“Krispijn, gelukkig oord”

Cornelius van Braam (1770-1803), een vroeg gestorven werkend lid van Pictura, schreef in een in 1800 uitgegeven brochure een ‘Jubelrede’ ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van het Dordtsche Teekengenootschap.[1] Van hem komen we te weten dat vier tekenaars in de zomer van 1774 in het ‘uitspanningsoord’[2] Krispijn overlegden over het oprichten van een tekenvereniging om het hele jaar door onderwijs in die kunst te gaan geven.

Hij schetst een sfeerbeeld van die locatie tijdens die gebeurtenis:

“Het was op eenen dier schoone avondstonden: wanneer, de zon met onbewolkten glans in ’t westen daalende, het hooggetakt geboomte de lange schaduwe over het groen der bekoorende velden verspreidde, en de koornhalm zig zagtkens nederboog voor de frische koelte, die het naastgelegen vlas al golvend kemde; het moedig ros, van het zwoegen voor den ploeg vermoeid, uit het gareel ontslaagen, zig nu in de malsche kruiden omrolde, en dan door het schudden van de maanen zijn genoegen te kennen gaf; het wollig vee al blaatende ter kooi wierd terug gedreeven…”

De bewuste tekenaars hadden die dag op diverse plekken ‘naar het leeven’ getekend en keerden huiswaarts. Op dat ‘schilderagtige hoekje’ op het eiland ontmoetten ze elkaar en lieten elkaar zien wat ze gepresteerd hadden. Daarbij vormde zich het denkbeeld dat ze wel graag intensiever zouden willen oefenen, ook ’s winters.

Hierna beschreef hij, in dezelfde stijl, het ‘gelukkig oord’ waar ze zaten:

“Te dikwerf het tooneel van mingeregelde vermaaken, onstuimige vreugde, en wellicht van buitenspoorigheden, wanneer het onmaatig gebruik van geestige dranken aan de rede het bestuur der zinnen ontweldigd heeft, hoe rijst hier uwe waarde, hoe verdient gij niet, dat uw naam, ter gedagtenis, met gouden letteren bij ons worde opgetekend?”

Hij antwoordt zichzelf:

“Aan de Krispijn…![3] Ja…! Daar… werd de eerste knoop gelegd…!”

Om daarna verder te gaan met een ellenlang verslag over wat er sindsdien was gebeurd, te beginnen met de officiële oprichting van Pictura op 1 oktober 1774.

Het embleem van Pictura in de stijl van de vroege 19e eeuw

Dit zal best een betrouwbaar, hoewel wat ronkend, verslag zijn geweest, want twee van de oprichters, Abraham van Strij en Willem van der Koogh, waren aanwezig bij het jubileum en Van Strij was zelfs nog werkend lid. Van hen zal de nodige informatie afkomstig zijn geweest, maar hoe betrouwbaar die was is natuurlijk niet meer na te gaan.

Bij het vijftigjarig jubileum in 1824 werd een soortgelijke redevoering gehouden, maar de spreker verwees hierin alleen maar naar “Eene ontmoeting op een zomer-avond buiten de stad”, zonder nadere plaatsaanduiding.[4]

In 1874, toen Pictura 100 jaar bestond, werd door de secretaris, J.W.M. Roodenburg, slechts het relaas van Van Braam uit 1799 letterlijk herhaald.[5] Alleen droeg het werkend lid S.J.H. van der Noordaa een lang gedicht voor waarvan de eerste strofen luidden:

Van Dordt zoowat een groot kwartier,
Ligt een betoovrend oord,
Waar ’t landschap, bij een glaasje bier,
Den wandelaar bekoort.
Daar zaten eens, voor honderd jaar,
Bij gerstenat en tabak,
Vier Dordtsche schilders bij elkaar
En spraken over ’t vak.

Het waren Abraham van Strij
En Willem van der Koogh;
Wier naamgenoot en naneef, wij
Aan ’t feest zien zitten, hoog.
En Pieter Hofman met Reinier
Goudsbergen, – deze zijn
De ware namen van de vier
Die zaten te Krispijn.

Etc, etc.[6]

Deze clubgeschiedenis op rijm werd natuurlijk in zijn geheel in het jubileum boekwerkje afgedrukt.

De onderwijzer Jan van de Maas (schuilnaam van de de latere archivaris Jan van Dalen) schreef als één van zijn Dordtsche schetsen die hij vanaf 1888 in de Dordrechtsche Courant publiceerd natuurlijk ook over Pictura, het oudste nog bestaande tekengenootschap van Nederland.[7] Hij maakte echter weinig woorden vuil aan die eerste oprichting en schreef alleen:

“Een samentreffen aan het uitspanningsoord Krispijn van een viertal kunstbeoefenaars, die den schoonen nazomer van 1774 gebruikten, om in de schilderachtige landouwen van het Dordtsche eiland, naar de natuur te teekenen, legde de grond tot het teekengenootschap Pictura….”

In het eerste deel van zijn Geschiedenis van Dordrecht (1931) was hij, nu sinds 1901 archivaris en onder zijn echte naam, wat vollediger. Hij meldde:

“Krispijn heet naar Chrispijn van Oudgaerden, die aldaar in de 17de eeuw een woning of boerderij bezat.” [8]

Waar had hij dat vandaan? Wat had hij nog meer gevonden over Krispijn sinds hij 40 jaar daarvoor zijn Dordtsche schets had gepubliceerd over het ontstaan van Pictura? Één van de mankementen van die eerste moderne geschiedenis van de stad was dat Van Dalen, naast het ontbreken van indices en een literatuuropgave, ook geen noten gaf die naar bronnen verwezen. Geen enkele historicus zou daar tegenwoordig mee wegkomen. Het ziet er naar uit dat die naamsherkomst dus pas in 1931 voor het eerst werd genoemd.

Lips, in zijn Wandelingen door Oud-Dordrecht,[9] nam de connectie met de familie Van Outgaerden echter niet over en zelfs de recentste Geschiedenis van Dordrecht van 1572 tot 1813)[10]  noemt de familie niet, alleen de ‘herberg’ Krispijn. Was dan heel die connectie, die in de populaire lectuur tot nu wordt herhaald, dan alleen afkomstig van de oud-archivaris?

Ik kan er in ieder geval niet omheen: in 1774 was er op een kwartietje van de stad een lokaal waar gedronken een gerookt kon worden tijdens een wandeling of rit in de omgeving van Dordrecht. En het bleek daar, volgens een jonge kunstschilder, wel eens uit de hand te lopen: een soort ‘zuipschuur’ avant la lettre. Maar ik kan er ook niet omheen dat de prenten uit 1747 en 1780 (zie boven dit blog) geen bewijs laten zien dat er een café-met-terras stond op de hoek van de Brouwersdijk en de Spuiweg. Geen bankje buiten, geen tafel, geen uithangbord, geen zich ontspannende Dordtenaren…

Detail uit de stads- en eilandkaart van 1830

Dat in 1830 pas voor het eerst de naam Krispijn op landkaarten en plattegronden voorkomt is een gegeven. Dat kan liggen aan het feit dat er toevallig in de 18e eeuw geen meer gedetailleerde kaarten waar de locatie op stond werden uitgegeven. Bovendien beletten de kaders rondom de stadsplattegronden uit die eeuw dat ver genoeg over de vesten kon worden gekeken. Wel gek is dat halverwege de 19e eeuw pas wordt gesproken over een ‘herberg’ van die naam, maar dat het pand daar eigenlijk veel te klein voor is: waar moesten mensen slapen? Bovendien dateert de eerste plaat waarop te zien is dat enkele mannen inderdaad wat gebruiken op een soort terras bij wat Krispijn moet zijn, uit ca 1850.

Detail uit de litho van ca 1850 met het terras

Er is verder geen enkele verwijzing in de bronnen te vinden die Krispijn met leden van de familie Van Outgaerden verbindt. Zo is er ook geen enkel bewijs dat de oude Crispijn van Outgaerden dit specifieke stuk land aan zijn jonge neef met dezelfde naam heeft nagelaten, behalve dat die een ‘grote tuin’ kreeg die f 860,00 waard was. Waar die tuin lag is niet bekend, maar dat kan net zo goed in de binnenstad of op de ‘stadsgrond’ net over de vest zijn geweest. Of hij bij Krispijn en omgeving lag is dus ook niet te bewijzen. De gilden, en daarbij hun heilige patronen, waren al in 1795 afgeschaft, anders zou je nog kunnen denken aan een uitgaansgelegenheid voor schoenmakers, maar dat kan ook al niet.

Kortom: heeft Jan van Dalen die connectie zelf gelegd zonder daar echt bewijs voor te kunnen leveren? Heeft hij nog bewijs gezien dat het in de 18e eeuw onder die naam bekend staande uitspanninkje van de Van Outgaerdens was? Dat Crispijn van Outgaerden de Derde (1674-?) daar inderdaad een soort café heeft uitgebaat en dat in 1774 zijn naam nog in het geheugen zat? En is het bewijs dat hij dat inderdaad deed inmiddels verdwenen? En heeft Van Dalen de herkomst ervan, zoals zijn gewoonte was, niet vermeld of geannoteerd?

Het is misschien nooit fatsoenlijk opgeschreven, maar kan desondanks allemaal in het geheugen van de Dordtenaren zijn blijven hangen en tot nu toe zijn blijven voortwoekeren tot het in Wikipedia de plattelandsherberg van de edelman Crispijn van Outgaerden werd. Maar als historicus blijf ik mijn twijfels houden over de meergenoemde connectie familie-uitspanning.

Naar boven


[1] Jubelfeest ter vijf- en twintigsten verjaardag van het Dordrechtsche genootschap Pictura ingevallen den eersten van Wijnmaand en gevierd den vierden van Wintermaand 1799 (Dordrecht 1800) 11-12.

[2] De term is van Jan van de Maas (Jan van Dalen) in zijn Dordtsche Schetsen CXXV, ‘Het Teekengenootschap “Pïctura”’, ca 1890.

[3] ‘De’ Krispijn? Wat zou hij hiermee bedoeld hebben? De weg? De kruising? Een watergang? Of is het een zetfoutje?

[4] A. Kist Ez. en B.F. Tydeman, Feestviering van het vijftigjarig bestaan van het genootschap Pictura te Dordrecht op den 17 augustus 1824 (Dordrecht 1825) 28.

[5] Feestviering bij het honderdjarig bestaan van het Teekengenootschap Pictura te Dordrecht op den 1en october 1874 (Dordrecht 1877) 12-14.

[6] Ibidem, 33-34.

[7] J. van de Maas, Dordtsche schetsen CXXV, ca. 1892.

[8] J.L. van Dalen, Geschiedenis van Dordrecht I (Dordrecht 1931) 118.

[9] C.J.P. Lips, Wandelingen door Oud-Dordrecht, 2 delen (Zaltbommel 1974) 276, 502.

[10] W. Frijhoff, e.a., red., Geschiedenis van Dordrecht van 1572 tot 1813 (Dordrecht/Hilversum 1998) 70-71.

De naam Krispijn 5

De weg en de wijk

De Spuiweg was altijd het verlengde van de Spuistraat binnen de stadsvesten nadat die bij de Spuipoort eindigde. Sinds het verwijderen van die poort loopt hij nu van de Spuibrug, via de Krispijntunnel, tot de Hugo de Grootlaan. Vanaf de bocht daar wordt hij Krispijnseweg genoemd. Voor de spoorlijn er lag liep ze nog veel verder zuidwaarts. Al op kaarten uit de 17e eeuw komt, zoals u zag, de naam voor als Speuyweg.[1] Zelfs de bocht naar het zuid-oosten zat er al in; die begon na het kruisen van de zogenaamde Boerenkil, een rest van de in de 16e eeuw geplande maar nooit afgemaakte vestingwerken. Hij liep toen door onbebouwd landbouw- en weidegebied.

Bewerking van de kaart uit 1673 met de originele tekst. De donkergroene lijnen zijn bomenrijen zoals ze op de originele kaart zijn aangegeven.

Daar waar hij op de zuidelijke dijk van de polder Oud-Dubbeldam,[2] de Oudendijk, stuitte stonden dus ‘Krispijn’ (het pand dat die naam kreeg was aanwezig in 1673) en Stadvliet (gebouwd 1663). Het stuk dijk dat hier verder naar de stad en de Weeskinderendijk loopt heette sinds de ontginningen van de Oud Dubbeldamsche Polder rond 1600 de Brouwersdijk. Een glimp van het begin van die weg in de 18e eeuw krijgt u uit de aquarel van Wouter Dam uit 1786 bovenaan dit blog. Links ziet u de Dubbeldamse watemolen in de Watermolenweide en rechts de heg en wat bijgebouwen van de buitenplaats Weizigt, met daarachter te korenmolen de Oranjeboom. De Grote Kerk staat in het midden, natuurlijk. De rest van de weg was geheel onbebouwd; er stonden alleen twee rijen bomen naast.

De Krispijnseweg vóór 1930, die een indruk van de bomenrijen geeft

Dit stuk land werd pas in 1904 door de gemeente van enkele particuliere eigenaren aangekocht, met de bedoeling er een nieuwbouwwijk aan te leggen.[3] Het verschil met Nieuw-Krispijn-Oost – waar men al sinds 1893 bouwde – was dus dat daar de particuliere grondeigenaren de Bloemenbuurt en de Oranjebuurt zelf uit de grond stampten. Zoals de heer Blok uit ’s-Gravendeel die het landgoed van erfgenamen van de heer van Dubbeldam had gekocht en die door baas Hoek werd overgehaald om het vanaf 1906 door hem te laten bebouwen.

Omdat de gemeente het land tussen de Spuiweg en de Brouwersdijk in bezit had ging het daar anders. De nieuwbouw van de wijk vond dus plaats onder toezicht en met vergunningen van de dienst Bouw- en Woningtoezicht (sinds 1910) die de opdrachten gaf aan de ontwerpers-architecten en de aannemers/bouwbedrijven. Er werden plannen gemaakt door architectenbureaus die vervolgens hele buurten ontwierpen. Een uitzondering zijn de Hooft-, Vondel-, Cats-  en Huygensstraten en hun zijstraten die in tamelijk korte rijtjes door timmerlui-aannemers volgens eigen ontwerp werden gebouwd. Dat gebeurde al snel na de aankoop van het gebied. De oudste bouwvergunningen dateren al van 1903 en de laatste zijn van 1913. Aan wat toen nog de Spuiweg heette werden ook al rond 1905-10 tussen de Hooft- en de Catsstraat een rij dubbele woonhuizen ontworpen, waarvan al snel de begane grond werd verbouwd tot winkels met bovenhuizen. Zo konden de buren in die straten erachter daar hun boodschappen doen.

Het oudste stukje Oud-Krispijn op de kaart van 1912

Door een bouwcrisis veroorzaakt door de politieke toestand tijdens de Grote Oorlog (1914-1918), zat er echter een kleine tien jaar tussen dat gedeelte van die buurt en de rest van die wijk. Daar kwam de bouw pas na 1918 op gang. Pas in 1921 kreeg de wijk zijn straatnamen. En over de Brouwersdijk heen was het nog later voor de buurten daar verrezen.

De bijna voltooide rij huizen tussen de Nicolaas Beetsstraat en het J.P. Heyeplein in 1918-19

De vraag is nu: wat was er eerder de weg- of de wijknaam? En wanneer werd de wijk gesplitst in Oud en Nieuw?

Uit de verleende bouwvergunningen blijkt duidelijk dat in 1917 de weg nog steeds Spuiweg heet, maar dat al gesproken wordt over een nieuwe naam. In 1919 wordt op bouwaanvragen de naam Spuiweg doorgestreept en vervangen door Krispijnsche Weg. In 1918 werd de naam dus officieel veranderd. Vanaf 1920 komt de nieuwe naam voortaan alleen voor. Dan worden tot 1922 in de sloten langs de weg rioolbuizen gelegd en trottoirs aangelegd, terwijl de bouw van huizen en winkels naar het westen toe gestaag doorging tot ongeveer 1930.

Gezicht op de winkels langs de Krispijnseweg, 1940

In geen van de bronnen tussen 1890 en 1930 die ik geraadpleegd heb wordt er van een wijk Krispijn gesproken of van Oud- en Nieuw-Krispijn. Archivaris Jan van Dalen was, naar mijn beste weten, de eerste die in 1931 de bebouwing tussen Brouwersdijk en Krispijnseweg Krispijn noemde.[4] De Heus noemt in een artikel in Oud-Dordrecht uit 2015 dat “in de marge van het algemeen plan van uitbreiding van de gemeente Dordrecht uit 1932 [Krispijn] officieel als wijknaam [werd] vastgesteld.[5] Hij gaf helaas geen bron voor deze bewering.

Ik heb verder de indruk dat pas na de oorlog met de opvulling van het weidegebied tussen de Krispijnseweg en de Frederikstraat werd gesproken over Oud- en Nieuw-Krispijn. Waarschijnlijk was dat omdat de nieuwbouw van rijen witte huizen en flats zoveel nieuwer leek dan die tussen de jaren tien en dertig gebouwde woningen aan de westkant van de Krispijnseweg. Waarbij dus vergeten werd dat de Bloemen- en de Oranjebuurt er al respectievelijk sinds 1893 en 1906 lagen en veel meer de naam Oud-Krispijn verdienden. Al is het natuurlijk wel zo dat zij in wezen niets met Krispijn en de Krispijnseweg te maken had, maar dat daar de Dubbeldamseweg de ruggegraat van de wijk was en is. Eigenlijk zou onze buurt dus gewoon anders moeten heten.

Uitsnede uit de stadsplattegrond van 1956 toen Nieuw-Krispijn, de Nassaubuurt, klaar was…

Is die situatie nog terug te draaien? Ik vrees dat dat moeilijk zal gaan worden. Wel verrijst er inmiddels tussen Nassauweg en Frederikstraat een geheel nieuwe wijk, die behalve wat stratenpatroon betreft niets meer met beide wijken te maken heeft. Misschien moet alleen dit stuk vanaf de Frederikstraat tot aan de Krispijnseweg voortaan maar Nieuw-Krispijn heten. Daar zijn voornamelijk Nassaus vernoemd, terwijl aan ‘onze’ kant de 19e eeuwse koninlijke familie overheerst: de Oranjes. Dan geven we ‘ons’ wijkje met als as de Dubbeldamseweg gewoon weer de namen Bloemenbuurt en Oranjebuurt. Maar dan moet mijn mobiel wel mijn positie van Bloemenbuurt in Oranjebuurt veranderen, want ik woon niet in de bloemenstraten.

Hierna komt nog één blog over de naamgeving van de wijk, waarin ik een samenvatting en conclusie geef aan de hand van de gegevens over de oprichting van Nederlands oudste nog bestaande tekengenootschap, Pictura (1774).

Naar boven

Literatuur

Balm-Kok, A., In den Entvogel, Twijnderij in de Kannekoopersbuurt (Dordrecht 2024).

Benschop, R., T. de Bruijn en I. Middag, Historische atlas van Dordrecht. Stad in het water (Nijmegen 2013).

Dalen, J. van, Geschiedenis van Dordrecht I (Dordrecht 1931).

Frijhoff, W., H. Nusteling en M. Spies, Geschiedenis van Dordrecht van 1572 tot 1813 (Hilversum/Dordrecht 1998).

Heus, J. de, ‘Van Lantsyde en Poortsyde tot Jan Eijkelboomsteegje. De geschiedenis van de straatnamen op het Eiland van Dordrecht (4)’, in: Oud-Dordrecht 33 (2015) 81-88.

Linden, S. van der, De heiligen. Levens, kalenders, attributen, patronaten, iconografie (Amsterdam/Antwerpen 2002).

Lips, C.J.P., Wandelingen door Oud-Dordrecht. 2 delen (Zaltbommel 1974).

Schaar, J. van der, Woordenboek van voornamen. Inventarisatie van de doop- en roepnamen met hun etymologie (Utrecht/Antwerpen 1969).

Wijk, W. van, red., Dordt in de kaart gekeken (Zwolle/Dordrecht 1995).

Wijk, W. van, Historische atlas van de Biesbosch (Zwolle 2012).


[1] Benschop, e.a. (2013) 32.

[2] Ingepolderd tussen 1589-1603. Zie Benschop, e.a. (2013) 28.

[3] Van Dalen (1931) 118.

[4] Van Dalen (1931) 118.

[5] De Heus (2015) 81.

De naam Krispijn 4

De uitspanning 3

Een aquarel of ‘gewassen’ pentekening uit ongeveer dezelfde tijd, 1825, en door dezelfde tekenaar, Smak Gregoor, van de achterkant van de ‘uitspanning’ laat helemaal geen bijgebouwen links ervan zien. Dus hoe moet je dit interpreteren? Het gaat duidelijk om dezelfde locatie, maar in detail komen ze niet helemaal overeen. Alleen staat aan de rand van de sloot naast het huis een ‘gemak’ of plee, dat/die er een beetje krakemikkig uitziet. Niet echt geschikt om klanten van dienst te zijn.

De achterkant van Krispijn met de plee, 1825

Maar dan zijn er ontwikkelingen die de naam en de functie samenbrengen. Uit een beschrijving bij de verkoop van het ‘goed Krispijn’ uit 1878 blijkt dat op een stuk land van ongeveer 17 are (= 1700 m2 =  ca 41 x 42 m) “een gebouw met koepelkamer, kleinere kamer, keuken en schuur, met een bloementuin en een boomgaard” stonden naast de ‘herberg’ Krispijn. Het gaat hier nu dus om twee gebouwen.[1] Of de koepelkamer het eigenlijke zomerhuis was en de rest door een beheerder werd bewoond is niet bekend. Nu worden ‘herberg’ en zomerhuis klaarblijkelijk naast elkaar genoemd. Maar in die tijd had je al hotels en waren herbergen een soort veredelde dorpskroegen en verlopen rechthuizen (voorlopers van een gemeentehuis). Nu kun je op stadsplattegronden en eilandkaarten uit de 19e eeuw inderdaad twee huizen zie: het hoofdgebouw is altijd een niet al te groot rechthoekig pand met een kleine aanbouw. Het ligt dan even ten noorden van het al in de 17e eeuw bekende huis, dat nu helemaal tegen de dijk aan staat.

De hoek met boven het oude huis een nieuw pand, 1877, maar al in 1848 te zien.

Pas in een litho uit ca 1850 is er rechts van het ‘boerderijtje’ waar duidelijk nu wat mensen op een ‘terrasje’ voor de zijgevel zitten, een naar achteren staand huis met aan weerszijden van een voordeur een schuifraam te zien. Ervoor is met een schutting en een smeedijzeren hek een omheind erf te zien, maar het is niet duidelijk hoe de plattegrond van het complex eruit ziet.

Litho door W. Bögers uit ca 1849-1859 met mensen op het terras van ‘Krispijn’

Is dit het  zomerhuis en het huis met het terras, het wat in archiefstukken uit 1840 en 1846 de ‘herberg’ Krispijn werd genoemd? Helaas heb ik in het archief niet meer 19e eeuwse vermeldingen van Krispijn kunnen vinden. Alleen als er lezers van dit blog zijn die me nieuwe gegevens kunnen bezorgen, komen we hier misschien nog wat verder mee.

Het Excelsior-complex met eronder nog een later niet meer voorkomend pand, 1923

Op de kaart van 1923 is tegen de zuidkant van de dijk nog een pand te zien dat misschien uit twee delen bestaat. Niet duidelijk is wat dit moet voorstellen. Ten noorden van de dijk is op de hoek een groter complex te zien. Dit was de beschuitfabriek en bakkerij Excelsior met woonhuis erboven. De gebouwen van de uitspanning moeten op de locatie van de bakkerij, waarschijnlijk erachter, aan de Brouwersdijk gelegen hebben, maar hebben dan inderdaad niet bepaald een indrukwekkend formaat gehad. Toch is hier misschien nog een bijzonder stukje informatie te vinden. Op de hieronder staande foto, die in 1939 kort voor de afbraak van de gebouwen van de zijkant van de bakkerij is gemaakt, komt boven de lage achterbouw een oud pannendak uit.

Het Exceslio-complex kort voor de afbraak in 1939

Zou dat het kleine ‘boerderijtje’ van ca  4 x 8 m geweest kunnen zijn? Dan hebben we hier nog de laatste rest van de beroemde ‘uitspanning’ en ‘herberg’ Krispijn in beeld. Die moet dan in datzelfde jaar afgebroken zijn. Op die plek is in 1940 een rijtje van drie huizen onder een kap gebouwd. Ze staan er nog steeds.

Het pannendak van Krispijn?

In 1939 is de ‘uitspanning’ dus opgeslokt door de verbreding van de Brouwersdijk. Het restje van Stadvliet zou in 1949 pas worden afgebroken om de Julianaweg op de Krispijnseweg te kunnen aansluiten. De stippellijntjes om aan te geven waar die zou komen staan al op de 1939 kaart, maar de oorlog kwam ertussen.[2]

De stadsplattegrond uit 1939, alleen Stadvliet staat er nog

Op een foto van rond 1937 bovenaan dit blog is de plaats te zien waar de Oudendijk (nu de Hugo van Gijnweg) in de nu Krispijnseweg geheten Spuiweg overgaat met op de achtergrond de bakkerij.

Wordt vervolgd

Naar boven


[1] Van Wijk (1995) 116.

[2] Van Wijk (1995) 116.

De naam Krispijn 3

De uitspanning 2

Uit de 18e eeuw zijn nauwelijks kaarten over waarop de bebouwing op de hoek Spuiweg-Brouwersdijk staat. In 1725 is de kaart van Van Nispen uit 1673 alleen maar aangepast aan de dan heersende omstandigheden, waarbij de hoek geheel hetzelfde is gebleven. De kaarten van het Eiland uit de rest van die eeuw zijn te weinig gedetalleerd om de huizen bij de hoek te tonen. De 18e eeuwse stadsplattegronden tonen niet genoeg van het gebied buiten de stadsvesten om zover te komen. Laten we daarom eens kijken naar het topografische bewijsmateriaal, oftewel de plaatjes. Gelukkig zitten er in de Beeldbank van het Regionaal Archief ook afbeeldingen van de panden op de bewuste hoek.

De oudste afbeelding van die gebouwen is een gewassen pentekening van de bekende Dordtse kunstenaar Aart Schouman (1710-1782), die in 1747 een gezicht op Dordrecht schilderde gezien vanaf deze locatie (zie bovenaan dit blog). De Grote Kerk steekt in de verte boven bossages uit en boven wat misschien het dak van de villa Weizigt is. Rechts staat de boerderij van Stadvliet met de monumentale inrijpoort van de buitenplaats, bestaande uit twee pilaren met op elke een schildhoudende leeuw. Links staat achter een schuurtje op de voorgrond een huis met wat eruit ziet als een rieten dak en een bakstenen puntgevel. De zijmuur lijkt met gepotdekselde planken bedekt. Rechts van het schuurtje komt een houten schutting tevoorschijn, die het erf van de weg scheidt. Het bijschrift is alleen maar DORDRECHT en de maker heeft zijn naam  en het jaartal eronder gezet. Geen twijfel mogelijk over de maker dus, maar de naam Krispijn valt niet.

In het bijschrift door het archief staat hij wel: “Rechts de ingang van de voormalige buitenplaats Stadtvlied, daar tegenover de herberg Krispijn, op de achtergrond de Grote Kerk”. Maar die dateert van de tijd dat de catalogus van de verzameling Dordracum Illustratum (1908), waarin de tekening te vinden is, werd gedrukt. Misschien leefde het pand toen inderdaad nog in de herinnering als herberg, zoals hij in de 19e eeuw nog werd vermeld. Hier ziet het er weinig herberg-achtig uit.

De wat wollige afdruk van de prent van Bendorp, 1780

Uit dezelfde verzameling is de kopergravure ‘de afgebrande steê buyten Dordregd’ door C.F. Bendorp (1736-1814) die hij in 1780 in een serie Gezichtjes naar ’t leven getekent publiceerde. In het bijschrift heeft iemand tussen haakjes (nabij Krispijn) geschreven. Het is duidelijk dezelfde locatie als die uit 1747, maar er zijn verschillen. Misschien staat het schuurtje nog uiterst links op de prent, maar het huis erachter ziet er anders uit. Het heeft nu een bakstenen zijmuur met een raam erin met vensterluiken. Rechts zou een aanleunende zijruimte kunnen staan. De schutting is weg, alleen tegen de hoek van het huis staat nog een kort restje ervan, met erachter een deur of raam. Waar die verbrande boerderij staat is me niet duidelijk. Stadvliet, rechts, ziet er niet verbrand uit en het linkerhuis ook niet. Dat vertoont ook hier geen tekenen dat het een uitspanning is al staat er een ruiter voor die misschien met iemand staat te praten. Links staat nog een man die eruit ziet alsof hij tegen de muur staat te pissen. 

Het idyllische gezicht bij ‘Krispijn’, 1825

Maar dat is 45 jaar later nog steeds niet het geval. U ziet hier een gewassen pentekening uit ca 1825 (dus even voor in 1830 de naam voor het eerst op kaarten verschijnt) van Gillis Smak Gregoor (1770-1843). Links zou de ‘uitspanning’ op de plaats waar de Spuiweg (naar rechtsachter) overgaat in de Oudendijk (linksvoor) te zien zijn. Het is duidelijk een bescheiden pandje van misschien maar 3,5 à 4 x 8 à 9 m in oppervlak zonder een echte verdieping. Ervoor is een ruiter afgestegen. De andere zit nog te paard en praat met een ‘melkmeisje’. Voor het huis staan twee losse hekken waar je de teugels van een paard tijdelijk omheen kon binden. Er staat nog wat bebouwing naast het huis of is het een hoge schutting? Achter het melkmeisje staat een klein en laag bijgebouwtje; een schuurtje? Of is het de aanleunkamer. Rechts zijn over de heul de boerderij, schuur en de pilaren van Stadvliet te zien. Is hier uit op te maken dat het hier om een café gaat, want dat is een uitspanning in de basis? Nee. Het is gewoon een rustieke scene zoals er zoveel zijn getekend en geschilderd vanaf de 17e tot en met een flink deel van de 20ste eeuw.

Wordt vervolgd

Naar boven

De naam Krispijn 2

De uitspanning 1

Veel rijke families in Dordrecht bezaten een buitenhuis op het Eiland. Dat kon de vorm aannemen van een flinke boerderij met erf en bijgebouwen en een aparte kamer voor de eigenaar tot een bijna paleisachtige villa met een formele baroktuin. Daar kon men de toch wat benauwde huizen, al waren ze nog zo groot, binnen de stadsmuren ontvluchten. Als het in de zomermaanden warm was konden ze zo de stinkende open riolen, die sommige grachten en spranten waren, vermijden.

Krispijn was volgens de literatuur zo’n zomerhuis. Dat werd natuurlijk niet gebouwd als horeca-gelegenheid, want dat is de functie die een ‘uitspanning’ heeft. Met het op gang komen van de belangstelling voor de natuur, zoals dat in de loop van de 18e eeuw het geval was, werden er langs uitvalswegen van steden op veel plekken in ons land dergelijke uitspanningen gesticht. Het waren plaatsen waar je letterlijk na een rit met koets en/of te paard de paarden uitspande. Of in ieder geval even rust liet nemen. Vooral op schilderachtige plekken met een bruggetje en bossages, etc. konden ze tijdens mooi weer op een regelmatige aanloop rekenen. Dat waren dan meestal bestaande, wat boerderij-achtige panden waar je tijdens zo’n uitstapje je paard kon vastbinden, op een bankje een pijp kon opsteken en een glas kon drinken, met eventueel een versnapering erbij. Dergelijke uitspanningen om de stad heen waren tot in de 20ste eeuw een populair trefpunt voor burgers die er een dagje opuit trokken.

Bovenaan dit blog ziet u een aquarel van Aart Schouman uit 1745 die een ‘herberg’ in Dubbeldam zou voorstellen. Het is misschien inderdaad een eenvoudige dorpsherbeg, maar het zou net zo goed een uitspanning kunnen wezen of een taveerne met ‘buitenterras’.

Een uitspanning was echter zeker geen herberg. Een herberg was een flink gebouw waar je kon eten en drinken en waarin je kon overnachten: een soort hotel-café-restaurant dus. Zo’n type locatie baat je zeker niet uit midden tussen de weilanden en akkers, maar in de stad, bij een drukke brug of aan een plein. Of buiten de stad op een druk kruispunt van (water)wegen, een aanlegsteiger van een veer of buiten een stadspoort, zodat je ergens kunt slapen als je de poort gesloten vindt. In herbergen langs postroutes was daarbij gelegenheid voor postbodes om van paard te wisselen en daarom hadden die dan ook een flinke stal.

Het zomerhuis van Van Outgaerden kan nooit een grote hoeve zijn geweest. Op alle kaarten die ervan zijn zie je een klein rechthoekje op een driehoekig stukje land in de hoek tussen de Spuiweg en de Brouwersdijk. Niet groter dan een gemiddelde boerderij, maar die zou minstens nog grote schuur of stal erbij moeten hebben. Eerlijk gezegd heeft het geheel een nogal bescheiden omvang. Was dit echt een buitenplaats? Een zomerhuis dat in de zomer door leden van de familie werd bewoond? En de rest van het jaar door een beheerder?

Detail uit de kaart van Van Nispen uit 1673.
In het origineel ligt het noorden onder.
Rechtsboven is het huis te Dubbeldam te zien.

Dat daar al wel wat stond blijkt voor het eerst uit de gedetailleerde kaart van het Eiland uit 1673 (dus na de dood van de oude Crispijn van Outgaerden) door Matttheus van Nispen. Aan het einde van de Speuywegh (Spuiweg)- hoek Brouwersdijk ligt daar voor het eerst dat driehoekige stukje land omheind met bomen, waarop een gebouwtje is te zien.[1] Het ligt tegenover een ander afgescheiden stuk land, waar de buitenplaats Stadvliet stond. Op de kaarten van Dordrecht en omgeving komt de naam Krispijn in de 17e en 18e eeuw nog niet voor. Het duurt nog tot ca 1830 voordat op een kaart van het eiland de naam Krispijn staat vermeld bij die hoek tussen de weg en de dijk. Daarna is de naam wel steeds aanwezig. Blijft de vraag waarom je zo’n café-met-terras zou noemen naar iemand die al bijna een eeuw dood is, en dan nog wel naar voornaam van die persoon in plaats van naar zijn achternaam. Cafés van nu hebben soms de gekste namen, maar in de 19e eeuw was men nogal conservatief in de naamgeving van horeca-gelegenheden. Dus: waarom Krispijn???

Detail uit een kaart van het Eiland van Dordrecht en omstreken van ca 1830

Wat betekent dit dan? Stond het gebouw daarvoor, dus tijdens de 18e eeuw, niet bekend als Krispijn? Wist men in de vroege 19e eeuw nog dat het pand aan ene Crispijn van Outgaerden had toebehoord, van wie de laatste van de drie toch al in de eeuw ervoor kinderloos was overleden? Hadden familieleden het na zijn dood nog in bezit gehad en was dus de naam van de vroegere eigenaar al die tijd blijven hangen? Of is het een half-legendarisch relict uit een toen al ver verleden? Waar komt dan bijvoorbeeld het verhaal vandaan dat enkele schilders en tekenaars, die zich vooral op het uitbeelden van de natuur toelegden, hier, dus in ‘de uitspanning Krispijn’, in 1774 besloten tot de oprichting van het Teekengenootschap Pictura. Is dat een fabeltje? Het genootschap, dat nu dus zijn 250-jarig bestaan viert, verspreidt dit als een historisch feit, maar ik ben daar niet zo zeker van.[2]

In de volgende blogs zullen de ‘platen’ behandeld worden waarop Krispijn te zien zou zijn.

Wordt vervolgd

Naar boven


[1] Frijhoff, e.a. (1998) 70-71.

[2] Lips (1974) 276.

De naam Krispijn 1

Tijdens een radiointerview realiseerde ik me ineens dat sommige mensen helemaal niet weten waarom onze wijk Krispijn heet. Daar moet ik dus even wat aan doen.

Je kunt natuurlijk de naam Googlen en dan krijg je te zien waar je in die wijk moet wezen voor een (afhaal)maaltijd, de dokter, de wijkagent en de verloskundige. De goed bedoelde In-de-Buurt site heeft verder een onzinverhaal over hoe de wijk aan zijn naam komt. Als je verder zoekt kan je op Wikipedia onder die naam niks vinden, maar pas onder Oud-Krispijn staat:

“De wijk is genoemd naar de Uitspanning Krispijn, die tot 1904 op het landgoed van de zeventiende-eeuwse edelman Crispijn van Outgaerden lag”.  

Hoewel daar een paar kloppende namen in staan, is de basis fout. Ik kom daar verderop op terug. En het is zeker een flater om te zeggen dat Oud-Krispijn “de eerste stadsuitbreiding ten zuiden van de spoorlijn” was. Volgens datzelfde Wikipedia bestaat Nieuw-Krispijn daarentegen “voornamelijk uit middenbouw (wat dat is is me onduidelijk; ik dacht dat dat die term met het basisonderwijs te maken had) en werd tijdens de Wederopbouw (dus na de oorlog 1940-45) opgetrokken”. U weet inmiddels dat dat niet, of in ieder geval slechts gedeeltelijk, klopt. 

Het is inderdaad een vreemde zaak met de Krispijn-wijken. Westelijk van de Krispijnseweg, die in 1918 nog Spuiweg heette[1], heet de wijk Oud-Krispijn en rond de Dubbeldamseweg wordt hij Nieuw Krispijn genoemd. De oudste gebouwen in de laatste wijk dateren echter, zoals u in mijn blogs hebt kunnen lezen, van vóór 1900, terwijl de bouw in Oud-Krispijn, na een schuchter begin van zeven straten in 1904-1912, pas in de jaren twintig van start ging. De straatnamen in die buurt werden zelfs pas in 1921 vastgesteld, terwijl ze in Nieuw-Krispijn al in 1905-1906 zijn gegeven. Ten westen van de Dubbeldamseweg werd, zoals gemeld, al sinds 1906 gebouwd.[2] Naast de Bloemenbuurt oostelijk van de weg, heette dit gedeelte aanvankelijk de Oranjebuurt of de Koningsbuurt omdat de namen van de straten, zoals u eveneens op deze website hebt kunnen lezen, genomen waren van de familie van de toenmalige koningin Wilhelmina. En niet naar “Nederlandse stadhouders” zoals ook in Wikipedia staat. De enige stadhouders die zijn vernoemd waren Willem de Zwijger en zijn zoon Maurits, die  dat waren van Holland en Zeeland. Naar Willem is een laan aan de rand van Nieuw-Krispijn-West genoemd en Maurits heeft een weg in Oost, maar ik denk dat dat pas een late vondst is. Verder komt er geen stadhouder in de straatnamen voor. Bovenaan het blog ziet u de situatie in 1923. Maar waar komt die naam Krispijn dan vandaan?

De naam

Munt met de beeldtenis van Flavius Julius Crispus

Krispijn, C(h)rispijn of Crispin is oorspronkelijk een mannelijk voornaam. Hij komt van het Latijnse crispus, dat krullenkop betekent, dus oorspronkelijk zal het een bijnaam zijn geweest.[3] De bekendste Romein die zo genoemd werd was Flavius Julius Crispus (ca 305-326) met wie het slecht afliep (Google hem maar). Hij was een zoon van de bekende keizer Constantijn de Grote (ca 273-337) die het christendom in het Romeinse rijk toeliet. Hij zal waarschijnlijk opvallend krulhaar hebben gehad, al valt dat op munten met zijn beeldtenis wel mee.

Crispinus en Crispinianus, altaarvleugel ca 1530. Ze hebben schoenmakersmessen in hun handen. Bode-Museum, Berlijn 

In de middeleeuwen was het de naam van een heilige, Crispinus, die samen met zijn broer Crispinianus als martelaren werd vereerd. Ze waren schoenmakers toen ze door de Romeinen vanwege hun geloof werden gemarteld en gedood in Soissons (Frankrijk). Uiteraard werden ze de patroonheiligen van de schoenmakers en leerlooiers en werden ze in de late middeleeuwen door die beroepsgroep vereerd. Ze hadden zelfs een altaar in de Dordtse Grote Kerk. Hun naamdag was 25 oktober, een dag waarop schoenmakers traditioneel een borrel op hen dronken.[4]

Behalve in Limburg en het aangrenzende Rijnland kwam de naam Crispijn niet veel in Nederland voor. Er was wel een aan beide martelaren gewijd altaar in rijke laat-gotische stijl in de Waldetrudiskerk te Herentals, eveneens in het Belgische Brabant. Mensen die naar hen genoemd werden hoefden dus niet echt krulhaar te hebben.

Jan van Dalen, de vroegere archivaris schreef al in 1931: Krispijn heet naar Chrispijn (ook Crispijn) van Outgaerden.[5] Maar hij was geen edelman, zoals dat op internet wordt beweerd. Hij was wel van goede familie, maar zeker niet van adel. Voorvaderen en familileden waren met dochters van Dordtse schepenen getrouwd met namen als Muys van Holy, Van Beverwijck en Dibbetz.

Recent onderzoek heeft aangetoond dat de familie afstamde van Aert Chrispijnsz, een ‘koordwerker’ uit Thienen in Vlaams Brabant. Zijn ambacht bestond uit het vlechten van zijden en katoenen koorden voor onderdelen van de kleding uit die tijd, zoals mantels en hoeden. Hij moet rond 1565 zijn geboren en zal waarschijnlijk om godsdienstige redenen uit zijn geboorteplaats zijn gevlucht. Vervolgens heeft hij zich in Dordrecht gevestigd en zijn ambacht hier voortgezet. Met zijn vrouw Willemke Jansdr. kreeg hij vier kinderen. Of die in Dordrecht zijn geboren is niet bekend, maar ze trouwden hier wel. De jongste, Pieter, trouwde in 1628 zeker met een Dordtse uit de invloedrijke familie Muys van Holy. Hij nam, waarschijnlijk vanwege die sjieke connectie, de naam Van Outgaerden aan. Outgaarden was en is de naam van een dorp op 6 km ten zuiden van Thienen, dus de familie zal daar zijn wortels hebben gehad. Tegenwoordig is het onderdeel van de gemeente Hoegaarden.

Het wapen Outgaerden in een laat 17e eeuws Dordts manuscript.

Pieters oudere broer Crispijn was koopman en bekleedde functies bij de gildenvertegenwoordiging, de Achten, in het Dordtse stadsbestuur en werd invloedrijk bij de haringhandelaars.[6] Hij  woonde aan de vismarkt van Heer Danielsambacht (het deel van Dordrecht rond de Nieuwkerk) met als adres het huis Den Endtvogel aan de Oude Houttuyn (nu Voorstraat 84) in de Cannenkopersbuurt. Hij overleed in 1669, 72 jaar oud. Zijn graf is in de Grote Kerk te vinden, dus hij moet een vermogend man zijn geweest want het was niet goedkoop om je in de kerk te laten begraven. Dat is ook te merken aan de indrukwekkende nalatenschap die onder zijn familie werd verdeeld. Hij had geen kinderen, dus huis, erf, en toebehoren, plus inboedel, bibliotheek, geld en bezittingen in en om de stad gingen naar neven en nichten.[7] Tot hen behoorden zijn neven Pieter Pieters. van Outgaerden, zoon van de al genoemde Pieter, en nog een Crispijn van Outgaerden. Van wie de laatste een zoon was is niet bekend, maar hij erfde ook een ‘grote tuin’ ter waarde van f 860,00. Was dat de (nog onbebouwde?) ‘buitenplaats’?

Pieter Pietersz. schopte het tot Veertigraad van de stad en hopman van de gewapende burgerij. Hij trouwde met een dochter van stadsapotheker en -dokter Adam Dibbbetz en zijn vrouw, die weer een dochter was uit de bekende lakenkopers- en artsenfamilie Van Beverwijck. Één van zijn zonen was de in 1674 geboren Crispijn van Outgaerden, de derde van die naam en een generatie jonger dan de erfgenaam van de oude Crispijn. Misschien erfde hij weer van die oom, waaronder mogelijk de ‘grote tuin’.

Het wapen Van Oudgaarden dat ik in 1979 schilderde

De jonge Crispijn was in 1700 pas 26 en net volwassen (dat was men toen met 25 jaar), dus het is waarschijnlijker dat oudoom Crispijn dat buitenverblijf al vanaf ongeveer 1660 bezat. In de genealogische bronnen komen de drie Crispijns niet voor als bruidegom, hebben ze ook geen kinderen en is het overlijden van de twee jongsten nergens te vinden. Bij hen stierf de familie dus uit. De vijf jaar jongere broer van de jongste Crispijn, Adam, zette de lijn voort. Curieus is dat één van zijn nakomelingen mij in augustus 1979 als één van mijn eerste particuliere opdrachten heeft gevraagd het familiewapen te schilderen.

Waar het wapen op gebaseerd is was me toen al onduidelijk en nu nog meer. Er komen nog minstens twee andere versies voor. Eén met een paard in het eerste kwartier en een keper tussen drie merletten (vogeltjes zonder snavels en voeten) in het tweede en de druiventak in het onderste deel. En één met een man die in de takken van een boom vruchten plukt bij een Indische tak van de familie. Welk is het echte?

Wordt vervolgd

Naar boven


[1] Zie de waterschapskaart uit dat jaar, en de gemeentekaart uit 1923 waarop hij Krispijnsche Weg heet. https://www.dordrechtplattegronden.nl/

[2] Van Dalen (1931) 117.

[3] Van der Schaar (1969) 58-59.

[4] Van der Linden (2002) 206-207.

[5] Van Dalen (1931) 118.

[6] De Navorscher 54 (1904) 65.

[7] Balm-Kok (2024).

Achter het laatste blog in deze serie zal een literatuurlijst worden geplaatst, waarin de titels staan waar deze noten naar verwijzen.

Oranje straatnamen 4

De Hendrikstraat is in 1906 genoemd naar de ondernemende prins Hendrik, voluit Willem Frederik Hendrik (13 juni 1820 – 13 januari 1879). Hij was de derde zoon van koning Willem II en Anna Paulowna. Ook hij was, net als zijn oom prins Frits, een militair die het zelfs schopte tot admiraal van de vloot. Bovendien bezat hij een geweldige martiale snor en bakkebaarden. Hij was de eerste Oranje  die zowel ‘ons’ Indië als de koloniën in de Caribische Zee bezocht. In Indië bemoeide hij zich met de tinmijnen daar en bouwde er een fortuin op met de handel in dat metaal. Hij was ook stadhouder van Luxemburg toen dat nog bezit van de Oranjes was.

Prins Hendrik in volle glorie, ca 1870

Maar waarom de Mariastraat naar zijn tweede vrouw Maria van Pruisen heet is me een raadsel. Zijn eerste vrouw was Amalia van Saksen-Weimar-Eisenach (1830-1872), maar die verbleef voornamelijk in Luxemburg. Na haar dood trouwde hij dus met Maria, voluit Marie Elisabeth Louise Frederika van Pruisen (14 september 1855 — 20 juni 1888). Zij huwden op 24 augustus 1878 in Potsdam bij Berlijn. Helaas waren ze nog maar vijf maanden getrouwd toen prins Hendrik aan een hersenbloeding overleed. Prinses Marie bleef weliswaar, tot zij in 1885 met een Duitse prins hertrouwde, in Den Haag wonen en had goede connecties met de familie, onder wie koningin Emma, maar erg bekend was ze in Nederland niet.

Prinses Marie, ca 1878

De enig overgebleven straat is dan nog de Saksen-Weimarstraat die ook in 1925 zijn naam kreeg. Volgens het straatnaambord is die genoemd naar Karel Alexander (1818-1901). Dat was dus Karel Alexander August Johan, groothertog van Saksen-Weimar-Eisenach. Hij was een zoon van de toenmalige erfgroothertog Karel Frederik en Maria Paulowna, dochter van tsaar Paul I van Rusland en zuster van de Nederlandse koningin Anna Paulowna. Karel Alexander leerde in 1834 zijn nicht prinses Sophie der Nederlanden kennen, dochter van koning Willem II en Anna Paulowna, en zuster van Willem III, Alexander en Hendrik (zie hiervoor). Hij trouwde met haar in Den Haag in 1842. Ze woonden in Weimar, maar voor bezoeken aan Nederland had Willem III voor zijn zus Sophie een pand op het Lange Voorhout in Den Haag aangekocht. Dat staat er nog steeds. Ook zij was niet erg bekend in Nederland (behalve in Tilburg…) en daarom zal zij ook niet de naamgeefster van de Sophiastraat zijn geweest. Maar waarom haar man dan wel een straat naar zich genoemd kreeg is dan de vraag.

Prinses Sophie en haar man groothertog Karel (Carl) Alexander, ca 1885

Zoals u ziet zijn er nogal wat vragen te stellen over de naamgeving van wat we eigenlijk de Oranjebuurt moeten noemen. In 1906 werden, zoals ik hoop te hebben aangetoond, de halfbroers van koningin Wilhelmina, haar moeder en de eerste vrouw van koning Willem III, haar vader, vernoemd. Iedereen was toen al dood. Het vroeg overleden Mauritsje kreeg een doodlopend industriestraat naar zich genoemd. Of zou van meet af aan toch de roemruchte prins Maurits, zoon van de Vader des Vaderlands, zijn bedoeld? Maar wat deed hij dan als 17e eeuwer tussen de 19e eeuwse andere leden van deze Oranjetak? Juist in het deel van de weg langs Nieuw-Krispijn-West vind je wat tijdgenoten, maar die wijk raakte de weg pas toen die na de oorlog werd doorgetrokken tot aan de Krispijnseweg. Was daar al rekening mee gehouden? Ik betwijfel het.

Prinses Marie en Prins Hendrik, 1878

Vervolgens is de keuze van de prinsen Frederik en Hendrik, uit eerdere 19e eeuwse generaties tamelijk afwijkend. En die van de tweede vrouw van de laatste, Maria, was helemaal vreemd. De pas in 1925 toegevoegde straten die zijn genoemd naar koningin Anna Paulowna, de echtgenoot van haar nicht Sophie Karel Frederik, en haar schandalige aangetrouwde tante Marianne, roepen nog meer vraagtekens op. Was men op het stadhuis niet zo op de hoogte van de relaties tussen en de levenslopen van de gekozen Oranjes? Zat er iemand in de naamgevingscommissie die het niet zo op die familie had? Dordrecht was en is niet echt een koningsgezinde stad, zoals we hebben gezien toen het beeld van Willem van Oranje aan de stad werd opgedrongen. Of speelde iemand een cynisch spelletje en stelde hij een ondoorgrondelijk lijstje elitenamen op dat vooral vragen opriep. Tot iedereen er zo gewend aan was geraakt dat niemand (zich) meer vragen stelde. Tot dat de straatnamen gewoon vanzelfsprekend waren geworden. Tot nu…

Bovenaan het blog ziet u een foto van het bezoek van prinses Wilhelmina en regentes koningin Emma aan Dordrecht in augustus 1897. Ze staan omgeven door notabelen op een voor de gelegenheid aangepast bordes van het stadhuis dat nogal barok is versierd en met groen en bloemen is opgefleurd. Let op de zee van bloemenhoeden onderaan de foto.

Naar boven

Oranje straatnamen 3

De rest van de straatnamen in de Oranjebuurt gaat nog wel een generatie verder terug; die van de Frederikstraat en de Mariannestraat zelfs twee.

Frederik, die Frits werd genoemd, heette voluit Willem Frederik Karel, prins der Nederlanden, prins van Oranje-Nassau (28 februari 1797 – 8 september 1881), was de tweede zoon uit het huwelijk van koning Willem I der Nederlanden en Wilhelmina van Pruisen en daarmee de jongere broer van de latere koning Willem II. Hij vervulde voornamelijk hoge militaire functies en heeft nog tegen Napoleon gevochten in 1813 en 1815 en in de Belgische afscheiding van 1830 een rol gespeeld. Prins Frederik richttte ook de Koninklijke Militaire Academie in Breda op. Daarnaast leverde zijn rol in het bestrijden van de armoede in die tijd hem ook veel goodwill op. Bij alle problemen waar de Oranjes gedurende zijn leven mee te maken hadden heeft hij verder een bemiddelende rol gespeeld. Hij werd daar, ook in het land en in de politiek, zeer om gewaardeerd. Naast dat alles was hij een grote steun voor de Orde van Vrijmetselaren in Nederland, die veel aan hem te danken heeft.

Prins Frederik als Pruisisch officier, foto ca 1855

Frederik werd 84 en was daarom de langst levende Oranje ooit. Hij was zelfs nog aanwezig bij de doop van de latere koningin Wilhelmina in 1880.

Met zijn jongere zuster ging het minder voorspoedig. Marianne, voluit Wilhelmina Frederica Louisa Charlotte Marianne (9 mei 1810 — 29 mei 1883), prinses der Nederlanden, prinses van Oranje-Nassau, was dus ook een kind van koning Willem I. Zij trouwde in 1830 met haar neef Albert van Pruisen, had met hem een slecht huwelijk en ontvluchtte Berlijn. Ze vestigde zich in Voorburg. In 1849 scheidde ze officieel van haar man. Dat was tamelijk ongewoon in die tijd, maar het had een reden. Ze veroorzaakte namelijk een nationaal en internationaal schandaal doordat ze toen al een relatie had met haar lakei en later secretaris Johannes van Rossum. Bovendien kreeg ze in datzelfde jaar 1849 een zoon van hem die Johannes Willem van Reinhartshausen werd genoemd. Het was dus duidelijk voor het hof en niet lang daarna in het land en buitenland wat er aan de hand was. Broer Frits bemiddelde bij de scheiding.

Prinses Marianne, litho naar een schilderij, 1835

De jongen overleed al op 12-jarige leeftijd, kort daarna gevolgd door zijn vader Johannes. Prinses Marianne vervreemde van haar familie en ging haar eigen gang. Ze was door haar onorthodoxe gedrag het zwarte schaap van de familie. Ze verbleef voornamelijk in het buitenland, waar ze overal huizen bezat en aan liefdadigheid deed. Maar ze heeft dan toch maar een straat in Dordrecht die naar haar genoemd is.

Het is de vraag waarom een gemeente dat zou doen. Was het omdat de al genoemde Anna Paulowna- en Saksen-Weimarstraten ergens op uit moesten komen? Of zat er een diepere betekenis achter? In 1939 was de straat nog geheel onbebouwd en pas na de oorlog zou die aanvangen. In 1948-49 werden net als in straten in de omgeving rijen gebouwd met van oorlogspuin gemaakt beton; het zogenaamde Witte Dorp. Aan de even kant werden samen met de Frederikstraat en een kant van de Saksen-Weimarstraat in 1952 nog enkele rijen fantasieloze bakstenen panden opgetrokken. Je zou bijnna denken dat de gemeente door de straat de naam van een in ongenade gevallen prinses te geven zelf ook niet veel liefde voor het gebied had. Natuurlijk is ook deze gevolgtrekking niet te bewijzen.

De litho bovenaan het blog is een familieportret uit 1827 door Claudio Linati (?) van het gezin van koning Willem I Frederik die zittend wordt afgebeeld met koningin Wilhelmina links naast zich. Hun zoon, de latere koning Willem II (1792) staat links met zijn echtgenote Anna Paulowna gezeten in een stoel. Hun vier kinderen zijn om hen heen gerangschikt. De oudste, de latere Willem III (1817), staat met zijn rug naar de kijker gekeerd, zijn broer Alexander (1818) leunt helemaal links op zijn moeders stoel. Prins Hendrik (1820) staat naast zijn opa, de koning, en Sophie (1824) zit achter haar moeders stoel. Prins Frederik (1797) met echtgenote Louise van Pruisen staan rechts. Zij kregen hun eerste kind in 1828 en de litho moet dus van voor dat jaar worden gedateerd. Het meisje links naast Louise is prinses Marianne (1810), dan ca 16-17 jaar oud.

Prins Frederik, ca 1827, ook door Linati, die zelf de litho ondertekende: de geportretteerde lijkt hier wel degelijk

De prent bevindt zich eveneens als de eerdere in deze blogs, in het Rijksmuseum. De kunstenaar was een kleurrijk figuur die in 1827 inderdaad in Brussel was, waar de oorsponkelijke aquarel of tekening moet zijn gemaakt. De koninklijke familie verbleef voor de Belgische revolutie afwisselend in Den Haag en Brussel. Linati was een leerling van de beroemde Franse schilder J.-L. David. Hij was een capabel kunstenaar, maar de litho is dan waarschijnlijk door een veel minder deskundige collega naar het origineel vervaardigd.

Wordt vervolgd

Naar boven

Oranje straatnamen 2

Als de Willemstraat niet naar de vader van Willem, Maurits en Alexander genoemd is (als, hè, het is niet zeker!) is dat dan een verborgen kritiek op de vader van de in 1906 regerende koning Wilhelmina? De koning Willem III (1817-1890) was in zijn tijd niet populair. Vanwege zijn onheus, lomp en wispelturig gedrag werd hij door een politiek commentaror koning Gorilla genoemd. Die bijnaam bleef hangen. Hij lag regelmatig overhoop met de regering, die hem veel te liberaal was. Met zijn twee overblijvende zoons kon hij ook niet opschieten. Verder had hij allerlei affaires met dames en stond in het land bekend om zijn sexuele uitspattingen.

Koningin Sophie, ca 1850, foto van geschilderd portret

Koningin Sophie, daarentegen, kreeg wel een straat naar zich genoemd. Sophie, voluit Sophia Frederika Mathilda, prinses van Württemberg (17 juni 1818 — 3 juni 1877), was sinds 1839 getrouwd met haar volle neef koning Willem III: hun moeders waren  zusters. Van 1849 tot haar overlijden was ze koningin der Nederlanden en groothertogin van Luxemburg. Ze was een ontwikkelde vrouw die neerkeek op haar echtgenoot. Ze correspondeerde liever met Europese intellectuelen en bevorderde en subsidieerde de vaderlandse kunsten. Na 1855 leefde ze volledig gescheiden van haar man. Ze had niet veel contact met het volk, maar was wel begaan met de toestand van het land en deed veel aan liefdadigheid.

Koningin Emma, kort na haar huwelijk met Willem III

De koning wilde na haar dood hertrouwen met een Franse operazangers, maar daar stak de regering een stokje voor. Hij ging dus maar op zoek naar een Duitse hoog-adellijke bruid en vond  die in de toen 19-jarige prinses Emma van Waldeck en Pyrmont, voluit Adelheid Emma Wilhelmina Theresia, (2 augustus 1858 – 20 maart 1934). Ze trouwden 7 januari 1879 in Duitsland. Willem was toen 61. Al in  augustus 1880 werd zijn enige kind, dochter Wilhelmina, geboren. Na zijn dood in 1890 werd koningin Emma de voogd van haar toen 10-jarige dochter, en was regentes tot die in 1898 zelf ging regeren. Emma was geliefd in Nederland en de straatvernoeming in Dordrecht, evenals die van Sophia, was daar een teken van. Het gezinsportret bovenaan dit blog is een nogal geposeerd geheel, dat niet erg lijkt. Ik denk niet dat de tekenaar/lithograaf Ten Kate ze echt voor zich heeft gehad. Het was een kleurenlitho die als ‘premieplaat’ bij de krant Het Nieuws van de Dag werd verspreid en dateert van rond 1886.

Koningin Anna Paulowna, 1841, olieverfschilderij door Jean-Baptiste van der Hulst

De moeder van koning Willem III was de Russische grootvorstin Anna Paulowna (18 januari 1795 – 1 maart 1865). Zij was de dochter van tsaar aller Russen Paul I en de zuster van de volgende tsaar Alexander I en behoorde tot het huis Romanov. Haar zuster Catharina was de moeder van koningin Sophie. Willem II en Anna kregen vijf kinderen van wie vier overleefden: Willem dus, Alexander, die op 29-jarige leeftijd overleed, Hendrik, die we nog tegen zullen komen, en Sophie. Het is niet waarschijnlijk dat deze Alexander en Sophie de naamgevers van Dordtse straten waren, aangezien ze niet erg bekend waren in Nederland, terwijl Hendrik en natuurlijk Willem dat wel waren. Anna Paulowna had na de dood van koning Willem II nog vrij veel invloed in het land en op de volgende generatie van de familie, maar de straat die pas sinds 1925 haar naam draagt was pas rond 1930 gedeeltelijk bebouwd en de naamgeving is net als die van de Saksen-Weimarstraat (ook uit 1925) een beetje een nakomertje.

Wordt vervolgd

Naar boven