De jaren twintig 2

Dat WINO (wat is nog origineel) spelletje dat ik speelde was aanvankelijk niet meer dan dat: herken ik nog de originele toestand van een huizenrij(tje). Dus zonder dat ik wist hoe die op de bouwtekeningen was gepland. In mijn eigen wijk heb ik dat uiteraard allemaal achteraf gecontroleerd en bleek ik in 90 % van de gevallen gelijk te hebben. Dat is niet zo vreemd. Ik ben gewoon al sinds mijn jeugd geïnteresseerd in bouwstijlen en heb er op de academie voor beeldende kunsten over geleerd. Bovendien heb ik bij de bouw van Archeon veel kennis opgedaan over bouwen in het algemeen en in de middeleeuwen in het bijzonder. Voor ik mijn corona-wandelingen ging doen wist ik ook al wat over de vooroorlogse bouwgewoonten omdat ik zelf in zo’n huis woonde en ook bij mensen kwam in panden uit die periode. In allerlei steden.

Wat wil je dan met die stukjes bereiken over die aanpassingen van rijen uit de jaren twintig, werd me gevraagd. Moet iedereen terug naar hoe het origineel was. Dat zou inderdaad leuk zijn, maar ik weet heus wel dat dat niet echt realistisch is. Het is duur en de originele materialen zijn moeilijk te vinden. Ook is er veel vakkennis, erg genoeg, verloren gegaan. Er zijn nog steeds restauratie-timmerlui die een samengestelde deur kunnen maken en metselaars die een mooie gesneden of geknipte voeg kunnen produceren, maar het zijn er weinig. En ze zijn natuurlijk niet goedkoop. Vandaar dat ik in deze blogs zo aandring op een beschermd stadsgezicht (BSG). Ik weet niet of iedereen weet wat dat is, maar hier wordt dat, voor Dordrecht, uitgelegd.

Plattegrond van Dordrecht met in rood het BSG van de binnenstad
en in groen dat van de 19e eeuwse schil

Voor de goede orde: dat is dus niet hetzelfde als dat je huis een rijks- of een gemeentelijk monument is. Aan zo’n bezit zitten allerlei voordelen en mogelijkheden vast, maar ook nogal zware verplichtingen. Bij een BSG is de gemeente verplicht om het bewuste gebied niet te laten verpauperen en bewoners te helpen met het bewaren van de samenhang van de architectuur. Je zou niet gauw zo’n wijk afbreken zoals met het Witte Dorp in Nieuw-Krispijn-West gebeurd is. De Rijksdienst schrijft wel: “Er zijn op rijksniveau geen subsidieregelingen voor beschermde stads- en dorpsgezichten, maar soms wel op provinciaal en gemeentelijk niveau. Bijvoorbeeld de Cultuurfondshypotheek; een hypotheek met lage rente om de kosten voor restauratie of onderhoud (deels) te financieren. Informeer bij uw provincie of gemeente naar de regelingen voor stads- en dorpsgezichten.”

Monumentenzorg van Dordrecht zegt zelf: “In het beschermd stadsgezicht staan beeldbepalende panden. Naast beschermde monumenten komen deze gebouwen in aanmerking voor de subsidie Instandhouding uit het Gemeentelijke Restauratiefonds Dordrecht.” In principe kom je dus in aanmerking voor een deel-subsidie als je bijvoorbeel de roedeverdeling van je ramen en deuren in de oorspronkelijke staat wilt terugbrengen.

Roedeverdelingen van ramen tussen ca 1650 en 1950.
Alleen de laatste twee komen in onze wijk voor (https://www.joostdevree.nl/index.shtml)

“In principe”, schrijf ik, want het is de vraag hoe soepel men daarmee is. En natuurlijk moet dat huis wel in een BSG staat, beeldbepalend zijn en moet je kunnen aantonen dat die indeling op de bouwtekening te zien is. Maar je moet dan ook wel weten dat je huis die heeft bezeten. En dat probeer ik met deze serie dus te laten zien. Met de hoop dat er straks zoveel mensen weten hoe hun huis er vlak na de bouw heeft uitgezien dat ze de waarde ervan in gaan zien. En dat het de moeite waard wordt om ook de gemeente er op te wijzen dat hier in Nieuw-Krispijn-Oost zoveel jaren twintig huizen staan die het bewaren waard zijn dat het tijd wordt voor een BSG. En dan ook nog de rijen uit de jaren tussen 1895 en 1920. Als de plannen uit 2014 waren doorgegaan, zoals ik die hier beschreef, dan hadden we misschien dat predicaat al gehad. Maar ja…

Typische jaren twintig ramen met horizontale verdeling

Het is dus beslist niet mijn bedoeling de lezers die in deze wijk wonen op kosten te jagen. Ik wil bereiken dat ze zich realiseren in wat voor een waardevolle buurt ze wonen en ik wil dat de gemeente zich ook bewust wordt van wat ze in huis hebben. En dan vooral omdat het de moeite waard is om te bewaren in plaats van de boel te laten verkrotten, vervolgens af te breken en te vervangen door saaie rijen in schimmelbaksteen.

Als je Nieuw-Krispijn-Oost vergelijkt met tegelijkertijd in andere steden tussen 1895 en 1935 gebouwde nieuwbouwwijken (en dat heb ik gedaan), dan is ons buurtje een frisse wind tussen allerlei louter functionele en zo goedkoop mogelijke bouw door de diverse (volks)woningbouwstichtingen. En dat is voor meer dan 75 % te danken aan baas Hoek die in 1906 het initiatief nam om, deels op eigen risico, hier betaalbare (arbeiders)woningen neer te zetten die nu door hun unieke vormgeving nog steeds tot de verbeelding spreken. Daar kunnen andere steden een puntje aan zuigen. Zag de gemeente dat ook maar. En vooral: realiseerden de meeste eigenaren en de huisjesmelkers zich dat ook maar.

Volgende keer weer WINO over jaren twintig panden

Naar boven

Krot!

Ik houd dus al sinds begin 2021 een soort fotojournaal van de wijk Nieuw-Krispijn-Oost bij. In november 2023 heb ik een serietje gewijd aan het blok hoek Hendrikstraat-Mauritsweg en daar wat gezegd over nummer 6, zie hier. Ik noemde het een verwaarloosde hoek.

Afgelopen zondag 25.2.2024 liep ik weer eens een rondje en schrok eigenlijk wel van dat pand en besloot de foto die ik nam eens te vergelijken met eerdere foto’s. Bovenaan dit blog zie je de close-up uit 2023. Dat is geen leuk gezicht, daar zult u het mee eens zijn. Hieronder zie je 2021 (boven)  en 2024 (onder). Zoek de verschillen tussen de drie. Gevonden?

MAW 6 – 2021
MAW 6 – 2024

Die zijn er dus niet. Alles blijft hetzelfde, alleen het verfwerk verpietert steeds wat verder. De zonneschermen en gordijnen zijn niet veranderd, alleen wat verder vergeeld. Het middelste dakraam staat nog steeds open en de wind waait het af en toe wat verder open en weer terug. De bakstenen zullen steeds wat meer (zout)uitslag laten zien. Conclusie: hier woont niemand en er wordt al minstens vier jaar geen onderhoud gepleegd. Het pand is verkrot en ik ben bang dat het binnen niet veel beter is. Of aan de achterkant.

Wat gebeurt er met deze hoek als dit pand onbewoonbaar wordt verklaard? Kan de eigenaar hierop aangesproken worden? Is er een mogelijkheid voor de gemeente om in te grijpen? Het is geen monument en we zitten hier niet in een bescherms stadsgezicht, dus er is door de buurt niets tegen te doen. Moeten we dan met de armen over elkaar toezien hoe een pand in elkaar stort? Nee toch?

Dit blog gaat naar diverse instanties voor reacties. Ik houd u op de hoogte van wat erover gezegd wordt.

Naar boven

De jaren twintig 1

In heb het in enkele eerdere blogs al gehad over de uit de jaren twintig daterende ensembles in Krispijn, toen de woningbouw na de Grote Oorlog weer langzaam opstartte. Ik heb al enkele rijtjes die toen gebouwd zijn behandeld hier over het hoekpand waar deze website mee van start ging, en hier over de beide andere blokken aan die kant van de Mauritsweg. Ook in de Sophiastraat staat zo’n rijtje waar ik hier wat over heb geschreven. In mijn vorige blog beschreef ik het zoekspel dat ik speelde als ik door de vooroorlogse wijken reed: wat-is-nog-origineel (aan-die-gevel). Afgekort WINO.

Ik heb besloten nu een serietje te doen waarin ik laat ziet welke onderdelen van gevels van ensembles uit de jaren twintig nog lijken op wat er op de originele bouwtekeningen staat. Je kunt er trouwens niet altijd vanuit gaan dat huizen precies volgens tekening gebouwd werden. De tekenaar  wist bijvoorbeeld niet altijd wat voor deuren erin zouden komen en of de bovenramen alltijd glas-in-lood bevatten. Ook kon de definitieve roedeverdeling in ramen wel eens afwijken van het getekende. Ik heb zelfs de indruk dat tijdens het bouwen soms van het plan werd afgeweken. Waarom dat gebeurde is niet bekend, want dat staat nergens opgeschreven en we kunnen het niet meer aan de bouwmeesters vragen. U zult die voorbeelden hierna nog wel tegenkomen.

Eerste ontwerp voor Dubbeldamseweg 108-112 zwart en rood (1920)

Ik heb besloten te beginnen met een kort rijtje aan de Dubbeldamseweg met de nummers 152-156 (oude nummering 108-112). Het kwam op de plaats waar sinds 1914 – toen het Woningzorg-complex gereed kwam – een gat was gevallen tussen de huizen op de hoek van de Leliestraat en de Madeliefstraat. Het duurde nog tot 1920 toen metselaar Leendert Molendijk een plan indiende om er drie dubbele woningen te bouwen. De blauwdruk bestaat nog, maar de huizen zijn nooit gebouwd (zie hierboven). Het plan werd in datzelfde jaar gewijzigd en bevatte nu drie middenstandswoningen. Niet alleen weken die nieuwe plannen qua inrichting van elkaar af, maar vooral de buitenkant kreeg een heel ander uiterlijk. Dat kwam gedeeltelijk omdat de plattegrond veel minder traditioneel was, waardoor het opgaande werk een wel heel bijzondere vorm kreeg.

Tweede ontwerp (ook uit 1920)

Ik zie de overeenkomsten met wat in Amsterdam de ‘school’ van die naam wordt genoemd. Maar dan in een lokale versie, zoals Hendrikstraat 65 in het vorige blog. We zullen helaas nooit weten waarom Leendert van opvatting veranderde of door wie hij beïnvloed kan zijn. Wel verrees daar in 1920-21 (tegelijk met baas Hoeks ensemble aan de Mauritsstraat 14-24) een heel bijzonder rijtje. Zie de foto boven dit blog. Die moet van voor 1923 dateren, want de twee ramen naast de deur zijn in dat jaar vervangen door een breed winkelraam. De begane grond werd dus winkel en in 1988, toen wij aan de weg kwamen wonen, was het dat nog: een drogist. Nu is het al weer lang een woonhuis.

De plattegronden van nrs 152-156 met de afplattingen van pand 156 beneden en boven

Omdat de muur met die ramen erin een zeer stompe driehoek vormde, moest het hele metselwerk van de begane grond overgedaan worden. Dat moet een kostbare operatie zijn geweest. Inmiddels is dat winkelraam alweer vervangen door een breed kunststofkozijn, maar je kunt aan weerszijden ernaast de nog enigszins schuinlopende muren zien. Het verdere metselwerk met de decoratieve uitspringende rijen bakstenen is keurig gedaan. Dat is echter niet het geval geweest bij het weghalen van het balkon erboven en het rechttrekken van de balkondeuren en –ramen. Ook die zijn nu van kunststof. Het stuk muur eronder ziet er niet uit en lijkt wel met lidtekens bedekt. Verder is de rollaag boven de ‘winkelruit’ bijzonder slordig gemetseld; de koppen van de bakstenen schelen centimeters met de originele en lopen ongelijk in het bestaande metselwerk over. Deze gevel is echt een aanfluiting en een voorbeeld van hoe je een jaren twintig gevel in Amsterdamse School stijl niet renoveert.

Detail van de gevel van 156 met de lidtekens van de verwijderde hoek

Even weinig gevoel voor het origineel blijkt uit het middenpand, nr. 154, waar op de etage kunststof kozijnen de plaats van hout ingenomen hebben met een moderne roedeindeling. Op de begane grond is het originele brede raam met zes vlakken vervangen door een grote doorzon-woning ruit die niet zou misstaan in een jaren zestig nieuwbouwwijk. En dat geldt ook voor de deur en de sponningen in bruin gevernist hardhout.

Overzicht van het lapwerk aan 152-156 met roodomlijnd de enige nog originele elementen

Alleen nr. 152 heeft nog elementen van de oude situatie bewaard. Het heeft nog de stompe driehoek muur zoals die in 156 was, het balkon, de terugwijkende balkondeur met zijn vensters ernaast en zowaar nog een rest roedeverdeling in de bovenramen aan weerszijden van de hoek. Helaas hebben de ramen op de verdieping die niet meer en is de voordeur modern.

Vorige bewoners/eigenaars kan je natuurlijk niet meer vragen het beter te doen. Omdat het rijtje geen monument is en ook niet in een beschermd  stadsgezicht staat kan je ook huidige eigenaars niet verplichten of tenminste smeken terug te gaan naar het uiterlijk van 1920. Inmiddels wordt echter in het middelste pand weer verbouwd, nadat zo’n beetje alles uit de binnenkant is gesloopt. Ik houd mijn hart vast voor wat er nu weer zal worden aangepast aan de ‘moderne smaak’. Oh, waren we maar beschermd stadsgezicht. Maar er is een mogelijkheid dat de nieuwe eigenaar dit blog leest en dat dan blijkt dat ik me voor niks druk heb gemaakt. Ik hoop het…

Wordt vervolgd

Naar boven

De hoek van het Willemplein

Ons huis annex bedrijf was al ruim 25 jaar aan de Dubbeldamseweg gevestigd voor ik in de gaten kreeg in wat voor aparte wijk ik woonde. Dat kwam door mijn kleinzoon. Vanaf dat hij ruim twee was maakte ik met hem wel eens rondjes door de buurt. De schilderachtige Emmastraat en Frederikstraat waren me wel bekend, we hadden ook vrienden in de Willemstraat en de Sophiastraat wonen en familie woonde enkele jaren in de Rozenstraat. Als we naar die laatsten toefietsten keken we altijd naar de huizen aan de Dubbeldamseweg en droomden dat we daar woonden. Door allerlei toevallige omstandigheden lukte het inderdaad om daar een dubbel huis te kopen en na lang klussen trokken we daar in mei 1988 in. Veel ruimte en tijd om de buurt te verkennen was er niet want we leidden, met twee schoolgaande kinderen en veel werk door heel het land en België, een druk leven.

Zo’n klein apie van drie zorgde voor wat ontspanning en opa – inmiddels met pensioen – zou hem wel eens wat over Oud Dordrecht leren. Dus als het mooi weer was en hij had er zin in zette ik hem achterop de fiets en reed naar de binnenstad. Of we ‘deden’ een paar straten in de buurt. Wouter was een dromerig jochie, dat met onverwacht scherpe vragen kon komen. Nou wist ik na mijn 12 jaren op het stadsarchief genoeg van de binnenstad en ook wel van de  19e eeuwse schil, maar van Nieuw Krispijn eigenlijk heel weinig. We hadden negen jaar in de Vondelstraat op Oud-Krispijn gewoond, maar ik had me nooit erg in die buurt verdiept. Ik kon dan ook dikwijls de vragen van mijn oudste kleinzoon over straten, huizen, winkels en wat er voor de rest te zien was in onze wijk niet beantwoorden. Ik kon er thuis ook niet veel over vinden. Zo was ik dan ook wel weer; ik wilde het wel weten! De drukte van ons leven maakte het dan verder moeilijk om er genoeg tijd aan te besteden.

De bijzondere gevel in Amsterdamse School stijl van HES 65, winter 2023-24.

Maar één van die wandelingen leverden me echter een nieuw en verrassend inzicht op. Soms werd Wout moe en rustten we even uit. We zaten dus een keer in de late zomer van 2014 even op de rand van het trottoir van de hoek Willemstraat-Alexanderstraat, onze voeten op de klinkers. Ik weet niet meer waar we het toen over hadden, maar ineens bekeek ik het hoekhuis Willemstraat-Hendrikstraat tegenover ons met andere ogen (zie de foto bovenaan dit blog). Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in bouwhistorie en weet er ook het nodige vanaf. Aan de stijl van de woning herkende ik aspecten van wat de Amsterdamse School van het bouwen wordt genoemd. In Dordrecht? Ik was oprecht verbaasd. Mijn ogen werden geopend en mijn brein trok connclusies. Dus niet alleen in Amsterdam bouwden ze zo, maar ook hier. Weliswaar was het maar één pand, maar toch…

Ik weet niet meer wat ik tegen Wout zei, maar toen hij uitgerust was zijn we het huis wel van dichtbij gaan bekijken. Onze kleinzoon is altijd wel belangstellend, maar hij zegt niet veel en trekt in stilte zijn eigen conclusies, die je dan (veel) later pas hoort. We hebben er toen niet veel over gepraat, maar ik begon me voor mezelf wel dingen af te vragen. Ik probeerde sindsdien, tijdens het fietsen door de wijken, de originele details van huizen in hun rijtjes te herkennen en langzamerhand kwam ik erachter dat die maar heel zeldzaam bewaard waren. Niet alleen in Krispijn, maar ook in het Land van Valk, de Indische en de Zuidafrikaanse buurten en elders in de stad. Daar bleef het dan bij, want ik was met te veel dingen tegelijk bezig om dat ook nog eens te gaan uitzoeken. Tot corona. De rest is historie…

Maar hoe komt dat smal toelopende pand daar aan het Willemplein (eigen verzinsel, het pleintje heeft geen naam) en wie heeft het gebouwd? Natuurlijk heb ik dat uitgezocht.

Gezicht in de Hendrikstraat ca 1920, met links de zijgevel van Willemstraat 11 met de lage huisjes van Hendrikstraat 57-61 ernaast. In de verte het hoge pand nr 47-53. Rechts Hendrikstraat 92-102.

Het tweede deel van de Hendrikstraat, voorbij de Emmastraat richting Willemplein, eindigde nogal abrupt met een kort rijtje van drie kleine woningen. Nu hebben ze de nummers 57-61. In de Willemstraat begon, bijna tegen nummer 61 aan in een scherpe hoek nummer 11-21. Er bleef een onhandig stuk leegte over, dat goed wordt weergegeven in een mooie, hier boven staande, foto van ongeveer 1920.

In 1924 kwam de smid Willem van der Vet op het idee om zijn smederij aan de Dubbeldamseweg 77 (nu 129, waar tot voor kort de bloemenwinkel Erica zat) in een nieuw pand te gaan voortzetten. Hij liet de in Zuid-Holland niet onbekende architect H. Moulijn bouwtekeningen maken en vroeg een bouwvergunning aan. Zijn smederij met bovenwoning zou de huisingang aan de Willemstraat hebben en de smederijingang met 4 vouwdeuren aan de Hendrikstraat, nu nummer 63. Het huis sloot aan tegen Willemstraat 11 en had dus een schuinlopende gevel aan de andere kant. De doorsnede laat het smidsvuur zien en een paardentravalje net achter de Hendrikstraatingang.

De gevels van Willemstraat 7 (oud nummer) en Hendrikstraat 61 en een doorsnede van de smederij (1924).

De zaken liepen klaarblijkelijk goed, want eind 1927 breidde hij zijn zaak en woning uit tot op de hoek tussen beide straten. In ongeveer dezelfde stijl als zijn huis liet hij er door aannemer ‘voorheen Van Heeren’ (die in de jaren twintig al meer in de wijk had gebouwd) een stuk aanbouwen. Of hierbij weer een architect in de arm werd genomen is niet bekend, al zou je dat gezien de bouwtekening wel zeggen. Het was de bedoeling er een magazijn en bergplaats van te maken met een vrij toegankelijke bovenwoning. In juni 1928 was de hoek klaar en was het een bijzonder pand geworden met een zeer revolutionaire hoekoplossing. De begane grond is op den duur voor veel doeleinden gebruikt, o.a. als rijwielbewaarplaats.

Strakke bouwtekening van Hendrikstraat 65 (1927), je vermoedt hier het werk van een architect

Nu zijn het woningen, maar met een  duidelijk industriële geschiedenis. De huidige bewoners hebben veel  tijd en geld gestoken in het onderhoud van de panden en dat is er aan af te zien. Gelukkig zijn veel details van de architectuur bewaard gebleven, zoals het art-deco glas-in-loodvenster naar de voordeur van nummer 65. U ziet: niet alles gaat mis in Nieuw-Krispijn-Oost. Ik hoop dat er veel meer komen en dat mijn blogs een eerste aanzet zijn om mensen aan het denken te zetten. En vervolgens aan de slag…

Naar boven

Schimmelbaksteen

Ik zal het maar bekennen: ik heb wat met baksteen. Dat begon al in 1991 toen we voor Archeon op zoek waren naar moderne replica’s van veertiende eeuwse bakstenen (die waren er niet…). Sindsdien heb ik me verdiept in alles wat met dat bouwmateriaal te maken heeft. Wat ermee gedaan is en wat er nog steeds mee gedaan wordt. Hoe ze gemaakt werden en worden en wat de eigenschappen ervan zijn. Ik houd van de namen die er om het bouwen met baksteen worden gebruikt; van kruisverband tot klezoor. Dat betekent ook dat ik altijd loop te letten op wat mensen om me heen ermee gedaan hebben. En daarom maak ik me in mijn KIK project ook zorgen over wat men er hier nog mee gaat doen.

Nieuwbouw aan de Mariastraat 17-29

Ik heb al eerder mijn angst voor afbraak en nieuwbouw van Nieuw-Kispijn-Oost uitgesproken. Niet alleen dat je een uniek stuk onbeschermd stadsgezicht mee kwijtraakt, maar wat krijg je ervoor terug? Ik heb ook al gewezen op wat ze notabene in onze wijk aan de Mariastraat gebouwd hebben en aan het bouwen zijn. Ongetwijfeld ruime en comfortabele huizen, maar verrekte somber om te zien. Gebouwd van een soort donkere paarsrode-bruine bakstenen, afgewisseld met een bijna onbeschrijfbaar donker beigegrijs. Het huis dat nu naast Mariastraat 15 wordt gebouwd is in dezelfde kleuren baksteen (en hetzelfde metselverband: noords met afwijkingen).

De bakstenen van de nieuwbouw naast Mariastraat 15 bij zonlicht. Meestal zijn ze een stuk donkerder

Ik heb het ook al even gehad over de afbraak en herbouw van onze buren: Nieuw-Krispijn-West. Het Witte Dorp verdwijnt. De kleine huizen waren na de oorlog op een koopje gebouwd met verwerkt puin van gebombardeerde gebouwen omdat de woningnood hoog was. Die verdwijnen op dit moment en zijn deels al verdwenen, want door verwaarlozing, maar ook omdat ze aan hun eindje waren, werd dat de hoogste tijd.

Optimistische vooruitblik naar de Charlotte de Bourbonstraat
Hoek Anna Paulownastraat-Mariannestraat in de toekomst

Ernstiger en al veel beter zichtbaar zijn de nieuwe huizen die in de plaats zijn gekomen van wat ik de straten van de Oranjevrouwen noem: de Anna Paulowna-, de Charlotte de Bourbon- en de Mariannestraten, die deels nog doorlopen in het Witte Dorp. De architecten hadden een aantal jaren geleden aantrekkelijke toekomst-tekeningen gemaakt om bewoners te trekken. Het ziet er allemaal zonnig en groen uit. Inmiddels zijn de casco’s zo’n beetje klaar en staan er overal verhuiswagens en klussersbussen. Maar in Nederland is het lang niet altijd zonnig.

Wat je op de tekeningen niet ziet zijn de bakstenen. Die zijn ‘wit’. Nou ja, ze hebben een lichte kleur en als je dichterbij komt lijkt het op er een schimmellaag opzit. Soms op het zwartige of ongezond bruinige af en altijd kalkig. Zie de grote afbeelding bovenaan dit blog. Ik vind het afschuwelijk. Het is ook zo on-Nederlands. Niet dat ik nou zo’n chauvinist ben, maar ‘witte’ bakstenen zijn niet bestand tegen het vaderlandse weer en zeker niet als ze zo’n ruw oppervlak hebben als de beschreven schimmelbakstenen.

Het ANWB pand kort voor de afbraak in 2023

Je zou toch denken dat architecten en aannemers inmiddels voldoende ervaring hebben met de effecten van regen, roet en uitlaatgassen op lichte baksteen. Ik kan me nog de nieuwbouw van het Delftse stadskantoor destijds herinneren, dat bedekt was met witte tegeltjes. En die waren ook nog geglazuurd. Na een paar jaar waren ze groen uitgeslagen. En we hebben net zo’n verhaal over de witte wanden van het ANWB gebouw aan de Spuiboulevard. Maar nee. Aan het eind van de Charlotte de Bourbonstraat staan langs de Mauritsweg notabene twee rijen voorbeelden van wat er gebeurt met dit soort baksteen, al zijn die van oorsprong eigenlijk heel lichtgeel. De bijgaande foto’s spreken wat dat betreft duidelijke taal. De grauwsluier over beide rijen en de grijze plekken in de lichte muren zijn een aanfluiting.

Mauritsweg 80-92 in hun huidige staat

Wat is er mis met gewone baksteen?  Die gebruiken we al sinds het begin van de dertiende eeuw, waarbij Dordrecht de eerste stad in Holland was die de toen nog zeldzame baksteen toepaste in woon- en pakhuizen in plaats van bij kastelen, kloosters en andere belangrijke gebouwen. Hij was door de klei die hier voorhanden was verkrijgbaar in tinten van licht oranje (appelbloesem noemde men dat vroeger) tot grijsbruin, met allerlei nuances daartussen. Alleen aan de Hollandse IJssel produceerde men gele bakstenen, die kleiner waren. De stenen hielden zich eeuwenlang goed, al bleken ze wel te donkeren onder in vloed van vroeger roet en nu uitlaatgassen. Maar als een hele wijk ‘donkert’ zoals bij ons, valt dat niet echt op. Bovendien verbinden allerlei organismen via de regen en de rook zich met de altijd poreuze baksteen die daardoor een een bijna ondoordringbaar oppervlaktelaagje krijgt. En dat geldt ook voor de voegen. Het valt dan natuurlijk wel op als men de muren gaat schoonspuiten. Buiten dat het schadelijk kan zijn voor zowel de steen als de voegen, want dat genoemde laagje wordt eraf geschuurd, valt zo’n ‘schoon’ pand tussen de rest er dijkwijls nogal opvallend uit. Het gaat ook ten koste van de sfeer en harmonie in de rij waarin het staat. Maar voor dat laatste hebben moderne mensen dikwijls weinig oog.

Gedonkerde muur uit 1910 aan de Dubbeldamseweg
Schoongemaakte muur uit ca 1910

Baas Hoek bouwde tussen 1901 en 1917/19 met licht oranjebruine stenen. Nieuw waren dat heel ‘vrolijke’ stenen, zeker als ze nog gecombineerd werden met raam-  en deurstrekken en speklagen van gele en rode bakstenen. Dat is één van de aspecten die Van Hoeks aandeel in Nieuw-Krispijn-Oost juist zo aantrekkelijk maken. De iets grauwere en donkerdere stenen in de jaren twintig huizen zijn daartussen een mooi contrast. Zeker met het creatieve gebruik van versieringen in baksteen en het toepassen van verdiepte rijen en de leuke randen en muizentanden.

Muur uit 1923 aan de Mauritsweg
Muizetandjes

Ik verbaas me er dus over dat moderne architecten ondanks die slechte ervaringen met lichte muren in Nieuw-Krispijn-West toch weer kiezen voor lichte baksteen als je bij de buren kunt zien hoe lelijk die er na een paar jaar al uit gaan zien. En dat dat gebeurt met bakstenen die een kunstmatig  schimmellaagje hebben gekregen. Dat is bijna nog erger dan als je huizen bouwt met kunstmatige roet- en metselkalklaagjes alsof je niet goed schoongemaakte baksteen hergebruikt van afgebroken huizen.

Het is mijn nachtmerrie dat verwaarloosde huizen van de oostkant van de wijk omdat er niet meer in gewoond kan worden zullen worden afgebroken en op zo’n manier weer worden herbouwd. Bescherm Nieuw-Krispijn-Oost tegen de schimmel! Maak het een beschermd stadsgezicht!

Naar boven

Drama in de Sophiastraat

De timmerman-aannemer Gerrit van Hoek (1880-1958) verhuisde tijdens zijn werkzame leven tussen 1901 en 1933 een kleine twintig keer. Minstens zes keer daarvan bewoonde hij huizen in de wijk Nieuw-Krispijn-Oost, niet zelden in een dat hij zelf had gebouwd. Zo bouwde hij in 1908 de rijen aan de even en oneven kant van de Sophiastraat. Terwijl hij bezig was bestemde hij het rechter van de drie grote dubbele panden in de oneven rij, nr. 15, later 17, voor zichzelf. Hij richtte de begane grond in als werkplaats met een groot raam en een dubbele deur voor brede vrachten. Hij trok met zijn groeiende gezin in de bovenwoning. Zijn derde kind werd dat jaar geboren.

SOS 17 op de bouwtekeningen 1908
SOS 21-23 (vroeger 17) zoals het er nu uitziet

Omdat hij wilde dat die bouw ook wat opbracht bouwde hij er twee soortgelijke, maar iets smallere, panden met woningen boven werkplaatsen naast. Die verhuurde hij. Één ervan kwam in handen van R.C. Woerdenbag die op 27 februari 1908 een hinderwetvergunning kreeg ‘betreffende een werkplaats tot het vervaardigen en repareren van rijwielen’. We zijn de Woerdenbags al tegengekomen in het blog over de verwaarloosde hoeken. Hij kan er niet lang ingezeten hebben, want baas Hoek verhuisde al in 1910 naar de Frederikstraat waar hij zijn fabriek begon. Tegelijkertijd bouwde hij de werkplaatsen op de begane grond van de nummer 13, 15 en 17 om tot woonhuizen met gewone deuren en ramen.

SOS 13-17 1908
SOS 13-17 1910
SOS 9-11 nu
SOS 1-7 nu

Tot ongeveer 1920 bleef het stuk tussen de Mauritsstraat en de eerste huizen aan de oneven kant van de Sophiastraat onbebouwd. Eerst werd het pand dat nu nummers 9 en 11 heeft opgetrokken. De stijl van de gevel is veel eenvoudiger dan die van baas Hoek, met getoogde strekken en rollagen in dezelfde baksteen als de muur. In de ramen van de begane grond zit nog glas-in-lood zoals dat vanaf even voor 1920 werd gemaakt. De bovenrraamkozijnen  zijn inmiddels van kunststof. Rondom 1922-23 werd het eerste blokje van 2 dubbele woningen (1-7) gebouwd in precies dezelfde stijl als baas Hoek dat in 1923 op Mauritsstraat 1-23 zou doen. Misschien dateren ze wel uit precies hetzelfde jaar, maar de plannen en vergunningen voor dit rijtje zijn niet bewaard gebleven.

Sophiastraat 13 achter de schutting verderop in de jaren ’70

Na de oorlog leed de wijk al aan verwaarlozing en de huizen op nr 13 en 15 waren daar een voorbeeld van. Nr 13 werd zelfs in de jaren ’60 onbewoonbaar verklaard want het was scheefgezakt. Het feit dat men zich daar weinig van aantrok was de oorzaak van een ramp. Op 4 april 1973 brak er brand uit en kwam een negen maanden oude baby om in de rook. Een Italiaanse buurman redde via de goot een ouder meisje, terwijl de moeder in paniek de straat was opgevlucht. Het huis jarenlang achter een schutting gestaan en verpieterde nog verder. Op den duur werd het, met nr 15, dat ook flink geleden had, afgebroken (met dank aan de moeder van Waylon M.).

SOS 13-19a nu

In de plaats daarvan kwam een zogenaamde Van Dam woning (tegenwoordig wordt dat een HAT eenheid genoemd: Huisvesting Alleenstaanden en Tweepersoonshuishoudens). Ze werden tussen 1975 en 1985 overal in Nederland gebouwd en ze waren, omdat ze goedkoop waren, zeer geliefd bij studenten en starters. Ze werden gekarakteriseerd door een zeer eenvoudige bouwwijze van standaardelementen met weinig baksteen en veel houten regelwerk bedekt met kunststofpanelen of mdf. En platte daken. Ze steken als ze  tussen bestaande woningen worden gebouwd enorm af bij de originele bouw in een straat. Het pand in de Sophiastraat werd opgedeeld in vijf wooneenheden (13, 15, 17, 19 en 19a) en, hoewel het strak vormgegeven is en even hoog is als de buren, ziet het er niet uit en slaat het in zijn omgeving helemaal nergens op. Persoonlijk vind ik het een dramatisch slechte keus voor de buurt en zou ik het hele ding grondig willen verwijderen. Het lijdt overigens al weer jaren aan verwaarlozing en gebrek aan onderhoud.

Ik wil natuurlijk het drama van de brand niet echt vergelijken met dat van een HAT eenheid tussen baas Hoek huizen, maar het is voorlopig het enige voorbeeld van zo’n rigoureuze ingreep in het beeld van de wijk Nieuw-Krispijn-Oost. Ik moet er niet aan denken dat ‘rotte kiezen’ elders in de wijk zo vervangen zullen worden. Dan kunnen we echt de uitstraling die de straten nu nog hebben voorgoed vergeten. Alstublieft: maak van onze wijk een beschermd stadsgezicht: hij verdient het!

Naar boven

Dubbeldamseweg; de levensader van de wijk 7

Dit wordt geen leuke afsluiting van de serie ‘het oudste rijtje’. Al die verhalen over de bewoners en de geschiedenis van de winkels erin waren een inleiding op wat hieronder komt. Ik beschrijf hoe ik denk over de toekomst ervan. Toen ik er namelijk onlangs nog eens langzaam langs liep schrok ik toch wel. Iedereen loopt, fietst en rijdt er zonder goed te kijken voorbij en realiseert zich niet in wat voor penibele staat die 16 huizen en winkels verkeren. Zeker als de bomen in blad staan en de zon schijnt heeft het ensemble een gezellige warme uitstraling en lijkt het of er niks aan de hand is. Kijk maar op Google Maps.

Verzakkingen, scheuren en afbrokkelend metselwerk in 94

Oké, 82 is duidelijk geen winkel meer, en de etalage van 88 zit dicht met een paar brede grijze banen en een witte baan, maar het cafetaria op 92, als het open is, heeft nog wel uitstraling. Dat geldt ook voor slager Luca. Maar als bij beide laatsten de rolluiken dichtgaan ziet het er beduidend ongezelliger uit. Bij nr 84, waar kamers aan gastarbeiders worden verhuurd, zitten de ramen eveneens dicht met donkerblauwe zonweringen.

De wit uitgeslagen gevel van 82

Ik heb in het voorgaande niet veel aandacht besteed aan de drie laatste dubbele huizen in de rij, maar ik krijg de indruk dat panden deels (?) leeg staan. De ramen laten oude vitrage zien en het ziet er stoffig uit. Boven 68 (het restaurant), 88 en 92 worden net als in 80-82 en 84 kamers verhuurd. Niet iedereen weet dat sinds 2010 binnen de gemeente geldt dat per straat in maximaal 2 % van de huizen kamers verhuurd mogen worden. Tussen de beide overwegen staan aan de weg ca 150 huizen. Twee procent van 150 is drie! Conclusie: er worden aan dit deel van de Dubbeldamseweg in veel te veel huizen kamers verhuurd. En dan heb ik die aan de oneven kant en de rest van de even kant nog niet eens meegerekend. Het is trouwens dikwijls onduidelijk of er in de genoemde panden etages verhuurd worden als woningen of dat het echte kamerverhuur is.

Scheuren, waterschade en bladderende verf op 102

Daar komt nog bij dat er veel aan het uiterlijk van de huizen in de rij mankeert. De nieuwe gevel van het pand 76-78 is uiteraard niet bepaald een schoolvoorbeeld van hoe je een huis uit 1897 restaureert. Het verbaast mij nog steeds dat de aannemer toestemming kreeg om zo’n afwijking van de rest van de rij te bouwen. Het toont des te meer dat de hiervoor verantwoordelijke dienst van de gemeente Dordrecht geen oog heeft voor de waarde van zo’n in het oog springende rij dubbele woningen. Maar ook de ruim aanwezige kunststof kozijnen, ook in de etalages, en de vreemde kleurenkeuzes in het schilderwerk doen afbreuk aan het beeld van de rij.

Scheuren en witte aanslag op nr 84

De hele rij, inclusief de panden 106-116 tot aan de Bloemstraat, ziet er op het eerste gezicht uit als een harmonisch geheel. Als je de duidelijke afwijking van het stramien bij nr. 76-78 niet meetelt, tenminste. Dat was natuurlijk vanaf de bouw ook de bedoeling. Zie de foto uit 1917 bovenaan het blog. Het is een idyllisch ogend ensemble.

Verzakkingen en waterschade in 98-100

Als je hedentendage beter naar die huizen kijkt, dichterbij komt als het ware, dan zie je dat er wel meer veranderd is dan het toevoegen van etalages of het ophangen van rolluiken. Deels is dat het gevolg geweest van handelen waar de eigenaars en bewoners niks aan kunnen of konden doen. Het lokale waterschap heeft lange tijd, op verzoek van de boeren in de omgeving, het grondwater op een te laag peil gehouden. Gevolg: de koppen van de heipalen onder huizen gingen rotten. Dat gebeurde overal in de wijk, maar niet overal werd er wat aan gedaan. Aan de oneven kant van de weg hoorden rond het jaar 2000 de huizen tot de eerste rijen die daar, aanvankelijk met subsidie van de gemeente, wat aan gingen doen. Maar in het ‘oudste rijtje’ wreekte zich dat eigenaars van kamerverhuurbedrijven niet bereid waren samen met gewone eigenaars mee te betalen aan die verbetering. Men werd het dan ook niet eens en er gebeurde niks. Gevolg: scheuren, scheefzakken, schade aan muren en houtwerk. Samen met de toch al optredende verwaarlozing door de huisjesmelkers ontstond een ernstige situatie. Overal in de gevels zijn de effecten met het blote oog te zien: zie de hierbij gaande foto’s die in het hele blog worden getoond. Individueel werd er wel ingegrepen, soms gerepareerd en er zijn zelfs wel daken vernieuwd. Maar die ingrepen zijn toch meestal cosmetisch.

Slecht metsel- en voegwerk met uitslag in 88

De waterstand is inmiddels weer op peil, maar wat is het gevolg op de lange termijn geweest voor de al rottende paalkoppen die nog steeds onder de huizen in de grond zitten?

Toen de Aldi achter deze rij ging uitbreiden en de nieuwbouw van de bijna twee keer zo grote winkel tegen de achterkant van de erven aan kwam te staan, werd het toch al niet riante uitzicht wel erg gehinderd. De nieuwe super was ook een stuk hoger dan de oude. Het woonplezier nam af. Voor kamerbewoners die er toch maar tijdelijk verbleven was dat niet zo’n bezwaar, maar zou een jong gezin hier graag intrekken en er de kinderen opvoeden: ik denk het niet.

Ons voorland? Ruime, maar stijlarme huizen op de hoek Frederikstraat-Mariastraat

Verder zijn op het metselwerk de nodige sporen van vocht via lekkages of inwateren te zien. Zie de stukken gevel die wit zijn uitgeslagen. En is er veel achterstallig onderhoud aan het verfwerk. Er zijn dus nogal wat eigenaren die te lang hebben gewacht om hun bezit in goede staat te houden. Dat zorgt ervoor dat dit bouwkundig en esthetisch waardevolle rijtje zichtbaar achteruit gaat en dreigt te verkrotten. Gevolg: op een bepaald moment wordt wonen in die huizen te gevaarlijk en dreigt afbraak en eventueel nieuwbouw. Voor de buurtbewoner: zie wat er aan de Maria- en de Frederikstraat al gebeurt. Ik denk dat je dan de Dubbeldamseweg als levensader wel kunt vergeten en dat deze belangrijke weg zienderogen nog meer achteruit gaat. Er zijn hier en in andere steden voorbeelden te over van zo’n scenario. Willen we dat laten gebeuren?

Naar boven

Dubbeldamseweg; de levensader van de wijk 6

Winkels in het oudste rijtje 3

In het eerste bovenhuis van links in de rij, nr 76 (toen 56), kwam kort voor 1922 Pieter Martens (geboren 1895 in Groningen) wonen. Hij was kapper van beroep en in 1920 in Dordrecht met een Groningse, Frouwkje Smit uit Oude Pekela, getrouwd. Hij werkte waarschijnlijk in de binnenstad. In 1930 zag hij zijn kans schoon om voor zichzelf te beginnen. In december kreeg hij toestemming het hele pand nr 58 (nu 80-82) te wijzigen in een bedrijf met bovenwoning. Hij begon daar een ‘handel in parfumerieen en toiletartikelen’ en werd er ‘dames- en heerenkapper’. Hij liet de pui aanpassen en binnen kwam aan de straatzijde de winkel en achterin de salon. Het architectenbureau Bakker en Van Herwynen zorgde voor het ontwerp (waarbij de bovenwoning nog verder werd gemoderniseerd) maar wie de verbouwing heeft gedaan is niet bekend. Zodra het werk in 1931 achter de rug was trok het gezin van kapper Martens, met vrouw en twee kinderen, vanuit het buurhuis zelf in de bovenwoning.

Het gezin Martens in ca 1926, dus toen ze nog in nr. 56 rood woonden. De fotolocatie was echter de studio van fotograaf Beerman aan het Vrieseplein

Tot voor kort is het al die tijd een (heren)kapperszaak gebleven. Piet Martens stopte in 1969 met de zaak en verhuisde naar Eindhoven. In dat jaar werd hij opgevolgd door Wim Groesbeek. Toen was er nog wel een tijdje winkel in het voorste deel, maar op den duur werd de hele benedenruimte als herenkapsalon gebruikt. Dat het een HEREN KAPPER was heeft nog tot voor kort in grote letters onder de etalage op de gevel gestaan. Kapper Groesbeek stopte er begin van de 21ste eeuw mee. Daarna heeft er nog enkele jaren een Turkse kapsalon in gezeten, maar die is verhuisd naar een kleiner pand een eindje verderop langs de weg, op nr. 126. Sinds die tijd wordt het huis in drieën bewoond door meestal jonge kamerbewoners.

De situatie in 2015, toen er allang geen kapper meer inzat

Het huis waar het meest recent een winkel inkwam was nr. 78. Toen wij er in 1988 tegenover kwamen  wonen werd het pand nog in tweeën bewoond. Er trok op een bepaald moment een nieuwe familie in de bovenwoning op nr. 76, die een lingerie-winkel begon op de begane grond. Er kwam geen etalage in, maar de beide oorspronkelijke ramen werden hiervoor gebruikt. Na een tijdje verhuisden ze en kwam het hele pand leeg te staan. Er gebeurden daar geheimmzinnige dingen tot de buurt op 8 augustus 2006 werd opgeschrikt door een uitslaande brand. Er bleek zonder dat iemand het in de gaten had een wietkwekerij gevestigd te zijn. Kortsluiting was de oorzaak. De brandweer was op tijd ter plekke en kon het huis redden. De gevel was echter wel ontzet en moest herbouwd worden. De eigenaar van het huis, die ook de doe-het-zelfwinkel de Hobbyhal een stuk verderop aan de weg runde, besloot dat zelf te doen. Ongeveer een jaar later was de gevel klaar, maar het is zeker geen voorbeeld van een geslaagde restauratie.

De fatale nacht…

Hoewel hij in baksteen is gemetseld zijn de stenen veel bleker dan de oorspronkelijke. Het metselen gebeurde wel in staand verband zoals in deze hele rij, terwijl bijna alle andere huizen in de wijk in kruisverband zijn gemetseld. Ook de gele speklagen zijn bewaard, maar die gele stenen zijn eveneens bleker. Boven de ramen zitten nu eenvoudige rollagen in plaats van strekken met aanzet-  en sluitstenen. De kozijnen van zowel ramen en etalage als de deuren zijn van kunststof. De daklijst is veel eenvoudiger geworden en toont iel in verhouding tot het andere huis met zo’n gevel, aan het einde van de rij. De verbouwing werd afgesloten met twee lange dakkapellen, één aan elke kant, die de zolder meer leefruimte gaven, maar er, eerlijk gezegd, niet uitzien.

De ‘reconstructie’ bijna klaar

Er kwam een door Turkse jongemannen gedreven satelliet-winkel in – Dreamsat – en boven werd verhuurd. De winkel liep niet echt goed en de jongens vertrokken. In 2017 vestigden de Roemeense varkensslager Florin Luca en zijn vrouw Joanna zich in het pand en gingen erboven wonen. Ze bouwden hun zaak voorzichtig op en breidden gestaag uit, tot ze nummer 88 moesten huren om hun voorraad kwijt te kunnen. Hun cliëntele weet hen, vooral in het weekend, goed te vinden. Ze komen vanuit heel Nederland en zelfs van over de Belgische grens naar de Dubbeldamseweg voor echte Roemeense producten. Het is hen gegund, maar het is wel jammer dat ze niet lang geleden hebben besloten voor alle ramen, de etalage en de winkeldeur donkergrijze rolluiken te plaatsen, die heel dikwijls dicht zijn en het pand een Belgisch, gesloten, uiterlijk geven. Zo zijn we het in Nederland niet gewend.

De gesloten gevel van nr 76-78 met de dakkapellen

Wordt vervolgd

Naar boven

Dubbeldamseweg; de levensader van de wijk 5

Winkels in het oudste rijtje 2

De winkel op nummer 64 (nu 92) heeft zeker zo’n kleurrijke geschiedenis als de buurman op 62.

In 1899 wordt als bewoner/winkelier Lambertus Jacobus Rissmuller genoemd (1853-1933). Hij is afkomstig uit Delft en is van beroep metaal- of koperdraaier. Daarnaast heeft hij een winkel op nr 64. Wat hij daar verkoopt is onduidelijk, maar het zouden ijzerwaren (en koperwaren?) en ander hang- en sluitwerk geweest kunnen zijn. Een voorloper van een doe-het-zelf-winkel? Rissmuller is even voor 1908 naar boven verhuisd; heeft de dan in het adresboek van 1908 genoemde weduwe Van der Wulp de winkel overgenomen of blijft hij toezicht houden? Hij blijft in ieder geval tot en met 1933 boven wonen en overlijdt daar in dat jaar op 16 november, 80 jaar oud.

Vervolgens woont er enkele jaren een G. Huisman, maar over hem is niets bekend en ik weet ook niet of hij de winkel runde. Maar in 1916 vinden we op dat adres F. de Morée. Dat kan niemand anders geweest zijn dan Frans de Morée (1877-1947) uit Beusichem, die daar boer was, maar naar Dordrecht verhuisde en daar winkelier en melkhandelaar werd. Hij was in 1913 getrouwd met de eveneens Gelderse Gerritje van Ommeren (1889-1958) en ze moeten kort daarna hier zijn aangekomen want hun beide zonen werden respectievelijk in 1914 en 1916 in Dordrecht geboren. Frans staat hier bekend als winkelier in boter, kaas, eieren en melk. Hij wordt in de adresboeken ook melkslijter genoemd.

Het is mogelijk dat zijn weduwe na 1947 de winkel van Frans de Morée nog enkele jaren voortzette, maar in 1955 zat er ene J. Snoep in. Voor 1967 moet A. van Vliet de zuivel- en eierenwinkel hebben overgenomen. Inmiddels was het huisnummer in 1955 92 geworden Volgens omwonenden die zich hen nog kunnen herinneren was Van Vliet zelf melkboer (die zich bevoorraadde bij de Sterovita/Melkunie melkinrichting aan de Tesselschadestraat op Oud-Krispijn) en stond zijn vrouw in de winkel. Dat hij vanaf 1960 naast de Combinatie melkinrichting zat was blijkbaar geen bezwaar.

Feest bij Eddie ter gelegenheid van het 30-jarig bestaan van Hobé in 2016

Hij moet er tot ongeveer 1980 gezeten hebben. Het is nog even een Surinaams eethuisje geweest en in 1984-85 was het cafetaria Emma. De eigenaars verkochten de zaak al in dat laatste jaar aan twee Rotterdamse jongemannen, de vrienden Ho en Beekhuizen, die op nr 92 sinds 1986 snackbar Hobé runden. In 1998 kwamen Eddie Choi en zijn vrouw Ying erin en het patat bakken hebben ze daarna 25 jaar volgehouden. In mei 2016 is nog het 30-jarig bestaan gevierd. Nu stoppen ze; deze echte buurtsnackbar is verkocht. Ze zullen gemist worden. Volgens de berichten blijft de naam niet bestaan, maar wordt het bedrijf weer net zoiets: een cafetaria.

Ik realiseerde me pas onlangs – omdat ik erachter kwam dat de middelste panden van het rijtje als winkel waren gebouwd – dat de pui van nr 92 nog de originele is. Hij is wel wat aangepast, van moderne kleuren voorzien en vanwege zijn functie bedekt met eigentijds reclamemateriaal, maar ik heb bij het bij Eddie halen van onze patatjes en mexicano’s steeds voor het linker venster uit 1897 naar de overkant van de Dubbeldamseweg zitten kijken. Ik werd daar even vrolijk van.

De pui van nr 92 met het originele stijl- en regelwerk en de puibalk

Wordt vervolgd

Naar boven

Dubbeldamseweg; de levensader van de wijk 4

Winkels in het oudste rijtje 1

Ik heb het al gehad over een paar winkels aan de Dubbeldamseweg. Dat de weg de levensader van de wijk was kwam ook doordat het de belangrijkste winkelstraat van de buurt was. Het hotel-café-restaurant (sinds 1904) op nr 48 (nu 68) zorgde al voor reuring. Maar in die oudste kleine huisjes  en een paar wat grotere zaten al rond 1900 wat winkels. Ook in wat ik de oudste rij noem, waren er al vroeg de nodige buurtwinkels.

De beide winkels in het rijtje, met hun doorlopende puien, in 1917

Met de bouw in 1897 was er al rekening gehouden dat er winkels in kwamen. Hoe ik dat weet? Er bestaat een gezicht op de oudste rij aan de Dubbeldamseweg dat geacht wordt uit 1917 te dateren, in dat jaar dus 20 jaar oud. Het is een prentbriefkaart gemaakt door fotograaf Tollens, destijds een begrip in Dordrecht. Ik kom nog op die foto terug, maar ik heb ingezoomd op de acht dubbele huizen waarover we het in deze blogs hebben. De middelste twee huizen met de nummers 62-64 (nu 86-88/90-92) wijken, als je goed kijkt, wat gevelindeling betreft af van de huizen aan weerszijden. Het lijkt erop dat naast de deuren op de begane grond bredere ramen zitten dan in de woonhuizen en dat die geen bakstenen muurdammen ertussen hebben. Dat ze dus opgenomen zijn in een pui met een doorlopende, eenvoudig gedecoreerde puibalk boven de ramen en deuren. Dat betekent dus dat de begane grond van die twee huizen geen woonhuizen waren, maar winkels. Die moeten er met de bouw in 1897 al hebben ingezeten. Bij een nog wat verder inzoomen van de foto vanaf de tennisbaan uit ca 1900 vallen ze al op. In het vorige blog zag u al hoe ze er, in een afwijkende kleur geschilderd (ze zijn donkerder dan de andere ramen en deuren), toen uitzagen.

De beide winkels met hun bredere ramen en de puien rond 1900

Dat er vanaf het begin winkels in die panden zaten wordt eigenlijk ook bevestigd door de adresboeken. Op 62 (88) is al in 1899 een vermelding van ene L. Oerlemans die er winkelier is, naast zijn beroep als timmerman. In  1901 blijkt ene Anton Rutte (1872-1919) er winkelier in kruidenierswaren te zijn. Hij is de oudste zoon van de in Dordrecht zeer bekende Simon Antonius Rutte (1844-1920), de stichter van de beroemde Rutte distilleerderij. Anton is naast kruidenier net als zijn vader ook likeurstoker en werkt ook als zodanig voor hem. In 1905 wordt hij zelfs mede-vennoot van het bedrijf. Of hij ook echt achter de winkel aan de Dubbeldamseweg woont is onduidelijk. Misschien in het begin even, maar tussen 1904 en 1924 woont daar ene Pieter Jan de Groot en zijn gezin. Hij wordt tot aan zijn dood in 1924 winkelknecht genoemd en het is daarom waarschijnlijk dat hij voor zijn baas Rutte de winkel runt. Na zijn dood blijft  zijn weduwe er nog enkele jaren wonen en misschien drijft ze de winkel nog een tijdje. Anton Rutte overlijdt al op 47-jarige leeftijd in 1919 aan suikerziekte. Een jaar later overlijdt zijn vader, de oude Simon, die op dan moment al een paar jaar woont op Dubbeldamseweg 66 rood, dus de bovenwoning, nu 94. Antons zoon Jan, net getrouwd in 1922, woont in 1924 en 1926 in de bovenwoning van nr 62.

In 1930 zegt het telefoonboek van dat jaar dat ene G.J. van Duinen, brandstoffenhandelaar, er woont en dat zijn dochter in de winkel staat. Waarschijnlijk verkopen ze er petroleum en lampenolie en dergelijke.

De fietsenwinkel van Verschoor op nr 51, jaren ’30

Verderop in de jaren ’30 verkoopt Leo Verhagen (1904-1973) er zijn kruidenierswaren en hij blijft dat doen gedurende de oorlog. Uit de adresboeken blijkt dat hij zijn winkel in 1955 en 1967 op nr 51 (nu 75-77) aan de overkant van de weg heeft en dus verhuisd is. In 1949 zit er namelijk in nr 62 een fietsenwerkplaats van ene Fas Verschoor, die in dat jaar hij de binnenplaats ging overdekken om de werkplaats uit te breiden. in 1955 had hij een rijwielbewaarplaats in hetzelfde pand, dat na de hernummering nr 88 is geworden. Fas Verschoor had in de jaren ’30 een rijwielhandel op nr 51 (nu 75) die hij dus ruilde met Leo Verhagen.

Een grotere wijziging van de invulling van het bedrijfspand is de aanpassing in 1960 van het interieur met een spoelplaats voorin de winkel. Het pand wordt gedeeltelijk veranderd voor de N.V. melkinrichting ‘De Combinatie’, Ludolf de Jonghstraat 85 te Rotterdam. Het blijkt een latere wijziging van het plan waarvoor eerder dat jaar al vergunning voor is aangevraagd en verleend. Ook kwam er een nieuwe etalage, waarbij de ingang van de winkel naar de rechterkant van de voorgevel werd verplaatst. En daar zit hij nog. Wel verdween zo de oorspronkelijke pui met al het fin-de-siècle houtwerk. In 1973 zit de Combinatie daar nog steeds, maar niemand schijnt zich nu te kunnen herinneren dat die melkinrichting er zat. Zo’n bedrijf was eigenlijk een centrale plaats voor melkboeren. Daar haalden ze de producten op die er vanuit de diverse melkfabrieken werden bezorgd en van daaruit trokken ze naar hun melkwijk. In de jaren ’60 en ’70 zullen dat de bekende ‘electrische honden’ zijn geweest. Benieuwd of er nog mensen zijn die zich dergelijke scenes aan de weg kunnen herinneren.

Een ‘electrische hond’ van de andere Dordtse melkinrichting, de DMI

Hoe lang dit bedrijf daar heeft gezeten is me (nog) niet bekend, maar toen wij in 1988 aan de weg kwamen wonen zat er een Turkse winkel waar je van alles kon kopen: brood, groente en fruit, vlees, (Turkse) kruidenierswaren, tassen, decoratiemateriaal, zoals spiegels en lampen, en potten en pannen. En goedkoop snoep… Een paar jaar geleden zat er nog een slangenwinkel, die vooraf werd gegaan door een wietkwekerij die na klachten van de buren door de politie werd ontmanteld. Slager Luca van nr 78 heeft er nu zijn opslagplaats, maar gedurende ruim 125 jaar heeft er, zo te zien, een kleurrijke verzameling zaken gezeten.

Nummer 88 (vroeger 62) in 2023

Wordt vervolgd

Naar boven