De Emmastraat 4

Nummer 9

Aan dit pand is het meeste veranderd en het is er daardoor niet op vooruit gegaan. Op de daklijst zijn twee van de vier pilaartjes met bollen erop verdwenen en daardoor ook het smeedijzeren hekwerk daartussen. Dat is ook weg op het balkon. De bouwvergunning geeft aan dat dit in 1962 is gedaan., waarschijnlijk net als bij nummer 3 omdat de gevel het gewicht niet kon dragen. 

De modernisering heeft ervoor gezorgd dat de roedeverdeling in de ramen en balkondeuren op de verdieping niet meer past in de periodestijl. Bovendien is hij veel te nadrukkelijk aanwezig. Oorspronkelijk had dit huis een open warande, maar al snel na de bouw is die als serre bij de woonkamer getrokken. Dat was in 1912 en het werk werd uitgevoerd door Daniël Goudswaard uit Westmaas. De eigenaar destijds was de zwager van Daniël, Dirk Willem Gravendeel uit Klaaswaal. Die woonde in die tijd om de hoek aan de Dubbeldamseweg 69 (nu 111-113).

Detail van de bouwtekening uit 1912 van de serre-gevel van nummer 9 door Daniël Goudswaard

Er is daarna nog nog een wijziging geweest, want zoals het in 1912 werd getekend is het niet meer. De ramen van nu hebben geen middenstijl meer, de panelen onder de ramen – ook in de deuren – zijn verdwenen. De bovenramen hadden gebogen bovenkanten en waren gevuld met glas-in-lood (staat ook geschreven in het derde bovenraam van links), maar vast niet die fantasieloze vierkante ruitjes zoals nu. Die ruitjes vloeken trouwens in hun verhouding met de roedeverdeling op de verdieping. Wat wel bewaard is zijn de vier gietijzeren zuiltjes van de warande, die nog steeds het balkon steunen.

De mooie dubbele voordeuren en bovenlichten zijn vervangen door een soort fantasy-vormgeving die in de verte wat aan Disney doet denken. Er is een barokkige luifel boven aangebracht met even fantastisch houtsnijwerk dat niets te maken heeft met 1907. Kortom: het een is eclectisch geheel dat niet past in dit rijtje in de Emmastraat. Ik zal het maar niet hebben over de grijsbetegelde ‘voortuin’.

Mijn reconstructie van nummer 9 gedurende 1907-1912

Ik heb de vrijheid genomen dit pand te reconstrueren in de oudste versie, dus voor de serre werd gebouwd. De oorspronkelijke kleuren zijn niet bekend, dus die heb ik gegokt.

Nummer 11

Dit huis is het spiegelbeeld van nummer 1, maar natuurlijk zonder het dak. De daklijst is nog compleet, het lijstje boven de zijtravee is zelfs nog wat meer gedetailleerd. De ramen en deuren op de verdieping lijken vervangen en de roedeverdeling is tamelijk modern. Het glas-in-lood ziet er eerder uit als jaren 20-30 art deco dan jugendstil. En dat geldt ook voor die in de erker en boven de voordeur. Die deur is ook niet origineel meer en de zijramen zijn nu duidelijk minder smal dan op de tekening. Het balkonhek is net als in nummer 1 minder decoratief geworden.

Ook de zijgevel is vergelijkbaar met de originele van nummer 1, voor de winkel erin kwam.

U ziet dat in ieder geval dit rijtje van de Emmastraat niet onbeschadigd de 117 jaar van zijn bestaan is doorgekomen. De redenen van de meeste aanpassingen zijn waarschijnlijk ingegeven doordat baas Hoek de pilaartjes op de daklijsten te zwaar heeft gemaakt, waardoor de gevels te veel te verduren hadden. De gemiddelde voorbijganger zal de aanpassingen niet echt opmerken, want die weet niet wat het oorspronkelijke plan was. De kenner (en wie weet: de bewoner/eigenaar) ziet waar de afwijkingen zitten en dat maakt hem/haar niet echt blij. Moet hier wat gebeuren? Geduld: laten we eerst even de hele straat afwerken.

Wordt vervolgd

Naar boven

De Emmastraat 1

Ik krijg naar aanleiding van mijn blogs onregelmatig de vraag: wanneer doe je de Emmastraat nou eens? Daar is toch niet veel mis mee? Zo’n mooie sfeervolle straat… Dat ben ik natuurlijk eens met die vragenstellers, maar dat daar niks aan de hand is, is wat kort door de bocht. De huizen zijn inderdaad nog best gaaf. Juist omdat ze tamelijk groot zijn (in de bouwplannen werden het middenstandswoningen genoemd) wonen en woonden er dikwijls kapitaalkrachtige families in. Die hadden en hebben het geld om hun panden goed te onderhouden. Maar dat wil niet zeggen dat er in de 110-117 jaar dat ze er staan nooit rare dingen mee zijn gebeurd.

Het oudste rijtje, 1-11, is inderdaad al uit 1907. Kort nadat baas Hoek in 1906-07 zijn eerste rij arbeidershuizen aan de Hendrikstraat had gebouwd en aan het show-rijtje Willemstraat 1-9 was begonnen (nu een gemeentemonument) plande hij een rij veel sjiekere en grotere huizen dan die aan de Hendrikstraat. Ze moesten aan de Emmastraat komen, vanaf de hoek met de Dubbeldamseweg tot aan de hoek van de Hendrikstraat. Aan een straat die genoemd was naar de geliefde, toenmalige, koningin-moeder moesten het wel woningen van een bepaalde stand zijn. Waarschijnlijk waren ze erg succesvol, want hij begon in 1908 met twee andere rijtjes aan de Emmastraat, 13-25 en 2-12. En dat terwijl hij in 1907 al begonnen was de rest van de Hendrikstraat tussen Mauritsstraat en Emmastraat vol te bouwen en in 1908 ook nog de hele Sophiastraat afwerkte en de even rij aan de Frederikstraat begon.

Er is een zeldzame foto van de Emmastraat waarop de eerste drie rijen staan in een verder nog leeg gebied. Ik schat hem kort na de bouw, misschien nog in 1908, maar waarschijnlijk in 1909 genomen, want er staan nog geen huizen aan de Dubbeldamseweg. Het hoekhuis van die weg met de Leliestraat (nu 150) is nog te zien en we weten dat Van Hoek in 1910 aan dat deel van de weg ging bouwen.

De Emmastraat ca 1909, links de rijtjes 13-25 en 1-11 en rechts 2-12. In het midden de Rozenstraat met op de hoeken links Dubbeldamseweg128 en rechts nr 130. Tussen de twee eerste rijen ligt de Hendrikstraat, op de voorgrond links de Sophiastraat en rechts de oostkant van wat nu het Emmaplein is, maar dat begon als een plantsoentje.

Pas in 1913 en 1914 werden de andere twee rijen in de straat gebouwd. Dat was geen werk van baas Hoek meer. De nrs. 14-34 uit 1913 waren van Abraham (Bram?) Brand die een timmerbedrijf aan de Suikerstraat had. In 1914 bouwde timmerman Simon Hurkmans van de Voorstraat de nummers 27-37 en het daarbij aansluitende pand om de hoek van de Frederikstraat, nummer 38. Het is verwonderlijk om te zien hoe die rijen afweken van wat baas Hoek tot dan toe allemaal gebouwd had. 27-37 sloten nog wel een beetje aan met hun torentjes, maar het was een veel minder symmetrisch ensemble. Met name 14-34 was toch wel anders en het waren ook boven- en benedenwoningen, in tegenstelling tot de eensgezins panden in de rest van de straat. Maar daar ga ik het later over hebben.

Ik ga in de volgende blogs achtereenvolgens de vijf rijtjes aan die straat behandelen. Er is tamelijk veel van de plannen en bouw bewaard gebleven en er zijn ook nog wat leuke oude foto’s van de straat.

Wordt vervolgd

Naar boven

De Bloemstraat 2

Die rij van zes huizen aan elkaar in de Bloemstraat (11-21) met een vrolijke geel-blauw ‘kastrandje’ onder de doorlopende goot en de rood-gele strekken boven de ramen en deuren zouden zo huizen van Baas Hoek kunnen zijn. Maar dat kan niet als ze er in 1897 al stonden. In het boekje Baas Hoek. De geschiedenis van een Dordtse pionier op sociaal gebied (1988) door zijn zoon Leo van Hoek, beschrijft hij de carrière van zijn vader. Gerrit was weliswaar op zijn elfde – hij was van 1880 dus in 1891 – gaan werken in een meubelmakerij en wat later een paar jaar als schoenmaker. Zo rond zijn zestiende – dus toen dat rijtje van zes in de Bloemstraat werd gebouwd – maakte hij pas een eerste werkstuk bij een timmerman, dat als zijn meesterproef beschouwd kon worden. Hij kon daardoor wel het timmerwerk aan nieuwbouw huizen aanpakken in dienst van een aannemer, maar zelf huizen bouwen was nog niet aan de orde.

‘Kastrandje’ en de geel-rode strekken boven deur en raam, BLS 15

Hij was sinds zijn zestiende in dienst bij de timmerman J. Schouten en, na diens dood in 1897, bij de aannemers Van Dongen en Van Hoven. Precies op zijn achttiende verjaardag, op 13 september 1898 dus, begon hij bij die firma en werkte mee aan de bouw van een steenzagerij bij de spoorbrug. Dat verliep goed. Hij deed ook veel technische kennis op bij het installeren van de zaagmachines. Hij was daar zo bedreven in dat hij door de steenzager in dienst werd genomen als baas over de ploeg die de machines bediende. Hij verdiende er goed genoeg om met zijn verloofde Sofie de Man te kunnen trouwen. Dat was in oktober 1901. Daarna is Leo van Hoek niet scheutig meer met jaartallen en moet je wat moeizaam gaan reconstreren wat wanneer gebeurde.

Sofie en Gerrit in 1901 uit het familiealbum (met dank aan Els van Hoek, hun kleindochter). Was dit hun trouwportret?

De steenzagerij liep niet goed en de baas was een potentaat die steeds gekker werd. Zo erg dat Gerrit van Hoek op staande voet ontslag nam. Het bedrijf ging failliet. Gerrit ging weer timmeren. In 1897 staat in het adresboek van dat jaar dat hij aan de Dubbeldamseweg 102 woonde. In 1899 en 1901 woonde hij daar nog. Waarschijnlijk was dat in huis bij zijn ouders, die in 1901 op datzelfde adres genoemd worden. Dat is een stukje verderop tussen de Rozenstraat en de Leliestraat. Intussen verhuisden hij en Sofie naar de Bloemstraat. Daar had hij “een geschikt huis met een tuintje” gevonden dat door hemzelf werd overkapt en zo zijn werkplaats werd. Het was een beetje behelpen, want al het hout moest door het huis naar binnen en in elkaar gezette kozijnen, deuren en wat nog meer afzonderlijk kon worden klaargemaakt, moest door het huis weer terug. Hun dochter, Adriana, werd daar in 1902 geboren. De hele wijk zou nog tot 1903 bij Dubbeldam horen en dus werd ze in dat dorp aangegeven. Waar hij precies woonde is niet meer te reconstrueren, want in het adresboek van 1901 wordt hij niet in die straat genoemd en er is geen adresboek voor 1902-03 en in 1904 was hij er al weer weg.

Gerrit was ambitieus genoeg om meer te willen dan wachten op opdrachten in een stille timmerwinkel, dus hij zocht naar iets om zijn tanden in te zetten. Met hulp van een ambtenaar, een notaris en een bevriende metselaar plus een houthandelaar diende hij een zelfgemaakt plan in om aan de Zuidendijk drie huisjes te bouwen in een nog traditionele stijl. Met geprofileerde aanzet- en sluitstenen dus. Dat gebeurde allemaal vanuit de Bloemstraat, maar het werd daar wel krap. Hij wist een verwaarloosd pand aan de Boogjes te kopen, sloopte en herbouwde het als een werkplaats waar ze boven gingen wonen. De gevel werkte hij nu af in een stijl die wel erg leek op het rijtje van zes in de Bloemstraat met de kastrand en de rood-gele strekken. Had hij zich daardoor laten inspireren? Kende hij de metselaar en werkte die aan die gevel mee? Hij nam nu ook twee timmermannen in dienst en was nu echt een baasje.

Het inmiddels flink verbouwde pand aan de Boogjes 179

Het project aan de Zuidendijk lukte, maar omdat maar twee van die huizen werden verkocht, verliet het jonge gezin de Boogjes weer en ging in het derde van de drie wonen. Het was geen gunstige tijd voor bouwen, huizen verkopen en verhuren en Gerrit werd gedwongen weer een baas te zoeken. Dat werd de aannemer Bozuwa, de man die in 1897 de dubbele woonhuizen op Dubbeldamseweg 56-70 had gebouwd. Als voorman van de timmerploeg werkte hij aan verschillende projecten van Bozuwa mee; helaas is mij niet bekend aan welke. Het was in deze periode dat Gerrit van Hoek het idee kreeg om te beginnen met het bouwen van huizen aan de in 1905 aangelegde straten die in 1906 de namen van leden van het koninklijk huis kregen. De rest is historie…

De door baas Hoek gebouwde huizen aan Zuidendijk 9-13

De zes huizen in de Bloemstraat moeten rond 1895-96 zijn gebouwd, maar Gerrit van Hoek kan dus niet de bouwmeester geweest zijn. Met andere woorden: baas Hoek moet zijn inspiratie voor de kleurige kastranden en strekken in de rijen huizen die hij na 1905 ging neerzetten hebben opgedaan bij een andere vakman. Die huizen heeft hij uiteraard gezien toen hijzelf in 1901-02 in de Bloemstraat woonde en vóór hij in 1902 een dergelijke gevel in het pand aan de Boogjes bouwde.

De foto boven het blog is genomen in ca 1925 en toont twee dochters van melkboer Van Nes op de melkkar ter hoogte van Bloemstraat 19-23.

Naar boven

De jaren twintig 8

Toch nog even een vervolg op nummer 7, want ik moet waarschijnlijk weer wat uitleggen. Ik schreef in het beginblog van deze reeks over Dubbeldamseweg 152-156 toen het ging over wat je moet met al die verdwenen en vervangen bouwdetails:

Vorige bewoners/eigenaars kan je natuurlijk niet meer vragen het beter te doen. Omdat het rijtje geen monument is en ook niet in een beschermd  stadsgezicht staat kan je ook huidige eigenaars niet verplichten of tenminste smeken terug te gaan naar het uiterlijk van 1920.

Elke lezer heeft kunnen zien dat geen enkel twintiger jaren ensemble zich nog in zijn originele staat bevindt. De compleet bewaarde gevel van Frederikstraat 41 is een enorme uitzondering en een zeer opvallende afwijking van het stramien van aantasting en modernisering. En dat is het hoekpand Willemstraat-Hendrikstraat ook, maar in iets mindere mate.

Het viel me op dat het aantal lezers van deze blogs tijdens het publiceren langzaamaan verminderde. Wat was daarvan de reden? Was mijn verhaal te somber? Te eentonig? Was ik te kritisch? Was men niet echt geinteresseerd in de meer blokkkerige Amsterdamse school panden, die wat aantrekkelijkheid betreft nogal van de romantische jaren-tien huizen afwijken? Vond men mijn enthousiasme voor leuke, creatieve baksteendetails wat te ver gaan? Ik weet het niet. Als men geen reactie of kritiek geeft kom ik het ook niet te weten. En ik ga geen poll of enquète houden; te veel werk.

Maar ik wil toch echt bij u pleiten deze zeven blogs nog eens goed te lezen. Ik hoopte namelijk op begrip voor de ontwerpers en bouwers die na de Grote Oorlog met vele moeite weer aan de slag moesten om hun boterham te kunnen verdienen. Maar dat ze wel wisten dat het de tijd niet meer was voor de vrolijk gekleurde en van excentrieke dakjes, balkonnetjes, kapelletjes en ingewikkeld glas-in-lood voorziene pandjes in de Oranjebuurt. Het moest soberder, goedkoper, gladder en met minder gefriemel. Want die lege stukken die door gebrek aan bouwmateriaal in de oorlog niet bebouwd konden worden en kaal waren gebleven moesten toch een keer opgevuld worden. Het was dapper genoeg dat ze na 1920 het risico van de inversteringen aandurfden en aan de slag gingen. Nadat eerst de lonen huizenhoog waren gestegen en de kosten dus maar op bleven lopen, zakte de huizenprijs met ongeveer 80 % en kwam de waarde ervan onder het niveau van de door de gemeente verstrekte hypotheken. De aannemers, onder wie Gerrit van Hoek, kregen grote schulden bij de gemeente. De rest van de jaren twintig moet het sappelen geweest zijn en was het bepaald geen vrolijke tijd. Toen na de beurskrach van 1929 alles na een paar jaar stil kwam te liggen en de crisis uitbrak, vond baas Hoek het welletjes en stopte met bouwen.

Wat ik aan die bouwfase zo hartverwarmend vind is dat de aannemers het ondanks alle problemen niet konden laten hun blokkerige huizen te versieren. In stijl, Bauhaus en Art Deco, maar toch speels. Dat vond ik zo mooi, dat ik bij het nauwkeuriger bekijken van die details dikwijls gewoon een glimlach op mijn gezicht kreeg. Maar dat ik ook, waar juist die details waren verwaarloosd of aangetast, boos werd op de vandalen die daar de laatste tientallen jaren zo respectloos mee om waren gegaan. Die boosheid probeer ik in deze blogs te temperen, maar ik spreek me wel uit over die verwaarlozing van al die leuke panden. Ik vind het gewoon doodzonde. Ik hoop ook dat als mijn inventaristatie van de  jaren twintig rijtjes nou eens goed gelezen worden, ik mijn ongerustheid erover heb overgebracht. En dat ik de lezers ervan overtuigd heb dat er wat moet gebeuren.

Naar boven

De oudste huizen in de Oranjebuurt

De huizenrijtjes aan de oostkant van de Dubbeldamseweg, de even kant, keken, over de weg heen, al sinds een paar jaar voor 1900 naar het westen uit over honderden meters weiland. Helemaal  tot aan de Krispijnseweg, die toen nog Spuiweg heette en die nog geheel onbebouwd was. Dat weidegebied was het oude domein van de heren van Dubbeldam wiens buitenplaats al 130 daarvoor was afgebroken. Van de tuinen die om het huis hadden gelegen was niets meer over; alleen de omtrekken van een formele tuinvijver waren nog in het weiland te zien. En er stond alleen nog een tuinmanswoning en een flinke boerderij die gerund werd door de familie Molendijk aan wat nu de Mariastraat is. Dit land was van de oorspronkelijke erfgenamen aangekocht door de heer Blok, een rijke heer uit ’s-Gravendeel.

De jongste zoon van baas Hoek, Leo, vertelt in zijn levensbeschrijving van zijn vader hoe die betrokken raakte bij de ontwikkeling van dat gebied. Hij kreeg namelijk in de gaten dat die weilanden al jaren lang onbebouwd waren terwijl de gemeente dringend om bouwterrein verlegen zat. Maar er was niemand die dat risico durfde te nemen en zo bleef land dat sinds de grenswijziging van 1903 inmiddels Dordts eigendom was braak liggen.

De afstand tussen beide wijken in 1923

“Het praatje ging rond dat (Blok) er danig mee in zijn maag zat. Het zou een grondspeculatie geweest zijn, die dreigde te mislukken. Gerrit dacht: als die Blok zo omhoog zit met die grond, kan ik hem misschien wel zover krijgen, dat ik een gedeelte ervan, op eigen risico, maar om te beginnen zonder voor de grond te betalen, kan bebouwen.”

Blok was echter niet zo toeschietelijk en het kostte Gerrit van Hoek meerdere gesprekken om hem over te halen. Dat lukte pas toen hij voorstelde om te beginnen maar eens zes eenvoudige huisjes te bouwen die hij dan zou proberen te verkopen. Als dat lukte zou hij de grond waarop ze stonden kopen en er hypotheek op nemen. De eigenaar, die schulden had bij de bank, hapte toe en de bank werkte mee. Gerrit maakte bouwtekeningen en –plannen en die werden goedgekeurd door de bank en wat later door de gemeente. Hij kon aan de slag. Eerst nam hij nog ontslag bij aannemer Bozuwa, voor wie hij werkte. Die vond het maar een gewaagd plan, maar wenste hem succes. Gerrit zou als eerste huizen gaan bouwen ten westen van de Dubbeldamseweg. Zo noemde hij het plan ook: Bouwplan voor zes woonhuizen op het bouwterrein aan den Dubbeldamsche weg.

Plattegrond van de te verkopen kavels aan de Dubbeldamseweg oneven, 1902. Ik woon op nr 2

Ik ben lang op zoek geweest naar die zes huizen aan de Dubbeldamseweg, maar heb ze tot voor zeer kort nooit gevonden. De rijen die daar in de jaren tien aan de westkant zijn gebouwd (voor een deel door Van Hoek) zijn alle langer. Of juist korter. Dat kwam omdat de kavels direct aan de weg, na de sloot, al te koop stonden sinds 1902, en je daar niet zomaar kon gaan bouwen. Maar nog niemand had toegehapt. Er moest dus wat naar achteren gebouwd worden en dan kwam je op de plaats waar nu de Hendrikstraat ligt. Er moet kort na 1902 al een stratenplan zijn ontworpen. De straatnamen in die buurt zijn namelijk in november 1906 vastgesteld, dus toen moet al bekend zijn geweest welke straat waar kwam. De tracees zijn echter pas in 1908 voor het eerst, nog onbebouwd, op een stadsplattegrond te zien.

De locatie van de oudste huizen op het plan uit 1906

Toen ik recent de bouwvergunningen van de Hendrikstraat nog eens bekeek viel me ineens een plattegrond en aanzicht op dat in 1906 was gedateerd en waar de namen van G. van Hoek en J.K. Schuiling op te lezen waren. Er zat ook een plattegrondje van dat deel van de buurt bij, waarop een rijtje van zes huizen op getekend stond aan de westzijde van de Hendrikstraat. De straatnaam staat er niet bij, maar omdat het de eerste straat na de Dubbeldamsche Weg is, is verwarring uitgesloten. Die huizen staan er nog steeds en nu hebben ze de nummers 29-39. Als je inmiddels de bouwstijl van Gerrit van Hoek kent is het maar al te duidelijk dat hij de stijl van de huizen die hij aan de Boogjes en in de Bloemstraat heeft gebouwd in de Hendrikstraat heeft voortgezet. Hier zijn ze echter nog uitbundiger gedecoreerd dan in de eerdere bouwsels.

HES 29-33 nu
HES 35-39 nu

Baas Hoek deed zelf al het timmerwerk en besteedde het metselwerk uit. Alles verliep vlot. Toen het werk bijna af was kwamen er zelfs al kopers op af. Vijf van de huizen waren verkocht bij de oplevering en Hoek ging zelf, met zijn vrouw, dochter en ouders, in het zesde wonen. Zijn oudste zoon Thijs werd er geboren. De medewerker J.H. Schuiling, die de bouwtekening eveneens had ondertekend, woonde er ook volgens het adresboek van 1908. Baas Hoek was toen al verhuisd naar zijn nieuwe werkplaats met bovenwoning aan de Sophiastraat 17.

HES 29-39 De oudste huizen van de Oranjebuurt, 1906, blauwdruk

Het rijtje huizen stond aanvankelijk eenzaam op de zandlichamen van de nieuwe straten, maar dat zou niet lang zo blijven. Begin 1907 moet hij het eclectische en monumentale ensemble Willemstraat 1-9 als teken van zijn kunnen voor de heer Blok hebben ontworpen. Misschien heeft dat er voor gezorgd dat hij nog datzelfde jaar in juli aan de realisatie van de zeer decoratieve middenstandshuizen op Emmastraat 1-11 kon beginnen. Vanaf september 1907 bouwde Gerrit van Hoek vervolgens de Hendrikstraat aan de oneven kant tot aan de Emmastraat vol. Op de bouwplannen wordt de naam Hendrikstraat nu wel genoemd, evenals de Sophiastraat. In 1908 bouwde hij vervolgens vanuit de nieuwe werkplaats de hele Sophiastraat, even en oneven, vol, trok de even kant van de Frederikstraat op en daarbij ook nog twee rijen aan beide kanten van de Emmastraat.

SOS 8-30 in blauwdruk 1908

Hij moet een ontembare werklust gehad hebben en een leger aan timmerlui, metselaars, dakdekkers, smeden en heiers aan het werk hebben gehad om al die projecten tegelijk aan te kunnen pakken. En daarna lieden om de huizen af te werken zoals loodgieters, gasfitters, stucadoors en schilders. De foto boven aan het blog die de bijna voltooide huizen van Sophiastraat 14-22 in 1908 laat bijna 30 werklieden in allerlei beroepen zien. Hij haalde ze uit heel Dordrecht en omgeving. Een Sliedrechtse vriendin, die nog in de Sophiastraat heeft gewoond, vertelde dat haar opa die een goede huisschilder was, graag voor hem werkte. Hij liep ’s morgens voor dag en dauw over de dijk naar het Papendrechtse veer, voer over en werkte de hele dag aan de nieuwbouw van de Oranjebuurt, en liep ’s avonds weer terug. Hij had zijn kleindochter verteld dat hij goed betaald werd en dat op het werk van baas Hoek niet gesjoemeld werd. Gerrit van Hoek was een vakman die alleen met betrouwbare arbeiders werkte. Er werden bij hem geen kantjes af gelopen. Hij was betrouwbaar. Vandaar dat zijn financiers, leveranciers, de banken en de gemeente en zeker zijn werkvolk met hem wegliepen. Vandaar ook dat hij de kans kreeg bijna in zijn eentje een nieuwe wijk uit de grond te stampen.

Naar boven

De jaren twintig 7

Als ik niet via de Mauritsweg naar de Krispijnseweg fietste, reed ik via de Emmastraat en dan moest je op het Emmaplein even naar links om via de Anna Paulownastraat die richting uit te kunnen. Voor je linksaf sloeg zag je (en zie je nog) een rij jaren twintig huizen (Frederikstraat 39-47), die aan beide zijkanten een iets hoger pand bevat. Er zit daar een extra etage op, onder een plat dak. In het kader van het WINO spel valt je dan onmiddellijk nummer 41 op. Dit pand is een van de weinige in de wijk waarvan de gevel bijna nog geheel in originele staat is. Boven dit blog staat een zeldzame foto van dit rijtje in aanbouw, toen het in 1925 bijna klaar was.

Frederikstraat 41 in volle glorie

De originele voordeur is nog aanwezig en de roedeverdeling in de ramen is geheel compleet, Zelfs het glas-in-lood zit nog in het raam op de begane grond. Het is ook het enige pand waarvan het houtwerk van de ramen en de deur nog in een donkere kleur geschilderd is en dan gevat in lichte kozijnen, die misschien oorspronkelijk ook donker wareb. Van een bevriende restauratieschilder ben ik naderhand namelijk te weten gekomen dat dat soort houtwerk voor de oorlog zeer dikwijls donker geschilderd werd. Niet zozeer het bekende standgroen, dat zo ‘in’ is tegenwoordig, maar dikwijls ook in verschillende tinten olijfgroen. Of in donkere houtkleuren met nerf effect.

FRS 39-47 nu

Het was daarom dus al een opvallend pand. Maar toen ik me verder ging verdiepen in de bouwwerken in de wijk, zag ik ook de detaillering van de muren. Ook de hoekoplossingen zijn apart en doen een beetje denken aan die van het huis op de hoek Hendrikstraat-Mauuritsweg, maar dan eenvoudiger. In de beide hogere uiteinden zit ook een vijhoekige erker op de eerste verdieping met een klein balkon op de tweede. En tussen elk pand daartussen zitten speelse uitstulpingen tussen een iets vooruit springende borstwering die me ergens aan deed denken. Pas onlangs kwam ik erachter dat het ontwerp van deze rij van baas Hoek is en uit eind 1924 dateert. Hij moet het direct na Mauritsweg 1-23 hebben ontworpen en gebouwd. En het lijkt er inderdaad een beetje op. Van Hoek was dus ook betrokken bij de uitbreiding van de wijk naar het westen.

Detail uit de stadsplattegrond van 1939

Het is namelijk de eerste rij die de grens van de wijk aan de Frederikstraat doorbreekt. Op stadskaarten van vóór 1924 is daar nog niks anders te zien dan weiland, maar nu gaat deze rij de beide hoeken om en zitten er aan elke kant dubbelpanden met ingangen aan Anna Paulownastraat  1 en de Saksen-Weimarstraat 2. Die straten worden vervolgens pas tegen 1930 voorzichtig doorgetrokken richting Oud-Krispijn. En ook daarbij is baas Hoek betrokken, nu met enkele van zijn zonen.

FRS 49-57 nu

Uit 1930 dateren namelijk de bouwvergunningen en tekeningen van het volgende stuk Frederikstraat, de nummers 49-57, eveneens met een hoger pand  aan de Anna Paulownastraatkant, dat de voordeur in die straat heeft op nummer 2. Dat huis is trouwens het enige dat aan de Frederikstraat kant nog een paar originele houten ramen heeft. De rest is geheel gemoderniseerd.

De grens werd nog verder doorbroken doordat Van Hoek en zonen de op de hoekwoningen aansluitende rijen eensgezinswoningen in de Anna Paulownastraat 3-15 en 4-14 en Saksen-Weimarstraat 4-16 bouwden. Ze staan op één tekening met de rij aan de Frederikstraat en hebben een vergelijkbare bouwstijl. Zij vormen het aansluitpunt met de na-oorlogse witte woningen, die nu allemaal gesloopt zijn. Of ze zelf ook dat lot zullen ondergaan is me niet duidelijk. Ze zijn allemaal  wat sleets geworden en bevatten ook niet veel originele delen meer.

Blauwdrukken van de rijen in de Anna Palowna- en Saken-Weimarstraten 1930
APS 3-15 nu

Het lijkt trouwens wel of baas Hoek rond 1930 zijn fantasie en speelsheid een beetje begon kwijt te raken, want behalve wat horizontale banden in de bovenste geledingen van de muren zit er zo goed als geen relief meer in de voorgevels. Of was het de crisistijd die om een soberder bouwstijl vroeg? Het is misschien niet toevallig dat hij in 1933 stopte met bouwen en sigarenwinkelier werd in de binnenstad. Zijn wereld werd kleiner, toen na het uitvliegen van zijn zoons, in 1935 ook zijn vrouw Sofie overleed. Na wat moeilijke crisisjaren en natuurlijk de oorlog, zorgde de winkel voor een regelmatig inkomen en een rustig bestaan tot dat in 1954 niet meer lukte. Hij trok eerst bij zijn zoon Gerrit in en later bij Thijs en bij de laatste in huis is baas Gerrit van Hoek in 1958 overleden.

Naar boven

De jaren twintig 5

Het volgende te behandelen rijtje is al eens eerder in een blog van mij verschenen. Eigenlijk vormde het de eerste aanleiding voor mijn acties om de aandacht te vestigen op het unieke van Nieuw-Krispijn-Oost. En dan met name naar de afdeling Monumentenzorg van de gemeente Dordrecht toe. Ik zag toen al de nodige verwaarlozing en dat was nog vlak voor mijn coronawandelingen begonnen. Ik kende toen al de hierboven getoonde foto, een zeldzame opname van een gezicht in de, toen nog, Mauritsstraat uit ca 1930, of iets vroeger. Links staat nummer 2, het recente monument, met rechts ernaast één van de toen nog niet ‘verwaarloosde hoeken’. Rechts is de in die tijd nog nieuwgebouwde rij 1-23 te zien, met erachter een soort (bouw?)keet.

Ik kende de rij woningen goed. Als ik door de jaren heen van het station naar huis fietste kwam ik op de Mauritsweg altijd langs dat blok tweehoog woningen. De bakstenen gevel was wat smoezelig geworden en ik werd altijd wat kriegelig als ik de ‘moderne’ aanpassingen van veel van de ramen en deuren zag. Ik stond er verder niet bij stil, maar ik had er geen positief gevoel bij. Het was pas rond 2019 dat ik in de straten in mijn wijk (en ook in andere buurten in Dordrecht) in rijen van in één keer gebouwde woningen begon te zoeken naar de huizen die nog hun originele kozijnen en verder houtwerk hadden. Het ‘wat-is-nog-origineel’ (WINO) spel dus. Gek genoeg was er dikwijls nog altijd wel één die min of meer onaangetast was. In het genoemde blok was het zelfs nog beter: de rechterhelft leek, hoewel wat verwaarloosd, tamelijk onaangetast.

Het rijtje MAW 1-23 in 2021

In 2020, tijdens de lockdowns, ontdekte ik de bouwdossiers op de site van het Regionaal Archief van Dordrecht. Een echte vondst. Alle bewaard gebleven Dordtse bouwdossiers, inclusief aanvragen, bestekken en blauwdrukken van voor de Tweede Wereldoorlog waren gewoon beschikbaar. Ook die van Mauritsstraat (de oudere naam van de Mauritsweg) 1-23. De bouwaanvraag dateerde van december 1923 en uit een Aanvraag tot afgifte van eene verklaring van voltooiing van 24 november 1924 bleek het rijtje afgebouwd te zijn. De initiatiefnemer was ene A. Hooijkaas en de bouwmeester/uitvoerder zou G. van Hoek worden. Dat was dus baas Hoek. Die het jaar daarvoor aan de overkant de nummers 14-24 had afgewerkt.

MAW 1-23 volgens de bouwtekening in 1923

Het was het eerste rijtje huizen dat ik vroeg in 2021 fotografeerde toen ik in mijn hoofd begon mijn plan voor een totale foto- en bouwdocumentatie van Nieuw-Krispijn-Oost te verwezenlijken. Ik stond in de Hendrikstraat en had een perfect beeld van een harmonisch tussen de bestaande bouw passend blok. Eigenlijk viel me toen pas echt op wat er allemaal was gebeurd met die huizen en hoe leuk de detaillering van de muren en daklijsten eigenlijk was. Nu kon ik het geheel ook vergelijken met de blauwdruk van de gevel. Je kon daarop ook zien dat tijdens de bouw al aanpassingen aan die gevel waren gedaan.

Ik besloot, toen ik die vergelijking maakte, die blauwdruk te gebruiken om een reconstructie te maken van de oorspronkelijk plannen (inclusief de deuren, die een eigen blauwdruk hadden). Het resultaat ziet u hieronder.

Reconstructie van MAW 1-23 met alle details, maar de deuren zijn hypothetisch

De bakstenen gevel is geheel bewaard gebleven; er zijn geen lekplekken of vochtuitslag te zien en er is geen bewijs van verzakkingen en daardoor ontstane scheuren. U ziet dat in de rechterhelft van de rij de roedeverdeling van de ramen, behalve in de rij op de tweede verdieping, intact is gebleven. Ik heb de indruk dat de drie raampjes bovenin de deuren van de eerste zes huizen ook nog origineel zijn, maar dat voor de rest van de deuren een plaat board is getimmerd die de detaillering verbergt. Het linkerdeel is echter een rommeltje. Nr 15 heeft nog een origineel raam op de begane grond, maar de rest is allemaal vervangen door kunststof ramen en bouwmarkt deuren van allerlei typen. Het verschil zal erin liggen dat rechts altijd van één eigenaar is geweest en dat links 100 jaar lang diverse eigenaars heeft gehad. Onlangs is vergunning aangevraagd voor het splitsen van het rechterdeel van Mauritsweg 1 in zes appartementen. Dat bleek een misverstand. De nummers 1-11 zijn al sinds de oplevering in 1924 zes aparte boven- en benedenwoningen. Maar het blijkt een technische term te zijn voor de verhuur door een nieuwe eigenaar van die zes panden. Ambtenarentaal, dus.

Ik blijf het een gaaf geheel vinden en ik zou willen dat de eigenaren van de linker zes panden zich bij hun buren rechts zouden aansluiten en er weer een harmonische rij van zouden maken. Maar hoe krijg je dat voor elkaar? Is daar het onderdeel worden van een beschermd stadsgezicht voor nodig?

Wordt vervolgd

Naar boven

De jaren twintig 4

Op mijn blogs over wat er nog origineel is aan de ensembles uit de jaren twintig in de wijk krijg ik beduidend minder reacties dan over de huizen tussen 1895 en 1920. Dat is gek. Misschien vinden de lezers ze saaier dan die oudere rijtjes met hun wat excentrieke vormgeving. Ik vind dat onterecht. Bouwhistorisch vertegenwoordigen ze een landelijke trend gebaseerd op de stijl van de Amsterdamse School. In Amsterdam hebben ze hele toeristenroutes langs die bouwkunst in de wijken rond het centrum opgezet. En hier? Men weet niet eens dat we hier dergelijke pareltjes hebben. En men heeft dan ook niemand een haarbreed in de weg gelegd toen ze hun interessante huizen gingen ‘moderniseren’. Juist die restjes van de originele opzet van deze huizen laten zien hoe het had kunnen zijn. Als men dat maar had gezien, wie weet wat voor prachtbuurt dit was geworden, ook met de huizen uit de jaren twintig. Kijk naar de tekeningen en foto’s, lees de tekst en kijk de volgende keer dat je hier door de straten wandelt eens goed om je heen en geniet van al die leuke details in die 100 jaar oude huizen. Ze zouden, in mijn opvatting, stuk voor stuk monumenten moeten zijn.

Bouwtekening FRS 1-11 1921

Terwijl W. de Kluiver voor aannemer Hijbeek in de Mauritsstraat bezig was zijn drie dubbele woonhuizen te bouwen, was Hijbeek zelf om de hoek in de Federikstraat (1-11) ook een rijtje van drie bijna identieke dubbele panden aan het bouwen. Ze moeten wel gelijktijdig, en door dezelfde, getekend zijn. De enige verschillen zijn dat er in de Frederikstraat geen ornamentale hoek in zit. Ook zitten er daar boven zowel deuren als ramen hoge rollagen, in plaats van strekken boven de deuren en lage rollagen boven de ramen zoals om de hoek. Al zijn ze wel zo getekend. De stompe driehoeken onder de twee stellen ramen aan de zijkanten zijn bewaard, maar er zitten geen panelen onder de middelste ramen op de verdieping. De detaillering van de gevel is redelijk identiek en de afwerking van de boven de daklijst uistekende stompe einden komt ook met elkaar overeen. Het enige dat verder in dit rijtje bewaard is zijn de daklijsten (die in de Mauritsweg zijn verborgen), voor de rest zijn alle ramen en deuren door moderne exemplaren vervangen. Inmiddels zijn het ook van zes drie woonhuizen geworden.

Bouwtekening MAW 42-50 1921

Ik vind het een mooi voorbeeld van de ‘speelsheid’ van de aannemers/timmermannen dat ze die rijtjes steeds net wat anders maken en dat het geheel daardoor net wat verrassender wordt. Ik vind het ook eeuwig jammer dat die in acht ruitjes verdeelde bovenramen (en in vieren verdeelde ramen boven de deuren) allemaal verdwenen zijn. Daar had je zo mooi met kerst Anton-Pieck-ramen met spuitsneeuw in de hoeken van kunnen maken. Zonde.

FRS 1-11 nu

Recht tegenover dit rijtje is op nr 2-8 een vergelijkbaar ensemble, nu van twee dubbele woonhuizen neergezet en wel door baas Hoek. Terwijl hij al bezig was met Mauritsstraat 14-24 maakte hij in mei 1921 een bouwtekening die, net als bij Hijbeek, veel op zijn eerdere ontwerp lijkt. Aan de Mauritsstraat zit er nog een extra laag op, een tweede verdieping.

Bouwtekening FRS 2-8 1921

Verder is de roedeverdeling in ramen en bovenlichten exact hetzelfde. Hoek zou Hoek niet zijn als hij toch niet ergens wat extra versiering aanbracht. En wel als aanpassing tijdens het werk, want die staat niet op de bouwtekening. Hij heeft op de muurdammen aan de binnenzijde van de deurpartijjen pilasters op halve hoogte naar boven verlengd, boven de dakrand uit, als schoorstenen. Die kolommen heeft hij 45 graden gedraaid en met naar onderen verjongend decoratief baksteenwerk versierd. Ik vind het geweldig dat hij zo’n variatie toepaste in zo’n relatief eenvoudige gevel. Hij ligt voor mij op één lijn met de zijgevel van Mauritsweg 22-24. Eind 1922 was dit rijtje klaar en kon hij verder met een nieuw project.

Schoorsteen-pilaster door baas Hoek

Helaas zijn alle ramen vervangen door kunststof en zitten er moderne deuren in. Eeuwig zonde, maar ja, de eigenaars zullen hun reden daarvoor gehad hebben.

FRS 2-8 zoals het er nu uitziet

Er is naast Frederikstraat 1-11 nog een kort rijtje gebouwd op een aangrenzend open stuk land. Dat is nr 13-15. De vergunning voor twee ‘eensgezinswoningen’ was van juni 1925 en werd verleend aan A. Schmidt uit de Van Bleijenburgstraat. Die kon het in november van dat jaar al opleveren. Het is een zeer eenvoudig pand, maar er zitten een paar leuke details in.

Bouwtekening FRS 13-15 1925

De deuren zitten elk wat verdiept in een iets vooruitspringende muurdam, die ook nog iets boven de horizontale daklijst uitsteekt. Boven de deuren zitten stomp-driehoekige bakstenen hanenkammen, wat er net iets speels aan toevoegt. Over de muren tussen de dammen lopen zes wat uitspringende baksteenranden, vooral op het niveau van de verdieping, die net de saaiheid wat breken. De driebeukige raampartijen zijn helaas alleen bij nr 13 bewaard gebleven, maar daar is niet de roedeverdeling in aangehouden. Alleen boven de deur is nog wat glas-in-lood te zien. Op dat nummer is ook de daklijst met goot deels nog aanwezig.

FRS 13-15 nu

Wordt vervolgd

Naar boven

Schimmelbaksteen

Ik zal het maar bekennen: ik heb wat met baksteen. Dat begon al in 1991 toen we voor Archeon op zoek waren naar moderne replica’s van veertiende eeuwse bakstenen (die waren er niet…). Sindsdien heb ik me verdiept in alles wat met dat bouwmateriaal te maken heeft. Wat ermee gedaan is en wat er nog steeds mee gedaan wordt. Hoe ze gemaakt werden en worden en wat de eigenschappen ervan zijn. Ik houd van de namen die er om het bouwen met baksteen worden gebruikt; van kruisverband tot klezoor. Dat betekent ook dat ik altijd loop te letten op wat mensen om me heen ermee gedaan hebben. En daarom maak ik me in mijn KIK project ook zorgen over wat men er hier nog mee gaat doen.

Nieuwbouw aan de Mariastraat 17-29

Ik heb al eerder mijn angst voor afbraak en nieuwbouw van Nieuw-Kispijn-Oost uitgesproken. Niet alleen dat je een uniek stuk onbeschermd stadsgezicht mee kwijtraakt, maar wat krijg je ervoor terug? Ik heb ook al gewezen op wat ze notabene in onze wijk aan de Mariastraat gebouwd hebben en aan het bouwen zijn. Ongetwijfeld ruime en comfortabele huizen, maar verrekte somber om te zien. Gebouwd van een soort donkere paarsrode-bruine bakstenen, afgewisseld met een bijna onbeschrijfbaar donker beigegrijs. Het huis dat nu naast Mariastraat 15 wordt gebouwd is in dezelfde kleuren baksteen (en hetzelfde metselverband: noords met afwijkingen).

De bakstenen van de nieuwbouw naast Mariastraat 15 bij zonlicht. Meestal zijn ze een stuk donkerder

Ik heb het ook al even gehad over de afbraak en herbouw van onze buren: Nieuw-Krispijn-West. Het Witte Dorp verdwijnt. De kleine huizen waren na de oorlog op een koopje gebouwd met verwerkt puin van gebombardeerde gebouwen omdat de woningnood hoog was. Die verdwijnen op dit moment en zijn deels al verdwenen, want door verwaarlozing, maar ook omdat ze aan hun eindje waren, werd dat de hoogste tijd.

Optimistische vooruitblik naar de Charlotte de Bourbonstraat
Hoek Anna Paulownastraat-Mariannestraat in de toekomst

Ernstiger en al veel beter zichtbaar zijn de nieuwe huizen die in de plaats zijn gekomen van wat ik de straten van de Oranjevrouwen noem: de Anna Paulowna-, de Charlotte de Bourbon- en de Mariannestraten, die deels nog doorlopen in het Witte Dorp. De architecten hadden een aantal jaren geleden aantrekkelijke toekomst-tekeningen gemaakt om bewoners te trekken. Het ziet er allemaal zonnig en groen uit. Inmiddels zijn de casco’s zo’n beetje klaar en staan er overal verhuiswagens en klussersbussen. Maar in Nederland is het lang niet altijd zonnig.

Wat je op de tekeningen niet ziet zijn de bakstenen. Die zijn ‘wit’. Nou ja, ze hebben een lichte kleur en als je dichterbij komt lijkt het op er een schimmellaag opzit. Soms op het zwartige of ongezond bruinige af en altijd kalkig. Zie de grote afbeelding bovenaan dit blog. Ik vind het afschuwelijk. Het is ook zo on-Nederlands. Niet dat ik nou zo’n chauvinist ben, maar ‘witte’ bakstenen zijn niet bestand tegen het vaderlandse weer en zeker niet als ze zo’n ruw oppervlak hebben als de beschreven schimmelbakstenen.

Het ANWB pand kort voor de afbraak in 2023

Je zou toch denken dat architecten en aannemers inmiddels voldoende ervaring hebben met de effecten van regen, roet en uitlaatgassen op lichte baksteen. Ik kan me nog de nieuwbouw van het Delftse stadskantoor destijds herinneren, dat bedekt was met witte tegeltjes. En die waren ook nog geglazuurd. Na een paar jaar waren ze groen uitgeslagen. En we hebben net zo’n verhaal over de witte wanden van het ANWB gebouw aan de Spuiboulevard. Maar nee. Aan het eind van de Charlotte de Bourbonstraat staan langs de Mauritsweg notabene twee rijen voorbeelden van wat er gebeurt met dit soort baksteen, al zijn die van oorsprong eigenlijk heel lichtgeel. De bijgaande foto’s spreken wat dat betreft duidelijke taal. De grauwsluier over beide rijen en de grijze plekken in de lichte muren zijn een aanfluiting.

Mauritsweg 80-92 in hun huidige staat

Wat is er mis met gewone baksteen?  Die gebruiken we al sinds het begin van de dertiende eeuw, waarbij Dordrecht de eerste stad in Holland was die de toen nog zeldzame baksteen toepaste in woon- en pakhuizen in plaats van bij kastelen, kloosters en andere belangrijke gebouwen. Hij was door de klei die hier voorhanden was verkrijgbaar in tinten van licht oranje (appelbloesem noemde men dat vroeger) tot grijsbruin, met allerlei nuances daartussen. Alleen aan de Hollandse IJssel produceerde men gele bakstenen, die kleiner waren. De stenen hielden zich eeuwenlang goed, al bleken ze wel te donkeren onder in vloed van vroeger roet en nu uitlaatgassen. Maar als een hele wijk ‘donkert’ zoals bij ons, valt dat niet echt op. Bovendien verbinden allerlei organismen via de regen en de rook zich met de altijd poreuze baksteen die daardoor een een bijna ondoordringbaar oppervlaktelaagje krijgt. En dat geldt ook voor de voegen. Het valt dan natuurlijk wel op als men de muren gaat schoonspuiten. Buiten dat het schadelijk kan zijn voor zowel de steen als de voegen, want dat genoemde laagje wordt eraf geschuurd, valt zo’n ‘schoon’ pand tussen de rest er dijkwijls nogal opvallend uit. Het gaat ook ten koste van de sfeer en harmonie in de rij waarin het staat. Maar voor dat laatste hebben moderne mensen dikwijls weinig oog.

Gedonkerde muur uit 1910 aan de Dubbeldamseweg
Schoongemaakte muur uit ca 1910

Baas Hoek bouwde tussen 1901 en 1917/19 met licht oranjebruine stenen. Nieuw waren dat heel ‘vrolijke’ stenen, zeker als ze nog gecombineerd werden met raam-  en deurstrekken en speklagen van gele en rode bakstenen. Dat is één van de aspecten die Van Hoeks aandeel in Nieuw-Krispijn-Oost juist zo aantrekkelijk maken. De iets grauwere en donkerdere stenen in de jaren twintig huizen zijn daartussen een mooi contrast. Zeker met het creatieve gebruik van versieringen in baksteen en het toepassen van verdiepte rijen en de leuke randen en muizentanden.

Muur uit 1923 aan de Mauritsweg
Muizetandjes

Ik verbaas me er dus over dat moderne architecten ondanks die slechte ervaringen met lichte muren in Nieuw-Krispijn-West toch weer kiezen voor lichte baksteen als je bij de buren kunt zien hoe lelijk die er na een paar jaar al uit gaan zien. En dat dat gebeurt met bakstenen die een kunstmatig  schimmellaagje hebben gekregen. Dat is bijna nog erger dan als je huizen bouwt met kunstmatige roet- en metselkalklaagjes alsof je niet goed schoongemaakte baksteen hergebruikt van afgebroken huizen.

Het is mijn nachtmerrie dat verwaarloosde huizen van de oostkant van de wijk omdat er niet meer in gewoond kan worden zullen worden afgebroken en op zo’n manier weer worden herbouwd. Bescherm Nieuw-Krispijn-Oost tegen de schimmel! Maak het een beschermd stadsgezicht!

Naar boven

Drama in de Sophiastraat

De timmerman-aannemer Gerrit van Hoek (1880-1958) verhuisde tijdens zijn werkzame leven tussen 1901 en 1933 een kleine twintig keer. Minstens zes keer daarvan bewoonde hij huizen in de wijk Nieuw-Krispijn-Oost, niet zelden in een dat hij zelf had gebouwd. Zo bouwde hij in 1908 de rijen aan de even en oneven kant van de Sophiastraat. Terwijl hij bezig was bestemde hij het rechter van de drie grote dubbele panden in de oneven rij, nr. 15, later 17, voor zichzelf. Hij richtte de begane grond in als werkplaats met een groot raam en een dubbele deur voor brede vrachten. Hij trok met zijn groeiende gezin in de bovenwoning. Zijn derde kind werd dat jaar geboren.

SOS 17 op de bouwtekeningen 1908
SOS 21-23 (vroeger 17) zoals het er nu uitziet

Omdat hij wilde dat die bouw ook wat opbracht bouwde hij er twee soortgelijke, maar iets smallere, panden met woningen boven werkplaatsen naast. Die verhuurde hij. Één ervan kwam in handen van R.C. Woerdenbag die op 27 februari 1908 een hinderwetvergunning kreeg ‘betreffende een werkplaats tot het vervaardigen en repareren van rijwielen’. We zijn de Woerdenbags al tegengekomen in het blog over de verwaarloosde hoeken. Hij kan er niet lang ingezeten hebben, want baas Hoek verhuisde al in 1910 naar de Frederikstraat waar hij zijn fabriek begon. Tegelijkertijd bouwde hij de werkplaatsen op de begane grond van de nummer 13, 15 en 17 om tot woonhuizen met gewone deuren en ramen.

SOS 13-17 1908
SOS 13-17 1910
SOS 9-11 nu
SOS 1-7 nu

Tot ongeveer 1920 bleef het stuk tussen de Mauritsstraat en de eerste huizen aan de oneven kant van de Sophiastraat onbebouwd. Eerst werd het pand dat nu nummers 9 en 11 heeft opgetrokken. De stijl van de gevel is veel eenvoudiger dan die van baas Hoek, met getoogde strekken en rollagen in dezelfde baksteen als de muur. In de ramen van de begane grond zit nog glas-in-lood zoals dat vanaf even voor 1920 werd gemaakt. De bovenrraamkozijnen  zijn inmiddels van kunststof. Rondom 1922-23 werd het eerste blokje van 2 dubbele woningen (1-7) gebouwd in precies dezelfde stijl als baas Hoek dat in 1923 op Mauritsstraat 1-23 zou doen. Misschien dateren ze wel uit precies hetzelfde jaar, maar de plannen en vergunningen voor dit rijtje zijn niet bewaard gebleven.

Sophiastraat 13 achter de schutting verderop in de jaren ’70

Na de oorlog leed de wijk al aan verwaarlozing en de huizen op nr 13 en 15 waren daar een voorbeeld van. Nr 13 werd zelfs in de jaren ’60 onbewoonbaar verklaard want het was scheefgezakt. Het feit dat men zich daar weinig van aantrok was de oorzaak van een ramp. Op 4 april 1973 brak er brand uit en kwam een negen maanden oude baby om in de rook. Een Italiaanse buurman redde via de goot een ouder meisje, terwijl de moeder in paniek de straat was opgevlucht. Het huis jarenlang achter een schutting gestaan en verpieterde nog verder. Op den duur werd het, met nr 15, dat ook flink geleden had, afgebroken (met dank aan de moeder van Waylon M.).

SOS 13-19a nu

In de plaats daarvan kwam een zogenaamde Van Dam woning (tegenwoordig wordt dat een HAT eenheid genoemd: Huisvesting Alleenstaanden en Tweepersoonshuishoudens). Ze werden tussen 1975 en 1985 overal in Nederland gebouwd en ze waren, omdat ze goedkoop waren, zeer geliefd bij studenten en starters. Ze werden gekarakteriseerd door een zeer eenvoudige bouwwijze van standaardelementen met weinig baksteen en veel houten regelwerk bedekt met kunststofpanelen of mdf. En platte daken. Ze steken als ze  tussen bestaande woningen worden gebouwd enorm af bij de originele bouw in een straat. Het pand in de Sophiastraat werd opgedeeld in vijf wooneenheden (13, 15, 17, 19 en 19a) en, hoewel het strak vormgegeven is en even hoog is als de buren, ziet het er niet uit en slaat het in zijn omgeving helemaal nergens op. Persoonlijk vind ik het een dramatisch slechte keus voor de buurt en zou ik het hele ding grondig willen verwijderen. Het lijdt overigens al weer jaren aan verwaarlozing en gebrek aan onderhoud.

Ik wil natuurlijk het drama van de brand niet echt vergelijken met dat van een HAT eenheid tussen baas Hoek huizen, maar het is voorlopig het enige voorbeeld van zo’n rigoureuze ingreep in het beeld van de wijk Nieuw-Krispijn-Oost. Ik moet er niet aan denken dat ‘rotte kiezen’ elders in de wijk zo vervangen zullen worden. Dan kunnen we echt de uitstraling die de straten nu nog hebben voorgoed vergeten. Alstublieft: maak van onze wijk een beschermd stadsgezicht: hij verdient het!

Naar boven