Schimmelbaksteen

Ik zal het maar bekennen: ik heb wat met baksteen. Dat begon al in 1991 toen we voor Archeon op zoek waren naar moderne replica’s van veertiende eeuwse bakstenen (die waren er niet…). Sindsdien heb ik me verdiept in alles wat met dat bouwmateriaal te maken heeft. Wat ermee gedaan is en wat er nog steeds mee gedaan wordt. Hoe ze gemaakt werden en worden en wat de eigenschappen ervan zijn. Ik houd van de namen die er om het bouwen met baksteen worden gebruikt; van kruisverband tot klezoor. Dat betekent ook dat ik altijd loop te letten op wat mensen om me heen ermee gedaan hebben. En daarom maak ik me in mijn KIK project ook zorgen over wat men er hier nog mee gaat doen.

Nieuwbouw aan de Mariastraat 17-29

Ik heb al eerder mijn angst voor afbraak en nieuwbouw van Nieuw-Kispijn-Oost uitgesproken. Niet alleen dat je een uniek stuk onbeschermd stadsgezicht mee kwijtraakt, maar wat krijg je ervoor terug? Ik heb ook al gewezen op wat ze notabene in onze wijk aan de Mariastraat gebouwd hebben en aan het bouwen zijn. Ongetwijfeld ruime en comfortabele huizen, maar verrekte somber om te zien. Gebouwd van een soort donkere paarsrode-bruine bakstenen, afgewisseld met een bijna onbeschrijfbaar donker beigegrijs. Het huis dat nu naast Mariastraat 15 wordt gebouwd is in dezelfde kleuren baksteen (en hetzelfde metselverband: noords met afwijkingen).

De bakstenen van de nieuwbouw naast Mariastraat 15 bij zonlicht. Meestal zijn ze een stuk donkerder

Ik heb het ook al even gehad over de afbraak en herbouw van onze buren: Nieuw-Krispijn-West. Het Witte Dorp verdwijnt. De kleine huizen waren na de oorlog op een koopje gebouwd met verwerkt puin van gebombardeerde gebouwen omdat de woningnood hoog was. Die verdwijnen op dit moment en zijn deels al verdwenen, want door verwaarlozing, maar ook omdat ze aan hun eindje waren, werd dat de hoogste tijd.

Optimistische vooruitblik naar de Charlotte de Bourbonstraat
Hoek Anna Paulownastraat-Mariannestraat in de toekomst

Ernstiger en al veel beter zichtbaar zijn de nieuwe huizen die in de plaats zijn gekomen van wat ik de straten van de Oranjevrouwen noem: de Anna Paulowna-, de Charlotte de Bourbon- en de Mariannestraten, die deels nog doorlopen in het Witte Dorp. De architecten hadden een aantal jaren geleden aantrekkelijke toekomst-tekeningen gemaakt om bewoners te trekken. Het ziet er allemaal zonnig en groen uit. Inmiddels zijn de casco’s zo’n beetje klaar en staan er overal verhuiswagens en klussersbussen. Maar in Nederland is het lang niet altijd zonnig.

Wat je op de tekeningen niet ziet zijn de bakstenen. Die zijn ‘wit’. Nou ja, ze hebben een lichte kleur en als je dichterbij komt lijkt het op er een schimmellaag opzit. Soms op het zwartige of ongezond bruinige af en altijd kalkig. Zie de grote afbeelding bovenaan dit blog. Ik vind het afschuwelijk. Het is ook zo on-Nederlands. Niet dat ik nou zo’n chauvinist ben, maar ‘witte’ bakstenen zijn niet bestand tegen het vaderlandse weer en zeker niet als ze zo’n ruw oppervlak hebben als de beschreven schimmelbakstenen.

Het ANWB pand kort voor de afbraak in 2023

Je zou toch denken dat architecten en aannemers inmiddels voldoende ervaring hebben met de effecten van regen, roet en uitlaatgassen op lichte baksteen. Ik kan me nog de nieuwbouw van het Delftse stadskantoor destijds herinneren, dat bedekt was met witte tegeltjes. En die waren ook nog geglazuurd. Na een paar jaar waren ze groen uitgeslagen. En we hebben net zo’n verhaal over de witte wanden van het ANWB gebouw aan de Spuiboulevard. Maar nee. Aan het eind van de Charlotte de Bourbonstraat staan langs de Mauritsweg notabene twee rijen voorbeelden van wat er gebeurt met dit soort baksteen, al zijn die van oorsprong eigenlijk heel lichtgeel. De bijgaande foto’s spreken wat dat betreft duidelijke taal. De grauwsluier over beide rijen en de grijze plekken in de lichte muren zijn een aanfluiting.

Mauritsweg 80-92 in hun huidige staat

Wat is er mis met gewone baksteen?  Die gebruiken we al sinds het begin van de dertiende eeuw, waarbij Dordrecht de eerste stad in Holland was die de toen nog zeldzame baksteen toepaste in woon- en pakhuizen in plaats van bij kastelen, kloosters en andere belangrijke gebouwen. Hij was door de klei die hier voorhanden was verkrijgbaar in tinten van licht oranje (appelbloesem noemde men dat vroeger) tot grijsbruin, met allerlei nuances daartussen. Alleen aan de Hollandse IJssel produceerde men gele bakstenen, die kleiner waren. De stenen hielden zich eeuwenlang goed, al bleken ze wel te donkeren onder in vloed van vroeger roet en nu uitlaatgassen. Maar als een hele wijk ‘donkert’ zoals bij ons, valt dat niet echt op. Bovendien verbinden allerlei organismen via de regen en de rook zich met de altijd poreuze baksteen die daardoor een een bijna ondoordringbaar oppervlaktelaagje krijgt. En dat geldt ook voor de voegen. Het valt dan natuurlijk wel op als men de muren gaat schoonspuiten. Buiten dat het schadelijk kan zijn voor zowel de steen als de voegen, want dat genoemde laagje wordt eraf geschuurd, valt zo’n ‘schoon’ pand tussen de rest er dijkwijls nogal opvallend uit. Het gaat ook ten koste van de sfeer en harmonie in de rij waarin het staat. Maar voor dat laatste hebben moderne mensen dikwijls weinig oog.

Gedonkerde muur uit 1910 aan de Dubbeldamseweg
Schoongemaakte muur uit ca 1910

Baas Hoek bouwde tussen 1901 en 1917/19 met licht oranjebruine stenen. Nieuw waren dat heel ‘vrolijke’ stenen, zeker als ze nog gecombineerd werden met raam-  en deurstrekken en speklagen van gele en rode bakstenen. Dat is één van de aspecten die Van Hoeks aandeel in Nieuw-Krispijn-Oost juist zo aantrekkelijk maken. De iets grauwere en donkerdere stenen in de jaren twintig huizen zijn daartussen een mooi contrast. Zeker met het creatieve gebruik van versieringen in baksteen en het toepassen van verdiepte rijen en de leuke randen en muizentanden.

Muur uit 1923 aan de Mauritsweg
Muizetandjes

Ik verbaas me er dus over dat moderne architecten ondanks die slechte ervaringen met lichte muren in Nieuw-Krispijn-West toch weer kiezen voor lichte baksteen als je bij de buren kunt zien hoe lelijk die er na een paar jaar al uit gaan zien. En dat dat gebeurt met bakstenen die een kunstmatig  schimmellaagje hebben gekregen. Dat is bijna nog erger dan als je huizen bouwt met kunstmatige roet- en metselkalklaagjes alsof je niet goed schoongemaakte baksteen hergebruikt van afgebroken huizen.

Het is mijn nachtmerrie dat verwaarloosde huizen van de oostkant van de wijk omdat er niet meer in gewoond kan worden zullen worden afgebroken en op zo’n manier weer worden herbouwd. Bescherm Nieuw-Krispijn-Oost tegen de schimmel! Maak het een beschermd stadsgezicht!

Naar boven

Drama in de Sophiastraat

De timmerman-aannemer Gerrit van Hoek (1880-1958) verhuisde tijdens zijn werkzame leven tussen 1901 en 1933 een kleine twintig keer. Minstens zes keer daarvan bewoonde hij huizen in de wijk Nieuw-Krispijn-Oost, niet zelden in een dat hij zelf had gebouwd. Zo bouwde hij in 1908 de rijen aan de even en oneven kant van de Sophiastraat. Terwijl hij bezig was bestemde hij het rechter van de drie grote dubbele panden in de oneven rij, nr. 15, later 17, voor zichzelf. Hij richtte de begane grond in als werkplaats met een groot raam en een dubbele deur voor brede vrachten. Hij trok met zijn groeiende gezin in de bovenwoning. Zijn derde kind werd dat jaar geboren.

SOS 17 op de bouwtekeningen 1908
SOS 21-23 (vroeger 17) zoals het er nu uitziet

Omdat hij wilde dat die bouw ook wat opbracht bouwde hij er twee soortgelijke, maar iets smallere, panden met woningen boven werkplaatsen naast. Die verhuurde hij. Één ervan kwam in handen van R.C. Woerdenbag die op 27 februari 1908 een hinderwetvergunning kreeg ‘betreffende een werkplaats tot het vervaardigen en repareren van rijwielen’. We zijn de Woerdenbags al tegengekomen in het blog over de verwaarloosde hoeken. Hij kan er niet lang ingezeten hebben, want baas Hoek verhuisde al in 1910 naar de Frederikstraat waar hij zijn fabriek begon. Tegelijkertijd bouwde hij de werkplaatsen op de begane grond van de nummer 13, 15 en 17 om tot woonhuizen met gewone deuren en ramen.

SOS 13-17 1908
SOS 13-17 1910
SOS 9-11 nu
SOS 1-7 nu

Tot ongeveer 1920 bleef het stuk tussen de Mauritsstraat en de eerste huizen aan de oneven kant van de Sophiastraat onbebouwd. Eerst werd het pand dat nu nummers 9 en 11 heeft opgetrokken. De stijl van de gevel is veel eenvoudiger dan die van baas Hoek, met getoogde strekken en rollagen in dezelfde baksteen als de muur. In de ramen van de begane grond zit nog glas-in-lood zoals dat vanaf even voor 1920 werd gemaakt. De bovenrraamkozijnen  zijn inmiddels van kunststof. Rondom 1922-23 werd het eerste blokje van 2 dubbele woningen (1-7) gebouwd in precies dezelfde stijl als baas Hoek dat in 1923 op Mauritsstraat 1-23 zou doen. Misschien dateren ze wel uit precies hetzelfde jaar, maar de plannen en vergunningen voor dit rijtje zijn niet bewaard gebleven.

Sophiastraat 13 achter de schutting verderop in de jaren ’70

Na de oorlog leed de wijk al aan verwaarlozing en de huizen op nr 13 en 15 waren daar een voorbeeld van. Nr 13 werd zelfs in de jaren ’60 onbewoonbaar verklaard want het was scheefgezakt. Het feit dat men zich daar weinig van aantrok was de oorzaak van een ramp. Op 4 april 1973 brak er brand uit en kwam een negen maanden oude baby om in de rook. Een Italiaanse buurman redde via de goot een ouder meisje, terwijl de moeder in paniek de straat was opgevlucht. Het huis jarenlang achter een schutting gestaan en verpieterde nog verder. Op den duur werd het, met nr 15, dat ook flink geleden had, afgebroken (met dank aan de moeder van Waylon M.).

SOS 13-19a nu

In de plaats daarvan kwam een zogenaamde Van Dam woning (tegenwoordig wordt dat een HAT eenheid genoemd: Huisvesting Alleenstaanden en Tweepersoonshuishoudens). Ze werden tussen 1975 en 1985 overal in Nederland gebouwd en ze waren, omdat ze goedkoop waren, zeer geliefd bij studenten en starters. Ze werden gekarakteriseerd door een zeer eenvoudige bouwwijze van standaardelementen met weinig baksteen en veel houten regelwerk bedekt met kunststofpanelen of mdf. En platte daken. Ze steken als ze  tussen bestaande woningen worden gebouwd enorm af bij de originele bouw in een straat. Het pand in de Sophiastraat werd opgedeeld in vijf wooneenheden (13, 15, 17, 19 en 19a) en, hoewel het strak vormgegeven is en even hoog is als de buren, ziet het er niet uit en slaat het in zijn omgeving helemaal nergens op. Persoonlijk vind ik het een dramatisch slechte keus voor de buurt en zou ik het hele ding grondig willen verwijderen. Het lijdt overigens al weer jaren aan verwaarlozing en gebrek aan onderhoud.

Ik wil natuurlijk het drama van de brand niet echt vergelijken met dat van een HAT eenheid tussen baas Hoek huizen, maar het is voorlopig het enige voorbeeld van zo’n rigoureuze ingreep in het beeld van de wijk Nieuw-Krispijn-Oost. Ik moet er niet aan denken dat ‘rotte kiezen’ elders in de wijk zo vervangen zullen worden. Dan kunnen we echt de uitstraling die de straten nu nog hebben voorgoed vergeten. Alstublieft: maak van onze wijk een beschermd stadsgezicht: hij verdient het!

Naar boven

Fabriekspoort verdwenen

Als je dan een paar maanden niet op het tweede stuk van de Frederikstraat, na het Emmaplein dus, bent geweest, kom je plotseling voor een verrassing te staan. Het pand nr 48 blijkt ineens verbouwd. De gevel is wit gesausd, er zijn nieuwe ramen in gezet, de hijsdeur heeft een balkonhekje ervoor gekregen en de grote dubbele deur op de begane grond is een huisdeur met een dicht paneel ernaast geworden. Met die laatste verandering is de enig overgebleven ingang naar de voormalige Electrische Timmerfabriek De Industrie verdwenen. Dat was de fabriek die baas Hoek in 1910 oprichtte en die heeft bestaan tot hij hem in 1917 vanwege de oorlogsmalaise moest verkopen. Hij lag in de driehoek tussen de Willemstraat, Alexanderstraat en de Frederikstraat, waar de ingangen waren.

Wat van de fabriek overbleef en de laatst verdwenen poort

De bedrijfsgebouwen zijn nog jaren door diverse andere fabriekjes gebruikt, o.a. een koekfabriek  en een zuurwarenfabriek. Maar op den duur verdwenen die naar elders en stonden de gebouwen te verpieteren. Stuk voor stuk werden loodsen en werkplaatsen afgebroken en in 1985 ging de schoorsteen van de machines (eerst op stoom, later op elektriciteit) tegen de vlakte: netjes laag voor laag afgebroken, want opblazen in een woonwijk was niet verstandig. Alleen een rijtje langs de Frederikstraat bleef staan. Daarbij waren twee woonhuizen (50-52) die door Gerrit van Hoek werden bewoond (eerst 50, later 52) en ook als kantoor werd gebruikt (50). Die staan er allebei nog, al is het rechterpand erg verwaarloosd. De panden 46-48 bevatten de brede doorgangen naar eerst een houtbergplaats, die later elders werd gebouwd, en de magazijnen. Op hun beurt werden die in 1916 opgevolgd door de ‘garage’ van de bedrijfsbrandspuit, met twee dubbeldeurse ingangen. De linkerdeuren zijn al lang geleden verdwenen, maar de rechterdeuren hebben het dus tot een paar maanden geleden uitgehouden. Evenals de hijsdeur (een verticaal verlengd hijsluik) met hijsbalk erboven. Die zit er nog wel.

Zo stond het rijtje er afgelopen zomer bij

Deze dubbele deur was de enige door baas Hoek gemaakte deur van zijn soort die nog bestond; er zijn er meer geweest. Die zijn echter al lang geleden verdwenen. Ik gun de bewoners van nr 48 uiteraard een comfortabele, aan de tijd aangepaste woning, maar het stemt me melancholiek dat dat unieke stukje timmermansambacht ineens weg is. De twee woonhuizen en het rigoureus gewijzigde nr 46 zijn nu nog de enige resten van de geheel door Gerrit van Hoek en zijn mannen gebouwde en sociaal geleide fabriek.

De verdwenen poort en de hijsdeur
De verdwenen poort

De vragen zijn: kan dat zomaar? Is er toestemming voor gevraagd? Was er een vergunning? Zou zoiets kunnen gebeuren als Nieuw-Krispijn-Oost een beschermd stadsgezicht zou zijn? Ik denk dat we daar echt naartoe moeten. Want anders kunnen achter je rug om zomaar stukken vakkundig timmerwerk verdwijnen. Ik hoop dat die deuren nog ergens worden bewaard. Misschien kunnen we in de toekomst dan nog eens bekijken hoe onze voorouders een hele wijk vakkundig in elkaar metselden en timmerden.

Naar boven

De verwaarloosde hoeken 4

Inmiddels was de op de andere hoek, die met de Sophiastraat, een blok van drie boven- en benedenwoningen gebouwd. Het was weer Gerrit van Hoek die eind december 1920 een aanvraag voor een vergunning voor dit complex bij burgemeester en wethouders indiende. Het plan werd goedgekeurd en baas Hoek ging aan het bouwen. Na het fabriekje in de Hendrikstraat was dit waarschijnlijk het eerste rijtje woonhuizen dat hij na de oorlog weer aanpakte. Ongeveer tegelijkertijd bouwde hij namelijk nog een paar complexjes van vier of zes huizen in ongeveer dezelfde stijl in de Sophia- (1921) en de Frederikstraat (1921), gevolgd door de rij van twaalf huizen aan de overkant van de Mauritsweg/straat, de nummers 1-23 (1923). In 1924-25 bouwde hij ook het rijtje van twee dubbele en vijf enkele woningen aan de Frederikstraat dat uitkeek op het Emmaplein en de hoek omging van de Anna Paulownastraat. Hij had inmiddels wel concurrentie in de wijk, bijvoorbeeld van de aannemers Baers van het Weeshuisplein en Hijbeek en De Kluiver uit de Toulonselaan of de architecten Bakker en Van Herwijnen. De eerste twee bouwden tegelijk met hem, dus in 1921, de rest van even kant van de Mauritsstraat vol: tussen de Sophiastraat en de Frederikstraat (26-40) en tussen die laatste straat en het voetbalterrein (42-50).

De zijgevel in de Sophiastraat in zijn oorspronkelijke staat.
Let op de witte vllekken.

Karakteristiek voor Hoeks jaren ’20 huizen waren de speelse baksteenrandjes, de vooruitspringende horizontale lijnen en de driehoekig uit de muur springende schoorstenen. Dat hebben de gelijktijdige huizenrijtjes van zijn collega’s veel minder. De zijkant van nr 22-24 aan de Sophiastraat is daarbij een geweldig voorbeeld van creativiteit met opgelegde platte lisenen met bovenaan grappige driehoekige afwerkingen. Elke keer als ik van het station naar huis fietste genoot ik weer van die muur. En nu zitten er foeilelijke gele kunststofplaten voor…

Een van de stalen banden die de hoek bij elkaar moeten houden.
De witte uitslag is hier nog veel ernstiger.

Niet alleen dat, maar voor die erop gingen waren er al een paar stalen banden om de hoek bevestigd. Was dat omdat het metselverband daar dreigde los te laten? Dat duidt op lange verwaarlozing van deze muur, waarschijnlijk na lekkages. Dat is ook te zien aan de akelige witte vlekken in het metselwerk rond die hoek en naar de achterkant toe. Het betekent ook dat deze verwaarlozing al lang aan de gang is en dat er al veel eerder dan juni 2023 ingegrepen had moeten worden. De bewoners klaagden trouwens al langer over schimmel en vocht.

De foeilelijke legpuzzel op de zijgevel. Hij begint al af te brokkelen.

Inmiddels is begin november 2023 door de Welstandscommissie de te laat ingediende vergunningsaanvraag geweigerd en moet de eigenaar-bewoner de isolatie verwijderen. Hij heeft daar zes weken voor, dus tot de week voor kerst. Als dat niet gebeurt wordt er ‘gehandhaafd’. Wat dat precies inhoudt is mij niet bekend, maar het woord dwangsom viel al. Ik zal in deze blogs de ontwikkelingen blijven volgen en de resultaten aan mijn lezers doorgeven.

Laatste nieuws!

Mevrouw De Heer meldde me dat men al een paar dagen bezig was de platen van de zijgevel te verwijderen. Direct gaan kijken en ja, men is aan het werk, maar wat er onder vandaan komt ziet er niet best uit. Mevrouw De Heer was er ook met haar hondje en we hebben er even een bezorgd gesprekje over gehad. Foto’s gemaakt in het verdwijnende licht en een beginnende regenbui. U ziet er een paar hieronder.

Even een paar dagen niet naar buiten vanwege de herfstbuien en dan mis je zo’n ontwikkeling. Ik ben dankbaar voor mijn lezers die me dan tippen. Het blog begint in de buurt te leven!

Nr 10-12, een latere variatie op 14-24.

Tussen Mauritsweg 8 en 14 bleef een gat. Pas in 1926-27 zou dat gevuld worden door een dubbel woonhuis dat de nummers 10-12 zou krijgen. De architecten Bakker en Van Herwijnen hadden waarschijnlijk van de eigenaren Jacobs en Kortman van het hoekpand opdracht gekregen om hun ontwerp goed bij het blokje van baas Hoek aan te laten sluiten. Dat deden ze inderdaad. Allerlei details komen overeen met die van de buren. Zelfs de indeling, de deuren en de plaatsing van de kozijnen klopt, alleen is alles net even iets eenvoudiger van opzet en net wat minder speels.

De verwaarloosde hoeken 2

Dat industriële van het begin van de Hendrikstraat is tot nu toe gebleven. Nog steeds is er een florerend garagebedrijf op de plek waar in 1919 werd begonnen met fabrieksbouw (zie hierboven). Maar het begon heel anders. Achter het hoekpand kwam in dat jaar een nieuw gebouw op wat nu Hendrikstraat 3-5 is: een rijwielfabriek. Hij werd gebouwd voor Ruth Cornelis Woerdenbag (met een g!) (1882-1941). Hij maakte fietsen in allerlei maten en gaf ze de merknaam Wantij. Er is nauwelijks wat terug te vinden over dat merk. Ik houd me aanbevolen voor plaatjes, merken en/of  advertenties en ander reclamemateriaal.

Wantij Magazijn aan de Blekersdijk 37 (toen 25)

Sinds ongeveer 1900 dreven de Woerdenbags een rijwielwinkel op de hoek van de Blekersdijk-Wilhelminastraat (nr. 19, vernummerd naar 25), die in de late jaren twintig naar de overkant verhuisde naar Blekersdijk 36. Ruths zoon David zette in ca 1950 de zaak voort en vestigde er een fietsenstalling achter, die gedreven werd door zijn compagnon Jac. Lakerveld. Hij had het merk Wantij kort na de oorlog wettig gedeponeerd. De zaak bleef bestaan tot 1975. Aan het opschrift boven de etalages is te zien dat de familie zijn naam inmiddels met ‘ch’ aan het eind schreef. De tak die als schoenmaker aan het Kromhout was begonnen en op den duur een zadelmakerij (met hondenriemen als specialiteit!) op de hoek Grotekerksbuurt-Raadhuisplein ging hier in mee en is nog steeds in de stad een begrip als een echte Dordtse, maar inmiddels opgeheven, lederwarenwinkel.

De zaak aan de overkant van de Blekersdijk op nr 36, toen 20.
De ingang naar de rijwielstalling is nog net te zien.

Raad eens wie die loods in 1919 ging bouwen als een van de eerste panden die hij na de wereldoorlog weer aan ging pakken: dat was baas Hoek. Het was een eenvoudig, laag gebouw van 9 x 24 m, verdeeld in 8 beuken die van buiten zichtbaar waren in verdiepte nissen. In de tweede en de zevende beuk zat een dubbele deur en er zaten ramen in de andere beuken. In de laatste, tegen het huis aan, zat een kantoortje, een magazijn en een portaal met wc, en de gang naar het hoekhuis.

In 1926 werd er weer verbouwd. Inmiddels waren de heren Jacobs en Kortman uit de Javastraat eigenaren van dit hoekcomplex. Dat het rijwielfabriekje inmiddels weg was blijkt uit het feit dat het deels werd gesloopt. De meest rechtse beuk werd bij het huis Mauritsweg 4-Hendrikstraat 1 getrokken en erop kwamen balkons voor de bovenwoningen. De volgende twee beuken werden afgebroken. Daar kwam een lage tuinmuur met een dubbel hek naar het erf achter het huis. De vijf overblijvende beuken bestaan nog steeds en vormen de garage van Albert’s Autobedrijf op nr 5. Zie bovenaan dit blog. Er zijn natuurlijk brede garagedeuren in gekomen, maar ertussen zit nog steeds een van de originele ramen. Het raam in de aanbouw is inmiddels verkleind en omgeven door slordig metselwerk.

Wordt vervolgd.

Woningzorg 2

Voorzitter Wichers en secretaris Wisboom Verstegen van de stichting Woningzorg vroegen 5 november 1915 bij B&W een bouwverordening aan voor een door hen te bouwen complex van de al genoemde 96 arbeiderswoningen aan de Dubbeldamseweg, dat ook de Anjelier- en de Violenstraat zou gaan bevatten. Architect B. van Bilderbeek had voor hen in 1913 een mooi plan getekend dat de hoek tussen de spoorlijn en de weg optimaal  zou benutten. In 1914 kregen ze er al een bouwvergunning voor en werd het geheel door de architect zelf met een in knap vogelperspectief getekend overzicht gepresenteerd (zie hierboven: als u goed kijkt ziet u dat de beide winkels aan de Dubbeldamseweg niet getekend zijn). Onder de dubbele woningen aan de weg zou geheid worden en de andere zouden op ‘staal’ (platen van gewapend beton) gebouwd worden. De beide straten zouden via twee halfronde open poorten vanaf de Dubbeldamseweg bereikbaar zijn. Een oplosssing die ook in Oud Krispijn wel zou worden toegepast. Het geheel grensde aan zowel de Madelief- als aan de Tulpstraat. Aan de Violenstraat lag ook een intiem, driehoekig pleintje dat met bomen beplant zou worden. Langs de Anjelierstraat zou ook een rij bomen komen, maar daar is op de zeer zeldzame foto’s van die straat niets van te zien.

Er zal in 1916  begonnen zijn met bouwen. De in 1914 uitgebarsten grote oorlog zorgde er echter voor dat het in Nederland economisch niet echt voor de wind ging, ondanks dat ons land neutraal was. Onder andere de woningbouw had er onder te lijden. Er kwam tekort aan hout en andere bouwmaterialen. De aannemer die voor Woningzorg het complex aan de Dubbeldamseweg bouwde ging door die omstandigheden zelfs failliet. Het werk was intussen nog maar tot de helft gevorderd.

De timmerfabriek van baas Hoek aan de Frederikstraat had sinds 1914 aan dat project veel hout en ander materiaal geleverd en was nu een van de grootste crediteuren. De fabriek kreeg het, ook daardoor, moeilijk. Er was aanvankelijk voldoende hout in voorraad, maar er kwam niet veel bij, want de handel in uit het buitenland afkomstig hout lag stil. Nu werd er weliswaar ook minder gebouwd, maar de voorraad slonk wel. Ook waren veel arbeiders gemobiliseerd en was er dus minder personeel. Het leger gaf wel opdrachten voor het maken van ledikanten, tafels en stoelen voor kazernes, maar dat zette weinig zoden aan de dijk. Men werkte met verlies. Er kwamen problemen met betalingen door klanten en ook daardoor dreigde een faillissement. Baas Hoek moest personeel ontslaan en veilde om zijn schuldeisers en zijn investeerder af te kunnen betalen de inventaris van de fabriek.

De fabriek van baas Hoek vanaf de Frederikstraat, kort voor de verkoop in 1917

Terwijl Van Hoek met de afwikkeling van zijn bedrijf bezig was, werd hij bij het faillissement van zijn collega betrokken. Evenals de gemeente trouwens. Na lange en moeizame onderhandelingen tussen de partijen, en de gemeente, kreeg baas Hoek het vanwege zijn contacten in de bouwwereld en met voormalig personeel voor elkaar dat hij karwei af mocht maken. En dat lukte hem naar volle tevredenheid. In 1918 kwam het complex gereed en in het adresboek van 1919 staan voor het eerst bewoners aan Dubbeldamseweg 116-160 (nu 158-238) en in de Anjelier- en Violenstraat vermeld.

Dit wordt nogal een bouwkundig blog, omdat ik goed wilde laten zien hoe er na 1910 gedacht werd over het bouwen voor arbeiders. De bedoelingen waren goed en wat comfort betreft gingen de nieuwe bewoners er flink op vooruit als ze uit de binnenstad naar de buitenwijken verhuisden. Ik heb de bouwtekeningen uit de blauwdrukken overgenomen en ze naast of onder elkaar gezet zodat u goed kunt vergelijken hoe groot ze waren en hoe hun indeling was.

Het waren geen grote huizen. De oppervlakte van de begane grond van de ‘vrije’ woningen was ongeveer 45 m2 en de zolder ongeveer 40 m2; vergelijk dat maar eens met het huis waarin u woont. Maar vergeleken met de krotten in de binnenstad waren ze luxueus. Ze hadden een voor- en  woonkamer en een keuken en op zolder een paar afgetimmerde slaapkamertjes met dakkapellen. Alleen in de woonkamer en de keuken was stookgelegenheid, maar er was electra en stromend water en elk huisje had een echte wc die op het riool was aangesloten. De deuren waren daarbij bijna rustiek van vormgeving en de schuiframen hadden een roedeverdeling van 3 ruitjes breed en 4 hoog en op zolder  2 keer 2 x 3. En ze hadden ook allemaal een plaatsje of tuintje, met soms ook nog een schuurtje. Door het tamelijk steile en bij de keuken aflopende dak zagen de huisjes er bijna romantisch uit. Badkamers met heet en koud stromend water waren er echter nog niet. Er was ook geen plaats voor. Op de zolders van de Anjelierstraat was een wasbak: dat was al heel wat.

De appartementen in de gevelwand aan de Dubbeldamseweg (zie hieronder) waren niet veel groter: ca 5,50 x 7,00 m plus een portaaltje op de begane grond, dus een kleine 40 m2 maar wel met een verdieping en een stuk zolder. Ze hadden uiteraard geen erf en niet altijd een balkon. En ze waren natuurlijk minder romantisch van uiterlijk.

Bij navraag bleek dat mensen die er vanaf de oplevering tot ver in de jaren ’90 woonden het een leuke en zeer gezellige buurt vonden. Er was veel burenhulp en sociale controle en – behalve de twee winkels in het complex – waren de vele winkels aan de Dubbeldamseweg vlakbij. Bovendien kwamen de melkboer, de lorrenboer en groenteboer aan de deur en was er nauwelijks ander verkeer.

Monument 2: Alexanderstraat 2-6

Het ensemble van drie aaneengesloten huizen aan de Alexanderstraat 2-6 is evenals dat aan Willemstraat 1-9 door baas Hoek gebouwd. De aanvraag is van 1909, maar tegelijkertijd bouwde hij de rijen aan de even en oneven kant van diezelfde straat. Waarom deze drie huizen in stijl – men noemt het de ‘chaletstijl’ – afwijken van die andere rijen is onbekend. Was het misschien ook weer een openbaar proefje van zijn kunnen?

Ik citeer weer de monumentencommissie: De bouwwijze is ongeveer hetzelfde als bij alle panden die Van Hoek neerzette, maar het balkon onder de overkapping van het ‘wolfseind’ van het dak (afgeplatte nok), met open houten hekwerk van stijlen en regels en ondersteund door houten kolommen is wel heel apart. Dat is het chalet-element, een in de late 19e eeuw veel toegepaste bouwwijze bij villa’s. Maar dat zijn deze huizen bepaald niet: ze hebben maar een oppervlakte van ca 50 m2. Het dak eindigt met een licht overstek en een houten ‘windveer’ (houten planken langs de puntgevel), ondersteund door houten klossen. Onder de goten zijn opengewerkte houten klossen aangebracht. De dakbedekking bestaat uit de originele kruispannen met aan de voorzijde op de nok een siersmeedijzeren spits. Maar dit alles was aanwezig bij de oplevering van de huizen in 1910; dat is nu, ondanks de monumentstatus, wel anders.

De originele blauwdruk uit 1909. De deuren zijn duidelijk anders dan de defnitieve versies.

De ramen zijn niet allemaal origineel meer: hun glas-in-lood is bijna overal verwijderd en de panelen staan nu binnen op de vensterbank tegen de inkijk. Nr 2 heeft een ‘moderne’ deur met een groot glaspaneel waarop een typerend stuk smeedwerk, bestaande uit punten en cirkels, zoals ze dat in de jaren ’50 deden. Alleen de deuren van 4 en 6 hebben nog hun Jugendstil indeling, met smeedijzeren roostertje, en beide hebben nog hun glas-in-lood in het bovenlicht. Alleen zitten en staan bij nr 4  alle panelen – ook die in de vensterbanken – ondersteboven. De achterkanten van de huizen zijn verder, op nr 6 na, nogal aangetast, maar die zie je natuurlijk niet vanaf de straat.

Ook dit woningblok Alexanderstraat 2 t/m 6 heeft cultuurhistorische en architectonische waarde door de karakteristieke voorgevels, met name vanwege de uitkragende balkons met de open houten hekwerken en de smeedijzeren spitsen op het dak. Ook hier is de ensemblewaarde in relatie tot elkaar en tot de overige bebouwing van de straat en de omgeving belangrijk. Het is nog een tamelijk gaaf geheel behalve dat bij nummer 2 in de jaren ’50, zoals gezegd, de voordeur is gewijzigd.

De Alexanderstraat in 1977

Ik vraag me verder af of het schilderen van een deel van het houtwerk van nummer 2 in standgroen en dat van nummer 6 in blauw en grijs geen aantasting is van de monumentale waarde. Het is waarschijnlijk dat het houtwerk, behalve de deuren, licht geschilderd was: wit of crème, met een donkerder basiskleur. Het is jammer dat in heel Krispijn nooit onderzoek is gedaan naar de kleuren die het houtwerk net na de bouw had. Een bevriende huisschilder heeft me wel eens verteld dat de kleur (donker)olijfgroen in de wijk wel voorkwam als die basiskleur en dan gecombineerd werd met crème-achtige tinten. Het zou de moeite waard kunnen zijn daar in de toekomst bij renovaties eens op te letten. Ik houd me in ieder geval nu aanbevolen om berichten over die kleuren te horen als iemand daar wel eens mee bezig is geweest. De vraag blijft echter: als een huis een monument is moet dan niet tenminste toestemming gevraagd worden voor er van kleur veranderd wordt? En zou die dan gegeven worden?

Een regenpijp toevoegen aan een gemeentelijk monument: mag dat?

Mag je dan aan zo’n monument ook een regenpijp vanaf een van die balkons tegen de gevel aanbrengen zoals vorige zomer bij nr 6 is gebeurd? Ik kan het me nauwelijks voorstellen.

Monument 1: Willemstraat 1-9

Voor dit rijtje opgenomen werd in de lijst van gemeentelijke monumenten is er natuurlijk naar gekeken door bevoegde architecten en bouwhistorici. Die hebben er in 2019 duidelijke, maar nogal formele dossiers van gemaakt voorzien van uitgebreide architectonische beschrijvingen, plattegronden, originele blauwdrukken en oude en nieuwe foto’s. Ze gaven als eindoordeel dikwijls in een paar zinnen aan wat ze van de panden vonden. Ik vat het voor Willemstraat 1-9 even samen: vanwege de verspringende rooilijn vonden ze het een ‘geslaagde hoekoplossing en een perfecte begeleiding van de entree van de wijk vanaf de Dubbeldamseweg Zuid’. De karakteristieke voorgevels in een ‘eclectische’ stijl, beïnvloed door de Jugendstil, vormen door materiaalgebruik een eenheid, maar tonen een variëteit in dakkapellen, gevel- en dakvormen die een eigen karakteristiek aan het geheel geven. De huizen hebben ‘ensemblewaarde’ in relatie tot elkaar en tot de overige vroeg 20e eeuwse bebouwing in de omgeving. Daar kan ik het wel mee eens zijn. Ik word altijd een beetje warm van binnen als ik het rijtje zie bij het inrijden van de Dubbeldamseweg.

Blauwdruk van Willemstraat 1-3 – 1907

Ondanks dat de bouwaanvragen niet bewaard zijn en er alleen een stel ongedateerde blauwdrukken van nummer 1-3 is, weten we dat de huizen in 1907-1908 gebouwd zijn. De aannemer onder wiens leiding en naar wiens tekeningen dat gebeurde was Gerrit van Hoek (1880-1958), oftewel Baas Hoek. Daarvoor had Van Hoek al enkele rijtjes arbeidershuizen in het gebied ten westen van de weg gebouwd evenals voor zichzelf een huis met timmerwerkplaats naast een, ook door hem gebouwd, fietsenfabriekje met bovenwoningen in de Sophiastraat. Tegelijkertijd was hij ook bezig in de Hendrikstraat en de Emmastraat, waar de eerste huizenrijen eveneens in 1908 gereed kwamen.

Het rijtje op een winterse dag in 2022

Het leek wel of hij met het rijtje aan de Willemstraat een soort bewijs van zijn kunnen voor grotere en duurdere projecten af wilde geven: kijk, dat kan ik ook allemaal bouwen en dan gaat het er zo uitzien. De Emmastraat laat zien dat de karakteristieke variatie van torentjes, dakkapellen, erkers en balkons zeker aansloegen. Ze zijn er het bewijs van dat zijn stijl aansloeg voor de meer gegoede kopers. Maar zelfs zijn arbeiderswoningen met hun speklagen van gele en rode stenen, deuren met smeedijzeren versiering, ingewikkelde glas-in-lood bovenramen en bijna folkloristische gevelafwerkingen tonen zijn inventiviteit.

Afbladderende verf, rottend hout, verdwenen balkon.

Intussen merken we in 2023 niet zoveel van die sinds 2020 bestaande monumentenstatus van Willemstraat 1-9 als geheel. Met name nummer 1-3 is zwaar verwaarloosd en heeft dringend onderhoud nodig. Dat zo’n huis ondanks die status al zo lang staat te verpieteren is onbegrijpelijk. Een eigenaar moet hier toch door monumentenzorg op aangesproken kunnen worden? De andere drie huizen zijn goed bijgehouden door de bewoners, met bijna al hun originele houtwerk en glas-in-lood nog intact. Alleen de westmuur van nummer 7 ziet er wat verwaarloosd uit. Uit verdere voorbeelden hierna blijkt echter dat zo’n monumentstatus niet alles zegt.