan de Mauritsweg twee woningen gemaakt. Het linkerappartemen had zijn ingang aan de Hendrikstraat 1, het rechter kreeg een ingang naast de beide voordeuren 4 en 6 van de bovenwoningen en kreeg als nummer Mauritsweg 8. Hiervoor werd in de aanbouw van de genoemde beuk achter nr 1 een slaapkamer gemaakt en achter 8 een keuken. De balkons werden in het midden wat minder diep en dat zijn ze nog. De pakhuizen en kantoren waren verleden tijd. De beide deuren 4-6 zitten er nog, met hun zijraampjes. De deuren zijn inmiddels ‘modern’ en de roedeverdelingen en het glas van de zijramen zijn veranderd, behalve die van het bovenlicht van nr 6. In het onderzijraam zit daar zelfs nog een origineel houten pilastertje.

Als je dichterbij de huizen komt kan je pas goed zien wat er mis is

Nog waren de veranderingen niet afgelopen. Al in 1932 werd door eigenaar van de pand nr 6, B. van der Eijk, vergunning aangevraagd om de woning op nr 8 uit te breken. Van der Eijk was slager aan de Dubbeldamseweg 49, nu 71, en wilde er een beenderopslag van maken. Hiertoe werden op de plaats van de voordeur en het raam van nr 8, twee dubbele inrijdeuren geplaatst. Hoe hygiënisch een dergelijke bewaarplaats in een woningrij was is de vraag. Nu is de ruimte achter die deuren leeg, al is er in het verleden wel eens een groentehal in geweest. De 4 deuren zijn vervangen door twee paar dubbele vouwdeuren.

Inmiddels zijn alle ramen in het linkerpand van kunststof. Het rechterpand heeft nog houten kozijnen, maar het meeste verfwerk, tot aan de dakramen toe, is zwaar verwaarloosd. Inclusief het originele bovenlicht en het zijraam van de voordeur van nr 6. Overal zitten moderne deuren in. Ik heb een vermoeden dat er misschien achter de plaat board op de deur van nr 6 nog een  origineel exemplaar zit, maar ga dat maar eens nakijken. De muren zijn niet bijgehouden en algehele de staat van het onderhoud van de gevels zowel aan de Hendrikstraat als de Mauritsweg is belabberd. En dat terwijl de hoekoplossing met zijn prachtige metselwerk een stuk bouwkunst is dat als monumentaal zou moeten worden beoordeeld.

Woningzorg 3

Ik neem aan dat de huizen uit de periode tussen 1914 en 1918 in het Woningzorg complex in ieder geval voldeden aan de sinds de Woningwet van 1901 gestelde eisen van toen modern wooncomfort. Die gingen in die tijd al een stuk verder dan de rijen huizen die tussen 1907 en 1912 werden gebouwd. Er vonden dus aanpassingen aan de wet plaats.

Als je de huizen in Woningzorg in het vorige blog vergelijkt met die in, bijvoorbeeld, de Bloemstraat uit ca 1900 zie je duidelijke verschillen. In de laatste straat ademen ze nog de vorige eeuwen: bij de voordeur begint een korte, nauwe gang van nog geen 4 m lang en ca. 80 cm breed, uitkomend in een woonkamer van ca. 4 x 4,5 m met bedstee en een raam dat uitkijkt op een plaatsje. Er is een voorkamertje van ca. 3 x 3,5 m met een raam naar de straat, en er is in een aanbouw een keukentje van ca 2,2 x 3 m met een  stookplaats, een diepe kast naast een plee die op de keuken uitkomt, en een deur naar buiten. Aan het eind van de gang, naast de deur van de woonkamer, begint de trap naar de zolder onder het schuine dak met voor en achter een dakkapelletje. Daarin is misschien een kamertje afgetimmerd. De gebruikte materialen waren modern voor de tijd, maar de indeling was dezelfde als de huizen uit de 17e eeuw (en vroeger) in de zijstraten in de binnenstad, al was het hele huis misschien iets breder.

Iets later waren er huizen gebouwd met nog een alkoof tussen de voor- en woonkamer, waar het bed van de ouders stond. Er was ook soms al een haard in beide kamers en natuurlijk stookmogelijkheid in de keuken. Er was  een keldertje en de gang liep helemaal naar achter en eindigde in de aanbouw met de keuken. Daar stond nog wel de wc geheel inpandig. Wel waren er nu dikwijls twee ramen aan de voorkant en een breder exemplaar dat uitkeek op het plaatsje

De arbeiderswoningen uit 1908-09 in de Alexanderstraat hadden standaard twee ramen voor en achter, de keuken inpandig (waardoor die huizen breder waren), een alkoof met twee bedsteden en vier kasten en een wc in de gang achter de trap naar boven. Als ze dan wel een keuken in de aanbouw hadden was de woonkamer soms de hele breedte van het huis, ca 4.50 m, en eindigde de gang bij de woonkamer. De trap naar boven was dan op de plaats van de ene bedstee. De wc was daardoor opgenomen in de  aanbouw, maar had een portaaltje ervoor, waar ook de buitendeur was. Op zolder waren minstens twee slaapkamers en een brede overloop. En een raam in de voorgevel boven en een  dakkapel boven de achtergevel.

Er is veel overeenkomst met de huizen in het Woningzorg-complex, maar die zijn in vergelijking met de wat oudere in de zijstraten van de Mauritsweg toch net wat krapper.

Geen wonder dat vanaf de jaren ’20 aanpassingen aan de vroeger gebouwde huizen werden gedaan. Electra werd normaler, er was al stromend water en vanuit de wc’s toegang tot de riolering. Maar successievelijk werden de houten pleeën met een gat in een plank boven het riool vervangen door een porseleinen wc met trekmechanisme die uiteraard ook op dat riool loosde. Aparte wc-ruimten werden aan de keukens gebouwd en kregen een portaaltje zodat je niet na gedane arbeid direct de keuken binnenstapte. Vervolgens werden de enkele dakkapellen vervangen door veel bredere exemplaren, die in sommige straten een bijna doorlopende kapellenrij vormden. Er moest natuurlijk een extra schoorsteen komen voor een kachel in de voorkamer. Bedsteden en alkoven werden uitgebroken en het maken van echte slaapkamers op zolder, hoe klein ook, waren de volgende stappen. Van badkamers was nog steeds geen spraken. Toen wij in 1988 aan de Dubbeldamseweg kwamen wonen hadden de, bejaarde, bewoners een douchecabine in de keuken staan.

De kleine arbeidershuizen waren aanvankelijk allemaal huurhuizen, maar op den duur werden vele ervan koophuizen en gingen de eigenaren aan het doe-het-zelven. Van de Hubo, via de Wickes naar de hedendaagse Praxis, de Karwei en de Gamma; daar kon je je hele huis goedkoop aanpassen aan de nieuwe tijd. Glas-in-lood bovenramen werden vervangen door helder glas, want “het maakte de kamers zo donker”. Het doorbreken van de kamer-en-suite om een grotere woonkamer te krijgen werd mode en de schuifdeuren met hun kasten aan weerszijden verdwenen. De zware grenen voordeuren werden vervangen door lichtere exemplaren met glas erin, of ernaast, als bijvoorbeeld een boven- en benedenwoning bij elkaar werden getrokken en twee voordeuren niet meer nodig waren. De vele vakkundig getimmerde paneeldeuren binnenskamers werden voorzien van platen board aan beide kanten en strak wit of crème geverfd. Bij een samengetrokken dubbel woonhuis werd de keuken boven in de badkamer veranderd. In kleinere huizen werden andere oplossingen gezocht, zoals open keukens en het badkamertje in de aanbouw. Of in een nieuwe aanbouw verder op het erf.

Dakkapellenrij in de Rozenstraat (oneven nummers)

Toch bleek dat de huizen uit het begin van de eeuw na zo’n 50-60 jaar wel sleten en dat het onderhoud bij huurhuizen lang te wensen had overgelaten. Begin jaren ‘80 werden al plannen gemaakt voor renovatie en kwamen er nieuwe deuren en ramen in het complex en werd het interieur gemoderniseerd. Op de foto is te zien dat het muurwerk nog in goede staat was en dat het er scherp gevoegd uitzag. Maar in 1994 bleek er al weer een nieuwe wind te waaien en werd er rigoureus met de sloop van de huizen langs de Anjelier- en Violenstraten begonnen. Sommige rijtjes kwamen niet terug en in plaats daarvan werd een parkeerplaats en een speeltuin aangelegd. Één rijtje in de Violenstraat werden gerenoveerd, maar de meeste werden geheel nieuw opgetrokken. Die nieuwe huisjes passen echter van geen kanten bij de rest van de wijk.

De renovatie van de jaren ’80

De dubbele woningen van Woningzorg aan de weg werden eveneens gemoderniseerd, kregen dezelfde karakterloze nieuwe ramen en deuren en de gevels werden schoongemaakt. En opnieuw gevoegd. Ik kan me nog herinneren dat ik er groepen jongelui – metselaars in opleiding? – bezig zag en dat het resultaat van het voegwerk om te huilen was. En dat is het nog steeds: oorspronkelijk te nat voegsel dat uitliep over de bakstenen en nooit meer werd verbeterd. Ik vind het elke keer als ik er langs loop weer een aanfluiting. In vergelijking met de rest van de buurt, waar het metselwerk van voor 1930 altijd perfect is, haalt zo’n enorme bakstenen wand met druipvoegen het bouwkundige gehalte jammerlijk naar beneden. Iemand die toen zo metselde zou op staande voet zijn ontslagen.

Lelijk voegwerk aan de Dubbeldamseweg
Zo hoort het: voegwerk uit 1908