De Bloemstraat 2

Die rij van zes huizen aan elkaar in de Bloemstraat (11-21) met een vrolijke geel-blauw ‘kastrandje’ onder de doorlopende goot en de rood-gele strekken boven de ramen en deuren zouden zo huizen van Baas Hoek kunnen zijn. Maar dat kan niet als ze er in 1897 al stonden. In het boekje Baas Hoek. De geschiedenis van een Dordtse pionier op sociaal gebied (1988) door zijn zoon Leo van Hoek, beschrijft hij de carrière van zijn vader. Gerrit was weliswaar op zijn elfde – hij was van 1880 dus in 1891 – gaan werken in een meubelmakerij en wat later een paar jaar als schoenmaker. Zo rond zijn zestiende – dus toen dat rijtje van zes in de Bloemstraat werd gebouwd – maakte hij pas een eerste werkstuk bij een timmerman, dat als zijn meesterproef beschouwd kon worden. Hij kon daardoor wel het timmerwerk aan nieuwbouw huizen aanpakken in dienst van een aannemer, maar zelf huizen bouwen was nog niet aan de orde.

‘Kastrandje’ en de geel-rode strekken boven deur en raam, BLS 15

Hij was sinds zijn zestiende in dienst bij de timmerman J. Schouten en, na diens dood in 1897, bij de aannemers Van Dongen en Van Hoven. Precies op zijn achttiende verjaardag, op 13 september 1898 dus, begon hij bij die firma en werkte mee aan de bouw van een steenzagerij bij de spoorbrug. Dat verliep goed. Hij deed ook veel technische kennis op bij het installeren van de zaagmachines. Hij was daar zo bedreven in dat hij door de steenzager in dienst werd genomen als baas over de ploeg die de machines bediende. Hij verdiende er goed genoeg om met zijn verloofde Sofie de Man te kunnen trouwen. Dat was in oktober 1901. Daarna is Leo van Hoek niet scheutig meer met jaartallen en moet je wat moeizaam gaan reconstreren wat wanneer gebeurde.

Sofie en Gerrit in 1901 uit het familiealbum (met dank aan Els van Hoek, hun kleindochter). Was dit hun trouwportret?

De steenzagerij liep niet goed en de baas was een potentaat die steeds gekker werd. Zo erg dat Gerrit van Hoek op staande voet ontslag nam. Het bedrijf ging failliet. Gerrit ging weer timmeren. In 1897 staat in het adresboek van dat jaar dat hij aan de Dubbeldamseweg 102 woonde. In 1899 en 1901 woonde hij daar nog. Waarschijnlijk was dat in huis bij zijn ouders, die in 1901 op datzelfde adres genoemd worden. Dat is een stukje verderop tussen de Rozenstraat en de Leliestraat. Intussen verhuisden hij en Sofie naar de Bloemstraat. Daar had hij “een geschikt huis met een tuintje” gevonden dat door hemzelf werd overkapt en zo zijn werkplaats werd. Het was een beetje behelpen, want al het hout moest door het huis naar binnen en in elkaar gezette kozijnen, deuren en wat nog meer afzonderlijk kon worden klaargemaakt, moest door het huis weer terug. Hun dochter, Adriana, werd daar in 1902 geboren. De hele wijk zou nog tot 1903 bij Dubbeldam horen en dus werd ze in dat dorp aangegeven. Waar hij precies woonde is niet meer te reconstrueren, want in het adresboek van 1901 wordt hij niet in die straat genoemd en er is geen adresboek voor 1902-03 en in 1904 was hij er al weer weg.

Gerrit was ambitieus genoeg om meer te willen dan wachten op opdrachten in een stille timmerwinkel, dus hij zocht naar iets om zijn tanden in te zetten. Met hulp van een ambtenaar, een notaris en een bevriende metselaar plus een houthandelaar diende hij een zelfgemaakt plan in om aan de Zuidendijk drie huisjes te bouwen in een nog traditionele stijl. Met geprofileerde aanzet- en sluitstenen dus. Dat gebeurde allemaal vanuit de Bloemstraat, maar het werd daar wel krap. Hij wist een verwaarloosd pand aan de Boogjes te kopen, sloopte en herbouwde het als een werkplaats waar ze boven gingen wonen. De gevel werkte hij nu af in een stijl die wel erg leek op het rijtje van zes in de Bloemstraat met de kastrand en de rood-gele strekken. Had hij zich daardoor laten inspireren? Kende hij de metselaar en werkte die aan die gevel mee? Hij nam nu ook twee timmermannen in dienst en was nu echt een baasje.

Het inmiddels flink verbouwde pand aan de Boogjes 179

Het project aan de Zuidendijk lukte, maar omdat maar twee van die huizen werden verkocht, verliet het jonge gezin de Boogjes weer en ging in het derde van de drie wonen. Het was geen gunstige tijd voor bouwen, huizen verkopen en verhuren en Gerrit werd gedwongen weer een baas te zoeken. Dat werd de aannemer Bozuwa, de man die in 1897 de dubbele woonhuizen op Dubbeldamseweg 56-70 had gebouwd. Als voorman van de timmerploeg werkte hij aan verschillende projecten van Bozuwa mee; helaas is mij niet bekend aan welke. Het was in deze periode dat Gerrit van Hoek het idee kreeg om te beginnen met het bouwen van huizen aan de in 1905 aangelegde straten die in 1906 de namen van leden van het koninklijk huis kregen. De rest is historie…

De door baas Hoek gebouwde huizen aan Zuidendijk 9-13

De zes huizen in de Bloemstraat moeten rond 1895-96 zijn gebouwd, maar Gerrit van Hoek kan dus niet de bouwmeester geweest zijn. Met andere woorden: baas Hoek moet zijn inspiratie voor de kleurige kastranden en strekken in de rijen huizen die hij na 1905 ging neerzetten hebben opgedaan bij een andere vakman. Die huizen heeft hij uiteraard gezien toen hijzelf in 1901-02 in de Bloemstraat woonde en vóór hij in 1902 een dergelijke gevel in het pand aan de Boogjes bouwde.

De foto boven het blog is genomen in ca 1925 en toont twee dochters van melkboer Van Nes op de melkkar ter hoogte van Bloemstraat 19-23.

Naar boven

2 gedachten over “De Bloemstraat 2”

  1. Mijn moeder is geboren in de Bloemstraat 27. 25 juni 1907. Dochter van Johannes Spee en Catharina van Heeren. Later hebben ze volgens mij ook in de Rozenstraat nog gewoond. Waarna ze naar de Vondelingenplaat zijn verhuisd waar mijn opa timmerman was bij De Albatros een kunstmest fabriek.

    Beantwoorden

Plaats een reactie